Home page




Brood en wijn





INLEIDING

Christenen komen regelmatig samen voor de maaltijd van de Heer (vgl.1Cor.11:20). Dit eten van de Heer noemen katholieken een eucharistieviering en protestanten spreken van een avondmaalsviering. Men beschouwt de ceremonie als iets heiligs, als een sacrament. En bijna iedereen denkt, dat Jezus een nieuwe rite met brood en wijn instelde die we trouw moeten onderhouden. Is dat wel zo? Waar dacht Hij aan?



HET PASCHA,
het nieuwe begin

De oorsprong van het eten van de Heer ligt in het Joodse pascha. Dat was een feestdag waarop Israël haar verlossing uit Egypte herdacht (Ex.13:3, Deut.16:3). Het was dus een soort bevrijdingsdag. Op die dag at men overal in het land de pascha-maaltijd. En toen Jezus dat voor de laatste keer deed met Zijn leerlingen om met hen de bevrijding van toen te herdenken, begon Hij over een nieuwe bevrijding, over de bevrijding door de Zoon, die waarlijk vrij maakt (vgl. Joh.8:36).

Eerst iets over de bevrijding van toen. In Egypte was Israël tot slavernij gebracht en toen God het hulpgeroep van Zijn volk hoorde, beloofde Hij het te brengen naar een beter land. Na tien vreselijke plagen liet farao de Israëlieten eindelijk gaan (Ex.7-12). Vlak vóór de exodus moest in ieder huis een lam geslacht worden, het bloed ervan aan de posten en bovendorpel van de deur gestreken en ongezuurd brood worden gegeten (Ex.12). Toen kon de reis beginnen naar het beloofde land. Wat een dag!

Natuurlijk moest die dag niet vergeten worden. "Blijf dit gedenken", zei Mozes (Ex.13:3,5,8-10). "En als één van uw kinderen later vraagt: "Waarom doen wij dit?", zeg dan: "Omdat de Heer ons met krachtige hand bevrijd heeft uit de slavernij van Egypte" (Ex.13:14).

Nu weten we, dat het lam dat toen geslacht moest worden, wijst op ons pascha-lam, Jezus (1Cor.5:7). Het moest daarom een gaaf, mannelijk, volgroeid dier zijn, een zuiver beeld van Hem (Ex.12:5, Joh.1:29, vgl. 1Pet.1:18-19). Maar waar wijst Egypte op?

Egypte symboliseert het ziels-vleselijke, dat God vijandig gezind is. Zoals farao zich opstelde tegenover de God van Mozes, zo gaat het begeren van het vlees in tegen de Geest: ze staan tegenover elkaar (Gal.5:17). "Egypte" probeert met alle middelen te voorkomen, dat Gods volk wordt verlost uit haar invloedssfeer.

Waar het uiteindelijk om gaat bij de bevrijding uit Egypte zegt God heel nadrukkelijk: "Laat Mijn Zoon gaan, om Mij te dienen". Het gaat dus niet om redding alleen, maar om volledige verlossing. Hij roept zonen uit "Egypte", die Hem zullen dienen. Die roep is van alle tijden. Hij riep Jezus uit "Egypte" (Mat.2:15, Op.11:8). Later zou Hij weer anderen uitroepen (Rom.8:29-30). Hoe? Via de nieuwe en levende weg: door Jezus' vlees en bloed (Rom.7:24, Hebr.10:19-20). Met welk doel? Om ook hen te maken tot een uitverkoren, koninklijk, priesterlijk en heilig volk, dat de Vader gaat dienen in vrijheid en in geest en in waarheid (Ef.2:5, 2Petr.2:9, Joh.4:23-24).



HET PASCHA-LAM

Er werd dus een lam geslacht (Ex.12:6). Wat voor offer was dat? Want er waren tal van offers. Brandoffers wijzen op Jezus' vrijwillige opoffering (Lev.1), spijsoffers op Zijn wijze van leven (Lev.2). Dankoffers en vredeoffers getuigen van Zijn gerichtheid op en Zijn vrede met de Vader (Lev.3). Al die offers waren voor God een liefelijke reuk (Lev.1:9, 2:2, 3:5). Daarnaast zijn er ook zondoffers en schuldoffers (Lev.4 en 5).

Men denkt vaak, dat het pascha-lam een zondoffer was, omdat er staat, dat Jezus het Lam Gods is, dat de zonden van de wereld wegneemt (Joh.1:29, Hebr.9:26, Rom.3:25). Maar bij het pascha gaat het niet om vergeving van zonden, maar om verlossing uit "Egypte". Zondoffers werden gebracht in de tabernakel, en later in de tempel, maar het bloed van het pascha-lam streek ieder aan zijn eigen deur. Men at het lam in zijn eigen huis, opdat de eerstgeborene er zou leven en men zou worden uitgeleid (Ex.12:7). "Uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen." (Hos.11:1). Het gaat dus om geestelijke volwassenheid, om zoonschap

De eerste, die door de Vader volledig uit "Egypte" werd geroepen, was Jezus van Nazareth (Mat.2:15). Hij kreeg macht over al het vleselijk-zielse van Zijn mens-zijn (Joh.17:2). Hij baande de weg en is nu de Weg (Joh.14:6). Nu verlost Hij door Zijn vlees en bloed alle uitverkorenen van elke vorm van "Egyptische" slavernij (Ex.4:22-23, vgl. Op.14:1-5, Rom.7:24).



ONGEZUURD BROOD

Met het pascha begon ook het feest van het ongezuurde brood (Ex.12:17). Jezus zegt nadrukkelijk, dat Zijn discipelen voor dát brood zó moesten bidden: "Vader, geef ons heden ons dagelijks brood" (Mat.6:11). In het Grieks staat epiousios brood, een woord dat in die taal maar één keer is gebruikt, alleen door Jezus dus. Epi betekent op, ousios is van komen. Hij zegt dus eigenlijk: "Vader, geef ons het op ons komende brood". Hij zegt niet, dat wij moeten bidden om brood van de bakker, maar om hemelbrood in ons hart. En Hij zegt: "Dat brood ben Ik. Wie Mij eet, zal leven" (Joh.6:50-51).

Over de betekenis van gezuurd of ongezuurd is Paulus duidelijk: "Ook ons pascha-lam is geslacht: Christus. Laten wij feest vieren, niet met oud zuurdeeg, of met zuurdeeg van slechtheid en boosheid (Grieks: poneria=laagheid), maar met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid" (1Cor.5:6-8). Oud zuurdeeg is aardsgerichte godsdienstigheid, dat waarde toekent aan oudtestamentische rites in het nieuwe verbond. Zo iets is laag, niet uit God, zegt Paulus (Gal.5:8-9).

Ook Jezus waarschuwde voor zuurdeeg, voor dat van de Sadduceeën en Farizeeën (Luc.12:1). De ideeën van de Sadduceeën waren pertinent onbijbels. Ze geloofden o.a. niet in de opstanding en in het bestaan van engelen. Het bovennatuurlijke was voor hen taboe, hoe godsdienstig ze ook waren. Maar de Farizeeën waren wel zuiver in de leer, zó zuiver, dat Jezus Zijn discipelen opdroeg om te doen wat ze zeiden (Mat.23:3). Hun zuurdesem was niet hun te lage kennis, maar hun huichelarij: wat ze zeiden was goed, maar ze hielden zich er zelf niet aan (Mat.23:3).

In alle haast bakten de Israëlieten dus ongezuurd brood en namen dat mee op reis (Ex.12:8, 15, 34). Ze mochten het dus niet eerst laten gisten met oud zuurdeeg. Kijk, dat is nu precies, wat iedere volgeling van Jezus zou moeten doen: meteen op reis gaan en nieuw eten. "Doe het oude zuurdeeg weg" (1Cor.5:7). Verlossing van Egypte komt alleen als we elke lage interpretatie en gewoonte achterlaten en voortaan alleen het ongezuurde brood van reinheid en waarheid eten. God geeft het nieuw, als brood uit de hemel, elke dag (Joh.6:51).

God bepaalde dus toen, dat men het lam moest eten met ongezuurd brood. En nu zegt Jezus: "Wie Mij eet, heeft leven en hem zal Ik opwekken" (Joh.6:54-55). Wat wordt het leven dan een feest! Dan ervaren we opwekking, opstanding, leven in geest en waarheid.



JEZUS' VERLANGEN
naar Zijn laatste pascha

Op de avond van het pascha werd er overal in Jeruzalem door tienduizenden mensen de pascha-maaltijd gebruikt, met brood en wijn. Voor Jezus zou het de laatste keer zijn. Hij zei: "Ik heb vurig begeerd dit pascha met jullie te eten, eer Ik moet lijden" (Luc.22:15). Waarom? Omdat Zijn vlees en bloed de vervulling zouden zijn van het brood en van de wijn, dat ze toen aten en dronken. "Doe dit tot Mijn gedachtenis. Denk niet meer alleen aan de verlossing uit Egypte van toen, maar denk vanaf nu aan Mij. Ik maak vrij van het "ware Egypte", door Mijn vlees en bloed, in geest en waarheid" (vgl. Joh.8:36).

Hij verhoogde de oude rite voor Zijn discipelen dus tot een nieuwe, persoonlijke, dagelijkse actualiteit. "Hij nam een brood, dankte en brak het, gaf het hun en zei: Dit is Mijn lichaam, dat voor jullie gegeven wordt. En deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed voor jullie. Denk voortaan aan Mij" (Luc.22:19-20).

Wat moeten de discipelen toen gedacht hebben? Dachten ze: "Neemt Hij nu ons belangrijkste feest af? Vindt Hij de bevrijding van toen uit Egypte dan niet belangrijk meer? Is dit wel waar? God droeg ons toch op het pascha te vieren!" Natuurlijk wisten ze in hun hart, dat het waar wás! Hij was de Messias, de Christus, de Zoon van de levende God (Mat.16:16). Hij maakte de ceremonie zinvol met woorden van eeuwig leven! (vgl. Joh.6:68). Hij gaf aan het feest inhoud!

Jezus stelde dus geen nieuwe ceremonie in, zoals vaak wordt gedacht en wat de NBG-vertaling suggereert met opschriften als "De instelling van het avondmaal" (Mat.26:26). Het was niet Zijn bedoeling om Joodse rituelen te vervangen door christelijke. Hij deed iets veel belangrijkers: Hij gaf Joods-wettische riten en gebruiken betekenis. Israël herdacht met uiterlijke tekenen de bevrijding uit een aards land. Jezus bevrijdt uit het domein van het vlees, uit het "lichaam dezes doods" (Rom.7:24). Hij zei: "Ik ben nu jullie pascha-lam. Vanaf nu moeten jullie Mij eten. Hoe? Nieuw, in geest en waarheid. Doen we dat, dan worden ook wij vrij van de slavernij van het vlees, nu en groeien wij tot geestelijke volwassenheid(Joh.6:57). Dan gaat na het oude verbond het nieuwe gelden (Heb.10:9). Dan is ook voor ons de geestelijke realiteit gekomen, de waarheid (1Cor.15:46).



NATUURLIJK EN GEESTELIJK

De Joden van toen dachten, dat Jezus hun religie ondermijnde. Maar kwam Hij niet met iets beters? Hij gaf immers voor de schaduw de realiteit! En is een schaduw niet twee-dimensionaal, laag en plat, doods?

Het is als met foto's. Op een foto kun je zien, hoe iemand eruit ziet. Het is maar een plaatje van de drie-dimensionale persoon. Zo verhoudt zich ook het oude verbond tot het nieuwe. Het oude verbond is volmaakt in het afschaduwen van het nieuwe, als een fotoalbum. Alles ervan is schaduwbeeld van geestelijke realiteiten, niet die realiteiten zelf (Hebr.10:1). Eerst "oude", historische wetten en riten. Dan "nieuwe", actuele, geestelijke realiteiten (1Cor.15:46, 2Cor.4:18).

Zo verhouden de tekenen van brood en wijn (bij het pascha, maar ook bij de eucharistie en het avondmaal) zich tot het eten van de Heer. Eerst het oude, dan het nieuwe. En voor wie in nieuwheid leert leven, heft Hij het oude op, om het nieuwe steeds reëler te maken (Rom.6:4, Hebr.10:9). Zo maakt Hij alles nieuw in wie Hem volgt waar Hij ook gaat (Op.21:5,14:4).

Vaak lezen we, dat men Jezus niet begreep (Joh.10:6). Dat kwam niet, omdat Hij niet goed onder woorden kon brengen wat Hij bedoelde. Het kwam, omdat Hij anders was, van boven. Zijn toehoorders waren van beneden, in aardse schaduwen van Joodse religie, maar Hij was met Zijn geest in het hemelse, bij God (Joh.8:23). Zij putten uit wet en menselijke traditie, Hij uit God. Zij verlangden Israel's bevrijding van de Romeinen, maar Hij van "Egypte". Hun ogen zagen de pracht van de tempel van steen, maar Jezus zag het huis van de Vader in mensen (Mat.24:1, Joh.14:2). Dus om Hem te kunnen volgen, moet je je hoofd opheffen en denken zoals Hij dat deed: aan de dingen die boven zijn (Psalm 24, Col.3:2).



TRADITIE EN WAARHEID

Israël verwierp Jezus en Zijn boodschap. De Zijnen namen Hem niet aan. Ze hadden liever de zichtbare tradities uit de wet van Mozes dan de geestelijke vervulling ervan. Dat was de hoofdoorzaak, waarom ze Hem eenvoudig niet kónden begrijpen!

Als wij denken, dat wij wijzer of nederiger zijn dan de Joden in de tijd van Jezus, maken wij een grote fout. Het is echt niet zo bijzonder, als wij geloven dat Hij de Messias was: het is ons immers al eeuwen lang gepredikt. Maar ook wij kunnen dat geloven én ons hardnekkig houden aan het oude. Dan zeggen ook wij, als blinde kenners van de bijbel: "Het oude is prima. Sola scriptura: alleen de schrift! We hebben dat nieuwe helemaal niet nodig" (Luc.5:39).

Dan zegt Jezus ook tot ons: "U zegt, dat u rijk bent, dat u alles hebt wat u wilt en niets meer nodig hebt. Maar u beseft niet hoe ongelukkig u bent, hoe armzalig, berooid, blind en naakt. Daarom raad Ik u aan: koop van Mij goud (wat duidt op het hemelse, op wat uit God is) en koop zalf voor uw ogen!" (voor de genezing van uw visie, Op.3:17-18).



JEZUS' LAATSTE PASCHA

Bij Zijn laatste pascha zei Jezus drie belangrijke dingen: "Dit is Mijn lichaam", "dit is Mijn bloed" en "doe dit tot Mijn gedachtenis". We zullen die uitspraken nu nader bekijken.



"...... dit is Mijn lichaam, Mijn vlees ......"

Al eerder had Hij gezegd. "Als u Mijn vlees niet eet en Mijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in u. Wie dat wel doet, heeft eeuwig leven en hem zal Ik opwekken" (Joh.6:53-56). M.a.w.: Jezus doet waarachtig leven en groeien. Wie Hem eet, wordt opgewekt uit de doodsfeer van "Egypte" om te kunnen leven in geest en waarheid.

Hoe we Hem eten is niet onder woorden te brengen. Het gaat ons verstand te boven. "Uw wegen zijn niet Mijn wegen. Mijn wegen zijn hoger dan uw wegen, zegt de Heer" (Jes.55:8-9). Geestelijke kennis komt door openbaring, niet door denkwerk. God geeft openbaring in ons hart, en áls Hij dat doet, begrijpen we dat meestal pas veel later met ons hoofd.

Om het ware brood nieuw te eten in Zijn koninkrijk, moeten wij dus van boven zijn, nieuw geboren uit Woord en Geest. Wat uit de mens is, is menselijk en wat uit de Geest is, is geestelijk (Joh.3:3-6). Zonder een geestelijk wordingsproces komt niemand tot geestelijke kennis. Door kennis over de bijbel alleen, hoe nuttig die ook is, komt niemand tot geestelijk leven. Wie Hem eet, zal leven (Joh.6:53-57). Door het ware brood te eten nemen we toe in wijsheid, in grootte, van pasgeboren kind tot geestelijk volwassene. Pas dan kan de Vader ons aannemen tot Zijn zoon en ons tot erfgenaam maken (1Cor.13:11, Rom.8:12-17).

Dat proces is te vergelijken met onze natuurlijke groei. Baby's hebben moedermelk nodig (1Pet.2:2). Kleuters moet je helpen met eten. Kinderen kunnen zelf niet bepalen, wat het beste voor hen is. Paulus is er erg duidelijk over: "Broeders, ik kon niet tot jullie spreken als tot geestelijke mensen, maar als tot vleselijke, nog onmondige gelovigen in Christus. Melk heb ik jullie gegeven, geen vast voedsel, want dat konden jullie nog niet verdragen" (1Cor.3:1-2).

En aan de Efeziërs schrijft hij: "God heeft apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars gegeven om de heiligen toe te rusten, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij de volle kennis van de Zoon hebben bereikt en volgroeid zijn tot de mannelijke rijpheid van Christus. Kijk, dán zijn wij geen onmondige kinderen meer, die stuurloos ronddobberen en met elke wind van leer meewaaien" (Ef.4:11-14).

Bovengenoemde vijf bedieningen zijn dus bedoeld om op te voeden. Daarom staat er het woordje totdat. Ware knechten van God voeden geestelijke kinderen op, totdat ook zij zich weten te voeden bij de Bron. Het is vreselijk als wij kinderen zien verhongeren, maar het is ook triest als kinderen klein worden gehouden met melk en nooit aan het ware brood toekomen (Hebr.5:12 en 14). Het is nog erger, als zij worden verhinderd om tot de Bron te komen (Mat.19:14).

Er is dus nogal wat verschil in beleving als het gaat om het eten van de Heer. Het hangt af van onze geestelijke groei (vgl. 1Cor.13:11). Verreweg de meeste christenen doen dat met uiterlijke tekenen. Zij proclameren zo de dood van Christus 1Cor.5:7, 11:26). En dat kan een goed begin zijn, als men weet, dat het er uiteindelijk om gaat Jezus te eten en te drinken in geest en in waarheid, elke dag.

Er zijn ook gelovigen, die elke dag de inhoud en betekenis beleven van de maaltijd van de Heer. Zij "eten" dagelijks Zijn "vlees en bloed". Als zij geen behoefte meer hebben aan een zichtbare rite in een kerkgebouw, krijgen ze meestal met veel onbegrip te maken. Moeten zij zich aangeklaagd voelen, als Jezus hun leven is? Staat er niet: "Zo dikwijls u dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat Hij komt" (1Cor.11:26). Is Hij dan al niet in hun harten gekomen om maaltijd met hen houden en zij met Hem?" (Op.3:20).

De Heer Jezus voedde Zijn leerlingen jaren lang. Ze waren Zijn geestelijke kinderen. Toen zei Hij: "Ik ga tot de Vader en dat is beter voor jullie". Beter? Ja, Zijn menselijke verschijning zou plaats maken voor een hemelse. Hij zou hen als Jezus van Nazareth verlaten, om als vernieuwende Geest in hen terug te keren én in talloze andere discipelen (Hand.1 en 2). Ze zouden allemaal uitgroeien tot geestelijke volwassenheid door Zijn inwonende Geest (Joh.16:5-33). Als mens was Zijn gaan beter voor hen dan Zijn blijven.

Paulus volgde hetzelfde patroon, hoewel op een ander niveau. Hij bleef maar drie jaar in Efeze en ging toen verder. In Corinthe gaf hij na achttien maanden de gelovigen de kans om zonder hem door te groeien. Johannes zegt: "Wat u betreft: Zijn zalving is blijvend op u, u hebt geen leraar nodig. Zijn zalving leert u alles naar waarheid, zonder leugen en bedrog. Blijft daarom in Hem" (1Joh.2:27).

In het nieuwe verbond geldt dus: "Niet langer zal ieder de ander leren en zeggen: Ken de Heer. Allen zullen zij Mij kennen, van de kleinste tot de grootste" (Heb.8:11). Dát is onze roeping: Hem als levend Woord te "eten" en Hem te leren kennen in harmonieuze en directe gemeenschap (1Cor.1:9). In het oude verbond geldt: "Wie dat doet, zal leven". Daar houd je je aan de wet, aan regelgeving van buitenaf (Lev.18:5, Gal.3:12). Daar word je opgepept door mensen op samenkomsten en conferenties. Maar in het nieuwe verbond luister je naar Zijn stem. Daar geldt: "Wie Mij eet, zal leven".

Het is goed, dat Gods schapen in kerken en gemeenten door mensen worden opgevoed in de gerechtigheid. Maar het is een misverstand, dat zij altijd in "schaapskooien" moeten blijven (Joh.10:3-4). Er zijn maar weinig dominees, voorgangers of priesters, die hun schapen de vrijheid buiten de schaapskooi gunnen. Dat deed Johannes de Doper wél: hij wees zijn discipelen op het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt (Joh.1:29,36). "En twee van zijn discipelen hoorden dat en gingen Jezus volgen" (Joh.1:37). Deze twee, Andréas en Johannes, werden leerlingen van Jezus. De anderen bleven bij Johannes en zouden later ontredderd achterblijven met een ontzield, onthoofd lichaam (Mat.14:12).



"...... dit is Mijn bloed ......"

Jezus' tweede uitspraak was: "Dit is Mijn bloed". Hij "nam een beker, dankte en zei: Drink allen daaruit. Want dit is het bloed van Mijn verbond" (Mat.26:28).

Eerst de vraag, waarom de Heer sprak over bloed van Zijn verbond. Hij bedoelde dit: zoals God Zich aan Israël verbond met de belofte het uit Egypte te verlossen door het bloed van een lam en het te brengen naar een beter land, zo geeft Hij Zijn bloed in een nieuw verbond. Daarbij belooft Hij de Zijnen te verlossen van "Egypte" en hen te doen leven in een nieuw land: in het koninkrijk van God.

Waar duidt "bloed" op? Het duidt op gevoelsleven, ziels leven. Al tot Noach had God gezegd: "Vlees met zijn ziel, zijn bloed, mag u niet eten" (Gen.9:4). Want bloed in vlees wijst op ziels gevoel, dat vaak wordt aangezien voor geestelijk leven. En dat kan God niet accepteren.

Nu de volgende vraag: wat deed Jezus met zijn menselijke gevoelsleven? Hij goot het uit in de dood (Jes.53:12, nephesh=ziel). Hij weigerde Zich te laten leiden door menselijke gevoelens en zielse behoeften. Hij legde dat alles af" (Joh.10:17-18). Hij richtte Zich zó op God, dat Diens gevoelens ervoor in de plaats konden komen. Hij leerde meeleven en bewogen zijn als de Vader (Joh.17:2). Zo werd Zijn gevoelsleven nieuw. Het kwam niet uit het vlees voort, maar uit God. Dat is het bloed dat Hij de Zijnen aanbiedt te drinken. En wat moet dát vreemd geklonken hebben in de oren van de discipelen! Zij mochten immers niets eten waarin bloed zat, laat staan bloed drinken (Lev.17:10-16).

Petrus zegt, dat "ook wij onze ziel aan de Schepper moeten overgeven, steeds het goede doende" (1Petr.4:19). Onze ziel met alle gevoelens moeten wij uitgieten en het nieuwe bloed van Jezus (=de gevoelens en verlangens uit God) indrinken. Zo worden we door het Lam verlost van de oude vleselijk-zielse gezindheid van Egypte en blijft de eerstgeborene in ons leven. We worden dan waarlijk vrij en losgekocht van de aarde door Zijn "bloed" (Joh.8:36, Op.14:3). Zo krijgen wij steeds meer deel aan de hemelse natuur en kan de heerlijkheid van het nieuwe Jeruzalem ook in ons neerdalen uit de hemel van God (2Petr.1:4,1Cor.15:47-49, Op.21:10).



"...... tot Mijn gedachtenis .....,
telkens als jullie die beker drinken ...."

Nu komen we tot Jezus' derde uitspraak tijdens Zijn laatste pascha: "Doe dit tot Mijn gedachtenis" (Luc.22:19). Paulus citeert die woorden met een aanvulling: "Doe dit telkens als jullie die beker drinken tot Mijn gedachtenis" (1Cor.11:25-26). Wat "tot Mijn gedachtenis" betekent hebben we eerder behandeld. Maar nu Paulus' aanvulling: "Telkens als jullie de beker drinken".

De eerste gelovigen leefden in een overgangstijd. Van het Joodse volk eiste of verwachtte Jezus niet, dat zij radicaal en meteen nieuw zouden kunnen denken. Dat leren we namelijk in een proces. De apostelen bleven de wet houden, naar de tempel gaan om de Joodse feesten te vieren, en leerden geleidelijk ook de vervulling ervan kennen. Ook Paulus hield zich aanvankelijk nog aan uiterlijke dingen om Joodse of zwakke broeders geen aanstoot te geven (Hand.18:18, 20:16, Rom.14:20, 1Cor.8:9 en13, 10:32).

Hun denken werd dus vernieuwd! (Rom.12:2). En hoe! Paulus schreef later: "Laat niemand u iets voorschrijven op het gebied van eten en drinken, het vieren van feestdagen, nieuwe maan of sabbat. Dit alles is slechts een schaduw van wat komt. De werkelijkheid is Christus!" (Col.2:16). En aan de Galaten schreef hij: "U houdt u echt aan vaste feestdagen, maanden en seizoenen en jaren? Ik vrees, dat al mijn inspanningen voor u volkomen zinloos zijn geweest" (Gal.4:10-11). Het ging hem dus uiteindelijk niet om de zichtbare tekenen, maar om de realiteiten in de geest. En gelukkig wordt dat ook nu door steeds meer gelovigen begrepen. Tekenen op zich geven geen leven, maar wel het eten en drinken van Jezus! "Laten we daarom niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, het onzichtbare eeuwig" (2Cor.4:18).

"Doe dit tot Mijn gedachtenis". Wanneer, waar en hoe? Jezus spreekt nooit over bepaalde plaatsen of vaste tijden. Hij spreekt over nu, in geest en waarheid (Joh.4:21-24). Wanneer? Heden indien u Zijn stem hoort! Hoe? Door Zijn Geest, die voor God een tempel bouwt van levende stenen op aarde (1Petr.2:4-5). Die stenen maakt Hij vrij van alle leugen en aan hen openbaart Hij de volle waarheid (Op.14:5, Joh.16:13). Dat betreft ook de waarheid van het eten van de Heer.

Tijdens de viering van het pascha stonden de Israëlieten klaar om meteen Egypte te verlaten (Ex.12:11). In het nieuwe verbond moeten ook wij bereid zijn meteen te vertrekken en Jezus' vlees te eten en Zijn bloed te drinken. Dan zullen we in onszelf de overwinning van het Lam en de Zoon in ons geopenbaard zien (Gal.1:16). We gaan denken als Hij, want de naam van Jezus en die van de Vader worden dan op ons voorhoofd geschreven en met vele anderen zingen wij het lied van Mozes (Deut.32, Op.14:1-2, Op.15:3). Egypte is dan achter ons en uit ons. Dan zijn we in deze wereld én losgekocht van de aarde, tot eer van God, de Vader.



GODS FEESTEN WORDEN VERGETEN

De feesten van de Heer zijn erg veronachtzaamd. Het pascha bijvoorbeeld werd door niet één koning van Israël en Juda gevierd tot Josia (2Kon.23:21-23). Kort na hem ging het weer de verkeerde kant op. Pas in de Babylonische ballingschap kwamen ze weer in de belangstelling, want daar, in dat vreemde land zonder tempel, maakten ze gebouwtjes (synagogen) om naar de voorlezing van de wet te luisteren. Van zo'n voorlezer (als Ezra) hoorde men weer van het pascha.

De eerste christengemeenten meenden de feesten van de Heer wél te moeten vieren en dat gebeurde tot in de tweede eeuw. Maar in het jaar 122 besloot bisschop Sixtus van Rome als eerste om dat niet meer te doen. Dat gebeurde, toen de fiscus judaicus, een belasting voor Joden, ook moest worden betaald door niet-Joodse burgers die wel Joodse gebruiken onderhielden. Christenen vielen daar ook onder, omdat zij het pascha bleven vieren. Toen keerden veel gemeenten zich af van alles wat Joods was, uiteindelijk gevolgd door de kerk in zijn geheel. In de loop van de tijd kwamen er andere feesttijden voor in de plaats, door (en dat was erger) een christelijk tintje te geven aan heidense gebruiken en feesten. Die feesten bepalen tot op de dag van vandaag nog steeds het kerkelijke jaar. Het Concilie van Nicea in 321 nam zelfs een heel bizar besluit: wie Jezus' dood herdacht op het Joodse pascha, werd uit de kerk gebannen. Men wilde niets meer te maken hebben met het pascha. Zo verloor het christendom al vroeg uit het oog, waar het in principe om gaat bij het eten van de Heer.



TENSLOTTE

Hoe gaan wij nu verder, oud of nieuw? Oud? Blijven we zien op het zichtbare en proberen we oude riten zonder inhoud in stand te houden? Of gaan we nieuw denken en wandelen in geloof?

Het pascha is nooit vervangen door het avondmaal of door de eucharistie. Het werd in Jezus vervuld en verhoogd van een oude ceremonie tot dagelijks te ervaren leven uit God (vgl.Col.3:4). Hij zegt: "Eet Mijn vlees en drink Mijn bloed. Dan hebt u eeuwig leven. Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. De levende Vader heeft Mij gezonden en Ik leef door de Vader; zo zal wie Mij eet, leven door Mij" (uit Joh.6:57-58). Zo gaf Jezus aan de uiterlijke tekenen van het Joodse pascha de geestelijke betekenis en inhoud. Hij maakt alles nieuw. Ook deze symbolen dus.

Paulus heeft Jezus als mens nooit gekend. Wat hij wist, had hij van anderen én van Zijn Geest. Van anderen had hij gehoord, dat Jezus had gezegd: "Dit is Mijn lichaam voor jullie. Denk voortaan aan Mij. En deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed, denk telkens als jullie hieruit drinken aan Mij" (1Cor.11:24-25). En wat had Paulus van de Geest gehoord? Dat "altijd wanneer jullie dit brood eten en uit de beker drinken, jullie de dood van de Heer verkondigen, totdat Hij komt" (1Cor.11:23-26). Totdat Hij zou komen in hun binnenste. In ieders geloofsleven moet na het natuurlijke het geestelijke komen (1Cor.15:46).

In de gemeente van Corinthe moest men dus eerst leren in het geringe getrouw te zijn. Ze moesten leren met elkaar te eten en te drinken op een waardige en ordelijke wijze en te letten op elkaar (1Cor.11:27, 29, 34). Want uit veel bleek, dat zij nog vleselijk en onmondig in Christus waren (1Cor.3:1). Geestelijk waren zij nog in een kinderlijke fase (1Cor.13:11). Daarom hadden zij nog uiterlijke tekenen nodig: ongezuurd brood en rode wijn. Zo gaat het in het leven van iedere gelovige. Eerst de rite met een zekere geestelijke beleving. Dan gaan doormaken wat Hij in Zijn leven meemaakte (Zijn "vlees" eten) en gaan voelen wat Hij voelde (Zijn "bloed" drinken).

Niemand kan dus zeggen, dat er maar één manier is om de Heer te eten. Alles mag, als het je geestelijk verder brengt, als het opbouwt (1Cor.10:23). Het is prima als pas bekeerde gelovigen met de tekenen van brood en wijn de dood van de Heer proclameren. Als ze zich maar openstellen voor het ware brood en de ware wijn van Jezus. Tot hen zegt Hij: "Ik sta aan je deur en Ik klop. Als je Mijn stem hoort en de deur opent, dan zal Ik bij je binnenkomen en maaltijd met je houden en jij met Mij" (naar Op.3:20). Dat is namelijk het ultieme: nu al met Hem nieuw brood eten en nieuwe wijn drinken in het Koninkrijk Gods (vgl. Luc.14:15, Mat.26:29). Dat is met Hem eten en drinken in geest en waarheid. Dan ervaar je, dat Zijn vlees "brood" is, dat ons de geestelijke energie geeft om het Lam te volgen; en dat Zijn bloed "wijn" is, die ons de gezindheid van de Vader doet kennen.



Home page