Home page



Geroepen
uit Egypte




"Laat Mijn zoon gaan, opdat hij Mij diene" (Ex.4:23)




UW UITGANG EN UW INGANG

In de bijbel lezen wij, dat God Zijn volk uitleidt uit Egypte en uit Babel. De bijbelstudie "Gaat uit van haar, Mijn volk" elders op deze site gaat over de betekenis van Babel. Het symboliseert godsdienstbeleving op menselijk initiatief en in menselijke kracht. God roept Zijn volk op om die "stad" te verlaten en op te trekken naar de hemelse, waarvan Hij de bouwmeester is (Hebr.11:9-10).

Maar wat betekent het, dat God Zijn zoon uit Egypte roept? (Ex.4:22-23, Hos.11:1, Mat.2:15). Het is dit: Hij verlost Zijn kinderen uit elke vorm van "Egyptische slavernij" (=vleselijkheid) opdat zij Hem zouden leren dienen in geest en waarheid. Wie op die uittocht de "wolk" (=de Heilige Geest) blijft volgen, zal "het land, dat vloeit van melk en honing" binnengaan. Dit alles symboliseert het geleid worden tot zoonschap, tot geestelijke volwassenheid.

Psalm 121 zegt, dat de Heer Zijn volk op deze weg van "uitgaan" en "ingaan" zal bewaren (vers 8). Dat geldt eerst individueel, dan samen. Eerst Mozes, dan het volk. Eerst de Goede Herder, dan de Zijnen die Zijn stem horen (Joh.10:1-21).

Die weg van uitgaan en ingaan is ons voorgeleefd door Jezus (1Pet.2:21-23). Hij kwam als mens ter wereld, in een vlees aan dat der zonde gelijk dat "farao" zou kunnen knechten. Maar Hij was in alles zó op de Vader gericht, dat Hij uit "Egypte" werd geroepen en aan het eind van die weg tot Zoon van God werd verklaard (Mat.3:17). Hij was toen dertig jaar oud (30=geestelijk volwassen).

Zo werd Hij de Weg (Joh.14:6). Want wie Zijn stem hoort, mag Hem volgen waar Hij ook heengaat, om net als Hij ook "uit Egypte" te worden geroepen (Op.14:1-5). Jezus' leven was geen eenmalig solo-gebeuren. Hij was de eerste van de eerstelingen voor God, ja, zelfs de eerstgeborene van de hele schepping" (Col.1:15, 15:23, Jac.1:18).

Natuurlijk, Zijn offer was als Lam Gods voor de zonde van de wereld ééns en voor altijd. Maar op Zijn leven rust geen copyright. Zijn leven tot Zijn dertigste (=Zijn "uit-Egypte-geroepen-worden") was een teken, een voorbeeld (Jes.7:14, Rom.15:5, 1Petr.2:21). Het is na te volgen in de kracht en onder de tucht van de Heilige Geest. "Allen, die door de Geest Gods (uit- en in-)geleid worden, zijn zonen Gods" (Rom.8:14). Zij behoren Hem toe, omdat zij "het vlees met zijn hartstochten en begeerten hebben gekruisigd" (Gal.5:24). Ook zij "wandelen door de Geest en voldoen niet aan het begeren van het vlees" (Gal.5:16).

"Het is duidelijk wat de werken van het vlees zijn: hoererij, onreinheid, losbandigheid, afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarstingen van toorn, zelfzucht, tweedracht, partijschappen, nijd, dronkenschap, brasserijen en dergelijke" (Gal.5:19-20). "Wie dergelijke dingen doen, zullen het Koninkrijk Gods (="Kanaän") niet beërven" (Gal.5:19-22). Zij blijven achter in "Egypte" of dragen "Egypte" in hun hart mee op de "reis". Ze blijven dan door vleselijke lust bevangen steken in de "woestijn", met "magerheid aan hun zielen" (Ps.106:15, St.Vert.).

Jezus trok radicaal uit "Egypte". Vanuit "dorre aarde schoot Hij op" als "de opstanding en het leven" (Jes.53:2a, Joh.11:25). Hij stond op vanuit de levend-doden om Hem heen (1Cor.15:12). Hij leerde als mens om van boven te zijn (Joh.8:23, 11:25). Daarom kan Hij dát leven, dat "eeuwige", aionische leven, geven aan ieder die Hem volgt (Joh.10:27-28).

Wie Hem volgt waar Hij ook heengaat, wordt dus ook "uit Egypte geroepen". Hij wordt "gekocht uit de mensen als eersteling voor God en (nu ook) voor het Lam" (Op.14:4). Hij wordt mede opgewekt vanuit de doden, omdat hij steeds "bij Christus is, in Zijn parousia" (=tegenwoordigheid, 1Cor.15:23 letterlijk). Hij herkent "Egypte" in zichzelf, trekt daaruit en laat zich "in Christus Jezus dopen" (Rom.6:3).

Eertijds leidde God Mozes uit Egypte om een verlosser voor de kinderen Israëls te zijn (Ex.13:3). De Joden wachtten op de Messias die God uit Egypte zou roepen, om hún Verlosser te zijn (Mat.2:15). Opnieuw roept God Zijn Zoon ( bestaande uit "vele broederen", Rom.8:29) uit "Egypte". Nu ziet de ganse schepping uit naar verlossers, die zullen zijn "losgekocht van de aarde" (Ob.21, Rom.8:19,22, Op.14:3). Alles wacht op de openbaring van deze zonen, die zich niet meer laten leiden door aardse, vleselijke, menselijke gedachten, maar door de Geest van God (Rom.8:14).



HET GETAL NEGENTIEN

Als men vraagt naar de betekenis van "Egypte", is het antwoord meestal: de wereld. Toch is dat maar gedeeltelijk waar. Paulus noemt het de begeerte van het vlees, die ingaat tegen de Geest (Gal.5:17). God roept Zijn zonen niet op om de wereld te verlaten, maar om in de wereld te wandelen door de Geest en niet te voldoen aan het ik-gerichte en aardsgezinde begeren van het vlees (Gal.5:16).

Dit wordt bevestigd door het gebruik van het getal negentien. Alle getallen in de bijbel hebben een betekenis. Zes duidt bijvoorbeeld op de mens, zeven op goddelijke volmaaktheid, acht op nieuw leven. Het getal negentien duidt op het aardse, het vleselijke, het ongeestelijke.

Het Grieks kent geen aparte symbolen voor getallen zoals wij. In plaats daarvan worden de letters gebruikt, die elk een getallenwaarde hebben. Als men de letters van een Grieks woord optelt, krijgt men van dat woord de getalswaarde die vaak de betekenis ervan bevestigt. Het getal 19 is een opmerkelijke factor in bijvoorbeeld de Griekse woorden, die het volgende betekenen:

de aarde: 19 (1x19)

het vlees: 361 (19x19)

Egypte: 1064 (7x8x19)

vijandschap jegens God : 1064 (7x8x19)

het beest : 247 (13x19)



EEN NIEUW BEGIN
VOOR GODS VOLK IN EGYPTE

Wat was de situatie van Gods volk in Egypte? Wij lezen, dat het daar werd onderdrukt, toen er "een nieuwe koning kwam, die Jozef niet gekend had" (Ex.1:8). Die "stelde opzichters van herendiensten over hen aan om hen door dwangarbeid te onderdrukken" (Ex.1:11). Zij moesten voor farao steden bouwen (Ex.1:11). Zij lieten "de Israëlieten onder mishandeling werken en maakten hun het leven bitter door harde slavenarbeid met leem en tichelstenen" (Ex.1:13).

In veel opzichten zit het volk van God nu ook in zo'n situatie. "De koning, die Jozef niet kent" onderdrukt het ook en gunt het ook geen vrijheid. Het wordt ook gedwongen te bouwen "met leem en tichelstenen" (vgl. de bouw van Babel, Gen.11:3-4). Dit bouwen van "steden voor farao" vormt een schril contrast met wat Abraham deed: de stad zoeken waarvan God de ontwerper en bouwmeester is (Hebr.11:10).

Toen Mozes tot Israël werd gezonden stond het aan een nieuw begin (Ex.12:1). God zou Zijn kinderen brengen naar een beter land (Ex.3:8). Het zou de slavendrijvers achter zich laten en zich niet langer voeden met Egyptisch voedsel (Num.11:5). Tijdens de reis zou Hij dagelijks voedsel uit de hemel geven en water uit de Rots (Ex.16, 1Cor.10:4). De wolk der heerlijkheid zou hen leiden van de éne plaats naar de andere (Ex.13:21-22). Hij had gezegd: "Ik heb terdege gezien de ellende van Mijn volk dat in Egypte is. Ik heb het gejammer over hun drijvers gehoord. Daarom ben Ik neergedaald om hen uit de macht van de Egyptenaren te redden" (Ex.3:7-8). Hij zou Israël verlossen uit Egypte als Zijn eerstgeboren Zoon, opdat het Hem zou dienen als een afgezonderd, heilig volk (Ex.4:22-23).

Ook nu zendt God "Mozessen", die de "farao" van "Egypte" aanzeggen: "Laat Mijn zoon gaan, opdat hij Mij diene" (Ex.4:23). Zij zullen Gods volk uit "Egypte" leiden, om Hem te dienen in geest en waarheid. Iedere gelovige staat aan een nieuw begin, als hij wordt opgeroepen het "paaslam" (=Jezus) te eten, Zijn bloed aan te wenden en "Egypte" te verlaten. Alles van "Egypte" kan plaats maken voor een leven met het Lam, om "in dienst te komen van de gerechtigheid" (Rom.6:18). Vanaf het moment, dat wij op die weg geleid worden, begint onze opwekking (vgl. Joh.6:27-59). Dan begint het nieuwe leven "in Christus" (Ef.2:5), als lid van een "heilige natie" op een waarachtige, geestelijke wijze.

Mozes' eerste opdracht was: "Vergader de oudsten van Israël en zeg tot hen: De God van Abraham, Isaäk en Jakob is mij verschenen en heeft gezegd: Ik heb terdege acht geslagen op u en op wat u in Egypte wordt aangedaan. Ik zal u uit de ellende van Egypte voeren naar een land vloeiende van melk en honig" (Ex.3:16-17). Mozes kreeg drie tekenen mee, voor het geval zij hem niet zouden geloven (Ex.4:1-9).

Ook in deze tijd ziet God de ellende van Zijn volk in de "Egyptische" regionen. Ook nu ziet Hij wat de oudsten van het volk in "Egypte" wordt aangedaan. Hij wil hen bijeenroepen. Hier of daar, ergens in een conferentiecentrum? Op voorgangersdagen? Samen op weg met kerkfusies? In allereerste instantie moeten de oudsten vergaderd willen worden aan de voeten van de goede Herder. Hoe vaak zijn ze daartoe niet opgeroepen in geschriften, maar vooral in profetieën!

Hoe reageerden de Israëlitische opzichters eigenlijk? Waren zij blij met het optreden van Mozes? Ontvingen zij hem met open armen? Want volgens de Egyptische slavendrijvers sprak Mozes alleen maar leugentaal (Ex.5:9).

Dat laatste bleken zij te geloven. Ze zeiden tot Mozes en Aäron: "De Heer zie op u en oordele, omdat u ons bij farao en zijn knechten in een kwade reuk gebracht hebt, waarmee u hun een zwaard in handen hebt gegeven om ons te doden" (Ex.5:21). Zij hadden het moeilijk met de taakverzwaring na Mozes' eerste optreden (Ex.5:10-11,14-16).

Ook nu zijn veel geestelijke leiders zó beïnvloed door "Egyptisch" denken, dat de druk moet worden opgevoerd, opdat ook zij gaan begrijpen, net als "de Israëlitische opzichters, hoe erg het met hen gesteld" is (Ex.5:19). Zij krijgen het ook steeds drukker met het "verzamelen van stoppels en stro" en met het van de grond krijgen van "bakstenen" "steden" voor "farao" (Ex.5:12). Ze zijn steeds maar bezig met het beleggen van vergaderingen, met het steeds maar aan de gang houden van de traditionele samenkomsten en met de financiën om hun plannen te realiseren.

Dat geeft de meesten zo veel voldoening, dat ook nu de vraag zich opdringt: willen de "oudsten van het volk" wel verlost worden van "Egypte"? Willen zij wel vrij worden van de banden van het vlees en zich laten vergaderen in geest en waarheid? Willen zij wel luisteren naar de stem van "Mozes"? Of zijn zij als blinden, die blinden leiden en daardoor, zonder het te beseffen, de kudde misleiden? (Mat.15:14).

Het is bijna niet te geloven, wat God destijds zei van Juda en Jeruzalem: "De wachters zijn blind, zij allen hebben geen kennis, ze zijn als stomme honden die niet kunnen blaffen; dromend liggen ze neer, ze hebben de sluimering lief. En deze honden zijn vraatzuchtig en kennen geen verzadiging; ze zijn herders die niet weten acht te geven, ze wenden zich allen naar hun eigen weg, ieder naar zijn gewin, niemand uitgezonderd" (Jes.1:1, 56:10,11). Er werd kennelijk niet geluisterd naar Gods profeten.

Hetzelfde gold voor Jezus' dagen. Met het oog op de geestelijke leiders vertelde Hij de gelijkenis van de onrechtvaardige pachters, die de zoon van de eigenaar "grepen, doodden en hem buiten de wijngaard wierpen" (Marc.12:8). Zij waren eerstgenodigden, maar legden de uitnodiging om op de bruiloft te komen naast zich neer. En Gods boodschappers werden mishandeld of gedood (Mat.22:6). Dit wekt zó de toorn van de Koning op, dat Hij Zijn legers zal uitzenden om de moordenaars te verdelgen (Grieks: ruïneren) en hun stad ("die geestelijk genaamd wordt Egypte", Op.11:8) in "brand" te steken (Mat.22:7).

Ook nu spreekt de Heer duidelijke taal. Maar ook nu schijnen velen te lijden aan geestelijke doofheid. Zelfs veel van hen, wiens mond de Heer gebruikt om boodschappen door te geven, begrijpen vaak zelf niet wat zij uitspreken. Of ze zijn eenvoudigweg ongehoorzaam: "Zij zeggen het wel, maar ze doen zelf niet wat ze zeggen" (Mat.23:3). Ja, wie bedenkt nog "de dingen, die boven zijn en niet die op de aarde zijn"? (Col.3:2). Wie beijvert zich voor het hemelse Huis van God? (Ps.69:10). Wie "laat zich gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel, om een heilig priesterschap te vormen"? (1Pet.2:4-9).

Allereerst de "voor-gangers". Zij moeten als eersten "hervormd worden door de vernieuwing van hun denken" en "erkennen wat de wil van God is, wat goed is, welgevallig, volkomen" (Rom.12:2). Betekent dat, dat ieder moet blijven draven voor zijn eigen huis? (Hag.1:9). Dat wij méér begaan moeten zijn met het wel en wee van ons eigen kerkje, terwijl de éne, heilige, algemene, christelijke Kerk wordt verwaarloosd? Dat herders de leden van hun gemeente steeds maar weer nalopen, terwijl zij de schapen die God weidt verstrooien? (Jer.23:1). Hoe lang moet het nog duren, voordat wij de Gemeente als een heilige stad verwachten te zien neerdalen van God, getooid als een voor haar man versierde bruid (Op.21:2)? Alle vleselijke ideeën moeten op het altaar. Er moet gevast worden van de begeerte om kerkje te spelen. Roep de oudsten bijeen!

Wie "uit Egypte" wordt geroepen en ernaar streeft al zijn bronnen in het hemelse Jeruzalem te hebben, laat zich niet opnieuw bijeenroepen als "oudste" van één of andere organisatie, federatie, of beweging. Het is tijd, om "als één man bijeen te komen voor de Waterpoort" (Neh.8:1-3). Dáár moeten we samen naar het Woord van God horen (Neh.8:4). Jezus zegt: "Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij" (Joh.7:37). "Kom tot Mij en leer van Mij" (Mat.11:28). Het is nu de tijd, dat waarachtige aanbidders de Vader niet langer dienen op "Egyptische" wijze, maar in geest en in waarheid (vgl. Joh.4:20-24).

Wie zich niet bekeren (bekering=Gr: metanoia=anders denken) zullen later inzien, dat zij als dwaze maagden waren (Mat.25:10-13). "Van het ogenblik af dat de Heer des huizes is opgestaan en de deur gesloten heeft, zullen zij beginnen buiten te staan en aan de deur kloppen. Ze zullen zeggen: Heer, doe ons open" (Luc.13:25). De Heer doet alleen open, als je "lamp" "brandt" en je "reserve-olie" hebt in je "vat". Alleen dan is de deur open om eersteling te zijn voor God én voor het Lam (Op.14:1-5).



MACHTEN VAN EGYPTE

Er zijn tal van "Egyptische" machten, die gelovigen, kerken en gemeenten kunnen overheersen. We noemen de opvallendste.

De eerste is die van egoïsme. Paulus waarschuwde al, dat er voor de gemeente "in de laatste dagen zware tijden zullen komen: want de mensen zullen zelfzuchtig zijn, geldgierig, pochers, vermetel, kwaadsprekers, aan hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, liefdeloos, trouweloos, lasteraars, onmatig, onhandelbaar, afkerig van het goede, verraderlijk, roekeloos, opgeblazen, met meer liefde voor genot dan voor God, die met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochend hebben" (2Tim.3:1-5). Alles wat zij doen, "moet allemaal doorgaan voor wijsheid, maar het is zelfbedachte godsdienst, zonder enige waarde, en het dient slechts tot bevrediging van het vlees" (Col.2:23).

De tweede is hoogmoed. Menige gemeente denkt, dat zij de beste is die er bestaat. Zij heeft de ander niet nodig; de ander eerder haar. Waar hoogmoed is, werkt Gods Geest niet. Het gevolg hiervan is, dat de mens centraal komt de staan. Het geloof in de Heer wordt verdrongen door geloof in natuurlijke gaven, in eigen structuren en bedieningen. Traditie gaat de koers bepalen (vgl.Mat.15:3,6). Er ontstaat geestelijke armoede (Op.3:17).

Ten derde is er discriminatie. Overal waar de Schrift op natuurlijke wijze wordt geïnterpreteerd loopt een bepaalde groep de kans belangrijker te worden geacht dan een andere. Dat overkomt bijvoorbeeld veel christinnen, die wel degelijk "mannelijk" (=geestelijk gevend) zijn. Mannen en vrouwen, worden opgeroepen tot het bereiken van "de éénheid van het geloof en van de volle kennis van de Zoon van God, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus" (Ef.4:13). Wie het Lam volgen, waar Hij ook heen gaat, leren een innerlijke harmonie kennen tussen vrouwelijk-zijn(="zaad"ontvangend) en mannelijk-zijn (="Woord"gevend). Zij worden zonen, die maagdelijk zijn (Op.14:4). Mannelijk-vrouwelijk volkomen in harmonie. Zij doen "goud van zich uitvloeien" (Zach.4:12). Naar hen moet u luisteren. Niet naar dames of heren, in wie het zielse ontvangen overheerst. Die moeten ("vrouwen" zijnde) stil zijn in de gemeente (1Cor.14:34). Luister naar de "zoon" in welke natuurlijk gedaante Hij Zich ook openbaart!

Verder noemen wij nog geestelijk terrorisme. Wanneer herders proberen hun schapen weg te houden van wat zij, al of niet terecht, houden voor valse leer, ontstaat er controle, onderdrukking. Die herders leiden hun schapen dan niet meer de vrijheid in, waar "het zal worden één kudde, één herder" (Joh.10:16). In plaats van volgroeide schapen van zich af te wijzen om de Goede Herder te gaan te volgen waar Hij ook heengaat, willen zij hen coûte que coûte blijven controleren. Eigenlijk gaan "de schapen hen niet ter harte" (Joh.10:13). Bewust of onbewust gaat het bouwen aan "een eigen huis" vóór alles. Waar echte liefde jegens de schapen ontbreekt als de band der volmaaktheid en de vrede van Christus, tot welke wij tot één lichaam geroepen zijn, niet regeert in de harten van de herders, wordt de kudde veelal samengehouden door een geest van onderdrukking (vgl.Col.3:14-15).

Vaak is men zich van geen kwaad bewust. Men is trots op de mooie liturgische diensten of op de gezegende samenkomsten vol lofprijzing, lering en profetie. Men zegt: "Is de Heer niet in ons midden? Ons zal geen kwaad overkomen!" (Micha 3:11).

Zo worden Gods zegeningen gebruikt als dekmantel voor een "Egyptische" handelwijze. Maar wanneer men naar de schapen luistert, hoort men van tranen, die in het verborgene vergoten worden en van het juk waaronder zij in stilte zuchten. Spreken zij, dan worden zij met uitstoting bedreigd. En worden zij uitgestoten, dan wordt soms gesuggereerd, dat de Heer hen heeft verworpen.

De Heer zegt tot zulke "bestuurders van de stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte" (Jes.1:10, Op.11:8): "Het bijeenroepen van de samenkomsten kan Ik niet langer verdragen: het is onrecht met feestelijke vergadering" (Jes.1:13). En van het volk staat er: "Het is beroofd en uitgeplunderd; men heeft hen allen in kerkerholen geboeid, in gevangenissen zijn zij weggeborgen; zij werden ten roof en er was geen redder, tot plundering en er was niemand die zeide: Geef terug! Wie onder u neemt dit ter ore, schenkt er aandacht aan en luistert in het vervolg?" (Jes.42:22-23). "De rechtvaardige komt om en er is niemand, die het zich aantrekt en de vromen worden weggerukt" (Jes.57:1). "Het recht wordt teruggedrongen en de gerechtigheid blijft verre staan, want de waarheid struikelt op het plein en oprechtheid vindt geen ingang. Zo ontbreekt de waarheid en wie wijkt van het kwade, wordt het slachtoffer van uitbuiting" (Jes.59:14-15).

Het klinkt ongelooflijk, maar toch is het waar: onrecht zit in "Egyptische" religie ingebouwd. Alles draait er om de leiders. Zij vragen de meeste aandacht. Zij slorpen de meeste energie en financiën op. Zelf zijn zij weinig produktief: schapen worden niet door herders voortgebracht, maar door andere schapen. Jezus verwierf Zijn nageslacht, doordat Hij Zich als een lam naar de slachtbank liet leiden (Jes.53:7,10,11). Een herder die geen lam is als Jezus, weidt zichzelf.

De Heer zegt: "Wee de herders van Israël, die zichzelf weiden. Moeten de herders niet de schapen weiden? Het vet eet u op, met de wol kleedt u zich, maar de schapen weidt u niet, het zwakke versterkt u niet, het zieke geneest u niet, het gewonde verbindt u niet, het afgedwaalde haalt u niet terug, het verlorene zoekt u niet, maar u heerst over hen met hardheid en geweldenarij. Zij raken verstrooid omdat er geen herder is, en worden tot voedsel voor al het gedierte van het veld; zo raken zij verstrooid. Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel; over de hele aarde zijn ze verstrooid zonder dat er iemand is die naar hen vraagt of ze zoekt" (Ez.34:2-6).

Het zijn dus de "naar de gerechtigheid dorstende schapen" (Mat.5:6), die het "in Egypte" doorgaans zwaar te verduren hebben. Jezus zegt in Matthéüs 5:10: "Zalig wie vanwege de gerechtigheid vervolgd worden, want voor hen is het Koninkrijk der hemelen" (="Kanaän"). "Gelukkig zijn jullie, wanneer ze je omwille van Mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten" (Mat.5:11). Petrus prijst hen gelukkig, omdat "de Geest der heerlijkheid" (=de shekinah-wolk) op hen rust (1Pet.4:14).

Dit lijden komt door "schijn-apostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus" en "als dienaren der gerechtigheid" (2Cor.11:13, 15). Door hen kan de tegenstander hen efficiënt treffen, omdat zij als oudste of voorganger doorgaans het volle vertrouwen van de kudde hebben en dat vertrouwen in Gods naam blijven opeisen.

Het tragische is, dat deze arbeiders vaak niet beseffen, dat zij in dienst staan van "farao". Zij merken niet, dat zij functioneren in een "Egyptisch" systeem. Ze leggen de schuld van alle problemen bij de schapen, terwijl zij zelf het probleem van de schapen zijn.

Daarom zegt de Heer: "Zie, Ik zàl die herders! Ik eis Mijn schapen van hen terug, en Ik zal een eind maken aan dat schapenweiden van hen. De herders zullen niet langer zichzelf weiden, Ik zal Mijn schapen uit hun mond redden, zodat die hen niet meer tot voedsel dienen. Zie, Ik zal Zelf naar Mijn schapen vragen en naar hen omzien. In een goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn. Daar zullen zij zich legeren op een goede weideplaats en zullen zij in een vette weide grazen. Ik Zelf zal ze doen neerliggen; de verlorene zal Ik zoeken en de afgedwaalde terughalen; de gewonde zal ik verbinden en de zieke versterken, maar de vette en krachtige zal Ik verdelgen. Ik zal ze weiden zoals het hoort" (Ez.34:10-16). "Ik zal hen bijeenbrengen, als een kudde in het midden van de wei. Het zal er gonzen van mensen. Hij die een bres slaat gaat voorop en zij breken uit, trekken door de poort en gaan daardoor naar buiten. Hun Koning gaat hen voor, de Heer gaat aan het hoofd" (Micha 2:12-13).



EGYPTE OF KANAAN?

Ook al bouwt men in "Egyptisch" christendom met gelovige mensen, het bouwwerk dat men daarmee optrekt is eerder een dode piramide dan een levend bouwwerk, dat "in Hem, goed ineensluitend, opwast tot een tempel, heilig in de Heer" (Ef.2:21).

De Vader wil, dat wij een woonstede (=huis) van God zijn in de Geest, "huisgenoten Gods" (Ef.2:19). Hij wil, dat aan Christus "de groei van het lichaam wordt ontleend, zichzelf opbouwende in liefde" (Ef.4:16), opdat in Zijn gezin "de leden gelijkelijk voor elkander zouden zorgen" (1Cor.12:25).

Maar helaas! In afwijking van deze bijbelse blauwdruk, hebben bijna alle gemeenten meer de kenmerken van een organisatie dan van een geestelijk organisme. Zij functioneren naar het model van de instituten van de wereld. Zij komen vandaag de dag meestal "van de grond" door het oprichten van een stichting. Ook zendingswerk wordt zo georganiseerd. Iemand vroeg mij voor een bepaalde functie in een nieuw op te richten zendingswerk. Toen ik hem vroeg of Hij de wil van de Heer had gezocht, antwoordde hij: "Je maakt gewoon een stichting, meer heb je niet nodig". Zo ontstaan menselijke constructies op een "Egyptisch" fundament.

In gemeenten waaronder zo'n fundament ligt kunnen kinderen van God niet worden opgevoed tot geestelijke volwassenheid. Er wordt dan immers niet gebouwd "op het fundament van de apostelen en profeten met Christus Jezus Zelf als hoeksteen. In Hem groeit elk bouwwerk uit tot een tempel, heilig in de Heer, in wie ook u wordt meegebouwd tot een woonplaats van God in de Geest". (Ef.2:20-22).

Men hoort vaak zeggen, dat de Heer uitsluitend in en door gemeenten wil werken. Als dat waar is en men bekeert zich niet van alle "Egyptische" methoden, dan blijft Gods volk "in Egypte" bezig met "stro en leem". Dan wordt niet Gods Huis, maar "steden voor "farao" gebouwd. Dan worden gemeenten tot verdrinkplaatsen voor al wat geestelijk is: alle nieuwgeboren "jongens" worden verdronken in het "water" (=woord) van de "Nijl" (Ex.1:22). Farao tracht, net als Herodes (=landbouwer), "de Zoon" om te brengen (Mat.2:16-18). Hij tracht zodoende alle geestelijke krachten voor opwekking uit zijn gebied te bannen. Alles moet blijven, zoals het was.

Wanneer we de huidige gemeenteopzet vergelijken met een gezin, dan zien we duidelijk dat er iets niet klopt. Er is geen kind, dat erover denkt zijn leven lang in het gezin te blijven wonen waarin het geboren is. Zodra het volwassen is en op eigen benen kan staan, gaat het zijn eigen weg in het leven. Maar bijna overal heerst de opvatting dat men moet blijven, waar men tot bekering is gekomen.

Daaruit blijkt dat men ervan uitgaat, dat geestelijke kinderen nooit volwassen worden, maar altijd onmondig en afhankelijk blijven. Wie speent zijn geestelijke kinderen? Wie dwingt hen, om vaste spijze te eten? Wie wijst hen van zich af op Jezus, zoals Johannes de Doper dat deed? (Joh.1:29-30,35-37). Waar voedt men op tot geestelijke volwassenheid? Kennelijk zijn deze vragen niets nieuws, want de Hebreeënbriefschrijver zei al: "Hoewel jullie naar de tijd gerekend leraars hoorden te zijn, hebben jullie weer nodig, dat men jullie de eerste beginselen van de uitspraken van God leert. Jullie hebben nog melk nodig, geen vast voedsel" (Hebr.5:12).

Er moet groei zijn, die ontleend wordt aan Christus (Ef.4:16). Ieder kind, dat uit z'n kleren groeit, krijgt grotere kleren. Via tal van scholen komt ieder gezond mens uiteindelijk op eigen benen te staan. Als kinderen volwassen worden, vliegen ze uit. Al die kleine kleren, ons wonen in het ouderlijk gezin, de scholen die wij doorlopen moesten, waren goed voor een bepaalde periode.

Er moet dus ook doorstroming zijn, die eindigt in mondigheid en volwassenheid. Er moet progressie zijn in onze geestelijke ontwikkeling, om uiteindelijk te eindigen in het ware Jeruzalem, dat zal "nederdalen uit de hemel van God en getooid als een bruid" (Op.21:2).

Maar we waren van mening, dat het hak- en bikwerk "beneden" "in de groeve" (1Kon.6:7) al de "woonplaats van God in de Geest" was, de Gemeente. Maar dat kan toch niet waar zijn! Het werk met "hamer en beitel" in kerken, gemeenten, groepen, bewegingen, op conferenties, seminars en bijbelscholen is in het gunstigste geval het "pasklaar maken van stenen ". Gemeenten functioneren als "steengroeven", "EHBO-posten", als "gezinnen" of "scholen", "schaapskooien", "herbergen" (als in Luc.10:34).

Het doel is echter het vrije leven in het nieuwe Jeruzalem. Dat is wat de bijbel bedoelt met in geest en waarheid. Als wij van de Heer een zalving ontvangen die op ons kan blijven, zal Hij ons leren over alle dingen, zodat wij het niet nodig hebben, dat een ander ons leert (1Joh.2:27). Als God Zijn wet in ons binnenste kan schrijven, hoeven wij niet langer tot elkaar te zeggen: Ken de Heer. Dan kennen wij Hem allemaal, van de kleinste tot de grootste (Jer.31:33-34).

O, wisten wij maar, dat de enige wet die "in Christus" geldt de volmaakte wet van de vrijheid is (Jac.1:25; 2:12). Wie door Jezus wordt vrijgemaakt, is werkelijk vrij (Joh.8:36). Dan woont hij in de vrije stad, in het hemelse Jeruzalem (Gal.4:26). Het Lam is er de lamp, de heerlijkheid Gods het licht (Op.21:23). Daar is ieder vrij onder Zijn heerschappij. Maar helaas hebben de meesten van ons zich opnieuw een slavenjuk laten opleggen (vgl.Gal.5:1). Ditmaal is het van zogenaamd christelijke signatuur: een kerkelijk juk.

"Farao" wil de vrijheid, die wij in Christus kunnen hebben, aan banden leggen door "Egyptisch" denken. Hij wil, dat er onder dwang gewerkt wordt met "stro en leem". Hij wil ons bezig zien met het controleren van de kudde. Hij wil, dat mensen absoluut gezag krijgen.

Maar dan zendt God "Mozes" met de boodschap: "Ik ben de Heer, Ik zal u onder de dwangarbeid van de Egyptenaren uitleiden, u redden van hun slavernij en u verlossen door een uitgestrekte arm van zware gerichten. Ik zal u tot Mijn volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn" (Ex.6:5-6).



GOD MEER GEHOORZAMEN DAN MENSEN

In "Gods volk wordt uitgeleid" schrijft mevrouw F.Muysoms over gehoorzaamheid het volgende:

"Gehoorzaamheid aan leidinggevenden in gemeenten wordt in de praktijk vaak hoger gesteld dan gehoorzaamheid aan de Heer.
Aan de basis van deze dwaling ligt een opvatting van leiderschap, die niet geïnspireerd is aan de Schrift, maar aan de geest van deze wereld. Jezus zegt: "Jullie weten dat de regeerders van volkeren heerschappij over hen voeren en de rijksgroten oefenen macht uit over hen. Zo is het onder jullie niet. Wie groot wil worden, zal dienaar moeten zijn, en wie onder jullie de eerste wil zijn, zal slaaf moeten zijn. Laat je ook geen leidslieden noemen, want één is uw Leidsman, de Christus" (Mat.20:25-27; 23:10).
Bij de uitbreiding van de vroege gemeente bleek leiderschap om praktische redenen noodzakelijk te zijn. En er was regelgeving nodig voor de tot geloof gekomen heidenen, die nooit met de wet van God te maken gehad hadden. Dat lezen we herhaaldelijk in de brieven van Paulus. Dit regelgevende leiderschap is door vleselijk denken absoluut gemaakt, tot een instrument van onderdrukking. En dat alles in de naam van de Heer.
Men beroept zich hierbij op één tekst, die men heeft losgemaakt van de context: "Gehoorzaam uw voorgangers en onderwerp u" (Hebr.13:17). Het ontgaat de meesten, dat het hier gaat om voorgangers die waken over de zielen. De schrijver van de brief raadt de lezers aan, op het einde van hun wandel te letten en (alleen) hun geloof na te volgen (Hebr.13:7).
De oudsten aan wie volgens Paulus een dubbel eerbewijs toekomt, zijn zij, die goede leiding geven (1Tim.5:17). Petrus maakt duidelijk, wat hieronder moet worden verstaan: "Hoedt de kudde Gods die bij u is, niet gedwongen, maar uit vrije beweging, niet uit schandelijke winzucht, maar uit bereidwilligheid, niet als heerschappij voerend over wat u ten deel gevallen is, maar als voorbeelden van de kudde" (1Petr.4:1-4).
Het is dezelfde Petrus die verklaart, dat men God méér moet gehoorzamen dan mensen (Hand.5:29). Wie absolute gehoorzaamheid aan gemeenteleiding eist, maakt inbreuk op de rechten van God en die van de mensen. Het leidt tot afgoderij en tot slavernij. Waar de gemeentestructuur is gebaseerd op het gezagsprincipe, waaraan men goddelijk recht toekent, maakt men de gemeente en haar leiders tot een afgod. Alle rechtmatige gehoorzaamheid heeft tot doel, ons op te voeden tot de bevrijdende gehoorzaamheid aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest en moet steeds daarnaar verwijzen. Om die gehoorzaamheid gaat het uiteindelijk: pas in de volledige, liefdevolle overgave aan Jezus en de Vader, kan de mens volheid ontvangen en wordt hij waarlijk vrij.
Waar de leiding van de gemeente zich heeft opgeworpen als een nieuwe middelaar tussen God en de mensen, doet zij Jezus' middelaarschap te niet. Zij vormt dan een blokkade tussen de mensen en hun enige Middelaar. In zekere zin zijn wij echter wel geroepen om middelaars te zijn tussen God en de wereld, maar dan in Christus; zoals Jezus, die Zijn leven gaf voor de wereld.
Allen zijn wij ook geroepen tot het zoonschap Gods. Jezus heeft zich volledig ontledigd, opdat wij zijn volheid zouden ontvangen. De bedieningen, die Jezus aan de ware gemeente heeft gegeven, hebben slechts tot doel, "om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het Lichaam van Christus, totdat wij allen de éénheid van het geloof en van de volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus" (Ef.4:11-13).
Helaas is het harnas waarin veel gemeenten zijn gestoken een beletsel om tot dit doel te komen. De bedieningen zijn tot onderdrukkingen geworden en voor de zonen Gods is er geen ruimte binnen de gemeenten. De uitoefening van het zoonschap botst aan tegen de structuren. Zonen Gods kunnen slechts aan de wereld geopenbaard worden, als ze "de baarmoeder" verlaten"

(Einde citaat).



ORGANISATIE OF ORGANISME?

In een artikel over gemeentestructuur (in "Reveil", april 1985) schrijft Martinus Sterkhout, dat het feit dat slechts enkelen de touwtjes in handen hebben, sterk overeenkomt met wat in de maatschappij als dictatuur wordt veroordeeld. Hier volgen enkele citaten uit het artikel:

"Omdat men vaak meent, dat de eerste christengemeente een strak-hiërarchische structuur had, moet dat ook nu zo nauwkeurig mogelijk worden nagebootst. Zo krijgt bijna elke gemeente een raad van enkele ouderlingen en, als men dat kan betalen, een "full-time" voorganger. Dezen bepalen het beleid, de theologie en beheren de financiën. De overige leden worden opgeroepen hen als van God gegeven herders te aanvaarden.
Het met goddelijk gezag beklede leiderschap heeft bijna alles voor het zeggen. De leiders, die het beheer en de leer bepalen, kunnen niet werkelijk worden bekritiseerd: hun leiderschap heeft een goddelijk aureool. Tenslotte kunnen de leiders ook nog pleiten op het feit, dat "God hun duidelijk heeft gemaakt", dat alles moet blijven bij het oude. En dan zwijgt toch iedere christen eerbiedig?
Toch blijken er velen hun mond open te doen. Daarom ontstaan er scheuringen, omdat de structuur onwerkzaam is; er wordt aan degenen die niet tot de selecte groep van leiders behoren, veel te weinig ruimte geboden om hun door God gegeven talenten te ontplooien.
Gemeenten met een dergelijke structuur zijn dringend aan verandering toe. Paulus heeft nooit voor een "eeuwige, onveranderlijke, volmaakte, goddelijke" structuur gekozen. Hij paste het principe van contextualisatie toe. Dat wil zeggen: hij organiseerde de nieuwe bekeerlingen op een manier, die zoveel mogelijk overeenkwam met wat in die tijd bekend en aanvaardbaar was.
Beseft moet worden, dat een structuur principieel niet eeuwig volmaakt kan zijn. Een structuur is immers een manier om zaken te organiseren, en als de zaken die gestructureerd moeten worden, veranderen, moet de structuur meeveranderen. Een structuur is pas dan goed, als men niet of nauwelijks merkt met een structuur van doen te hebben. Als men de organisatievorm als een knellende band gaat ervaren, is er iets mis.
De structuur van de gemeente moet zeker leiderschap impliceren. Dat leiderschap moet echter niet zo absoluut zijn, dat daarmee impliciet wordt gezegd, dat de overigen onmondige christenen zijn. Alle leden van de gemeente zijn gelijkwaardig en zijn door Christus geroepen om al hun gaven en talenten in de gemeente en daarbuiten te ontplooien, al zijn anderen misschien in absolute zin "beter" in bepaalde dingen.
De structuur die voor een gemeente goed is, moet in de eerste plaats passen bij de concrete situatie in die gemeente, met de mensen die daarbij horen. De leden moeten zich er thuis voelen. Er dient duidelijk een vorm van herderschap te zijn, maar zo, dat de structuur mogelijkheid biedt om de herders te corrigeren en zo nodig bij te sturen.
De enige vraag, die Christus ons eenmaal - en nu reeds - stelt is, of wij God en onze naaste werkelijk liefhebben. Niet of wij denken, dat onze gemeente een volmaakte structuur heeft. Gemeenten moeten volmaakt zijn in liefde. Liefde en harmonie zijn kenmerk van Christus en van Zijn gemeente, terwijl de structuur de vorm is, die voor de zaken waar het werkelijk op aan komt - het liefhebben - de wijze van uiting bepaalt. Als een structuur daar niet toe in staat is, als liefde en harmonie er niet door worden gestimuleerd, en de mensen de structuur als knellend ervaren, is het hoog tijd, die structuur te veranderen. Die moet dan geleidelijk worden aangepast aan de nieuwe situatie.
Als toch wordt vastgehouden aan zo'n vorm, kan niets anders gebeuren dan dat die vorm stuk gaat. Het stukgaan van een structuur wordt in de maatschappij revolutie genoemd. In de gemeente heet het scheuring.
O ja, er kan toch nog iets anders gebeuren. De structuur kan blijven knellen, zodat mensen zich gaan aanpassen. Dan vindt geen revolutie of scheuring plaats. Dàn vindt geestelijke moord plaats. Dan is de gemeente tot een sekte geworden, tot een groep, waar de mensen alleen mogen ja-knikken en volgen.
De structuur van de gemeente is als de kleding van een kind. Wat een schande, als ouders niet op tijd grotere kleren voor hun kind kopen! Zijn liefde zal in elk geval spoedig verkoelen. Wat is uw ideaal?"


Op deze vraag, waarmee het artikel besluit, is het antwoord reeds gegeven. Gemeentestructuren zijn nodig als oases in de woestijn, als leerscholen voor ons geestelijke leven, als geestelijke gezinnen. Zij zijn nodig om te helpen en op te voeden. Maar zij moeten dienstbaar zijn aan de Heilige Geest. Gemeenten naar Gods hart zijn dynamisch. Ze zoeken hun identiteit niet in zichzelf of in de traditie, maar in hun dienstbaarheid aan de Heer en Zijn plan. Zij zijn bereid, hun leven te verliezen om het op een hoger vlak terug te ontvangen en om opzij te treden, als hun Heer komt om het van haar over te nemen.

En wat is het ideaal? Het is een niet aan structuren gebonden Ekklesia, waarvan ieder, die Jezus volgt, deel uitmaakt. "Ik geloof in één heilige, algemene, christelijke Kerk. Ik geloof in de gemeenschap der heiligen". Dat geldt plaatselijk, landelijk en wereldwijd.

Uiteindelijk zullen alle tijdelijke structuren óf vrijwillig opgaan in geest en waarheid. Of ze worden "als onkruid verzameld en met vuur verbrand" (Mat.13:40). "Het einde (Gr.:telos=doel, einddoel) van alle dingen is nabijgekomen" (1Petr.4:7). "Als het volmaakte komt, zal het onvolkomene afgedaan hebben" (1Cor.13:10). Er komt een tijd waarop het ene plaats moet maken voor het andere (Hebr.8:13).

Hetzelfde geldt voor bedieningen. God heeft "apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars gegeven, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid van het geloof en van de volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben" (Ef.4:11-13). Hij geeft bedieningen aan Zijn Gemeente, om de Zijnen te brengen in "Kanaän", tot geestelijke eenheid en volwassenheid. Dan houden bedieningen op (1Cor.13:8-10). En vanzelfsprekend zal ieder, die zelf een bediening heeft gezocht en op menselijk initiatief "opzichter" is geworden "in Egypte" of "in de woestijn" alles verliezen, als hij zich niet bekeert (vgl. Mat.16:24-25).

Velen menen, dat Jezus kwam om gemeenten te stichten. Maar Hij kwam toch, om "het verlorene te zoeken, te redden" (Luc.19:10) en "Zijn Gemeente te bouwen" (Mat.16:18)? Daarom gaf Hij Petrus niet de opdracht kerken te stichten, maar om Zijn lammeren en schapen te weiden en te hoeden (Joh.21:15-19). De Heer Zelf bouwt Zijn Ekklesia, en wel op deze openbaring: het Woord van de levende God is mens geworden. Voor Petrus was dat Jezus van Nazareth (Mat.16:16-18). Als God ons openbaart, dat Hij ook nu zoonschap in mensen doet wonen, staan wij op dezelfde petra (Mat.16:18). Maar helaas: "Er zijn veel misleiders uitgegaan in de wereld, die de komst van Jezus Christus in het vlees niet belijden" (2Joh.1:7).

Gaandeweg zijn mensen Jezus' taak gaan overnemen. Sindsdien gaat het fout. Want "als de Heer het huis niet bouwt, tevergeefs zwoegen de bouwlieden daaraan" (Ps.127:1). In plaats van mee te werken aan Gods bouwwerk als Gods medearbeiders (1Cor.3:9), zijn wij ondernemers geworden, die voor God bouwen. Het resultaat is er dan ook naar, want alles brengt vrucht voort naar zijn aard.

De ware gemeente van Christus is het hemelse Jeruzalem. Maar helaas: men is over haar in aardse, menselijke begrippen gaan denken. Men heeft haar een aardse structuur toegedacht, die gaandeweg het overwicht kreeg over de geestelijke realiteit. Daarmee is de uitholling begonnen. Zij werd een vlag die de lading niet meer dekt, een vorm die de inhoud overwoekert. Zij werd tot vormendienst, zelfs tot farizeïsme, tot een systeem met een eigen zelfstandigheid, tot een macht die het geestelijke leven in haar zodanig beknot, dat de kracht van het onvergankelijke leven zich in haar niet meer kan openbaren.

Of een gemeente al dan niet een "Egyptische" structuur is (die uiteindelijk ten onder gaat, Mat.12:25), is herkenbaar aan de middelen, die zij gebruikt om haar eenheid te bewaren. De ware Gemeente van Jezus Christus gebruikt daarvoor nooit vleselijke maatregelen van wat voor aard ook. Want door één Geest zijn alle leden "tot één lichaam gedoopt" (1Cor.12:13). En in haar "wordt de éénheid van de Geest bewaard door de band van ware vrede" (Ef.4:3).



MIJN SCHAPEN HOREN NAAR MIJN STEM

Voordat de ganse schepping wordt bevrijd, zal Jezus eerst Zijn eigen schapen in de vrijheid brengen en elk slavenjuk verbreken ((Rom.8:21,Joh.10:3,10b). Zoals God Zijn "zoon" eertijds uit de slavernij van de farao van Egypte bevrijdde, zo bevrijdt Hij nu allen, "die Hij tevoren bestemd heeft tot gelijkvormigheid aan het beeld Zijns Zoons" (Rom.8:20) uit "Egyptische" machten en onderdrukking.

Jezus zegt: "Ik ben de goede herder en Ik ken de Mijne en de Mijne kennen Mij" (Joh.10:14). "Mijn schapen horen naar Mijn stem" (Joh.10:3). "Wanneer Hij Zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen Hem, omdat zij Zijn stem kennen" (Joh.10:4). "Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed" (Joh.10:10). "Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar Mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder" (Joh.10:16). Wat een plan! Het is zó geweldig, dat wij er iets meer van willen zeggen.

God is in deze "eeuw der genade" "van meet aan erop bedacht geweest een volk voor Zijn naam uit de heidenen te vergaderen" (Hand.15:14). Het zal naar Jezus' stem horen en Hem "volgen, waar Hij ook heengaat" (Joh.10:3,Op.14:4). Als het voltallig is, wordt Jezus mét hen openbaar (Col.3:4). Zij zullen "het licht verkondigen én aan het volk (=Israël) én aan de heidenen" (Hand.26:23, St.Vert.). Het is een volk van "eerstelingen onder Zijn schepselen" , het zijn "eerstelingen voor God en voor het Lam" ((Jac.1:18)Op.14:4). Zij dragen allen de naam (=wezen) van het Lam en de naam van de Vader (Op.14:1b).

Het tot stand brengen van dát volk is nu Gods prioriteit. God roept wéér zonen uit "Egypte", als eerstelingen. Niet omdat zij van nature beter zijn. Maar door genade zullen zij eerder geestelijk volwassen zijn, als eerste rijpe vruchten .

Deze geheel losgekochten van de aarde zijn Jezus' loon. Want "zeg tot de dochter Sions (=de Gemeente): zie, uw heil komt; Zijn loon is bij Hem. En men zal hen noemen: Het heilige Volk, De Verlosten van de Heer" (Jes.62:11). Deze 144.000 vormen samen één lichaam met de Bruidegom.

Daarnaast zien wij de bruidsgemeente, "de Begeerde Stad, de Niet Verlaten Stad" (Jes.62:12). Zij is als "een schare, die niemand tellen kan" (Op.7:9). Zij is "het nieuwe Jeruzalem, dat neerdaalt uit de hemel van God, getooid als een bruid" (Op.21:2). "Zij heeft de heerlijkheid Gods en haar glans lijkt op een zeer kostbaar gesteente, als een kristalheldere diamant" (Op.21:11).

Maar Gods plan reikt véél verder dan de eerstelingen en het nieuwe Jeruzalem. Jezus maakt alle dingen nieuw (Op.21:5). Alle volken zullen wandelen bij het licht van de heerlijkheid Gods (Op.21:11,24). Hij zal "bij hen wonen en zij zullen Zijn volken zijn" (meervoud! Op.21:3). Men "zal geen kwaad meer doen noch verderf stichten op Mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van kennis van de Heer, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken" (Jes.11:9). De hele "schepping zal van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods" (Rom.8:21). "In Christus zullen allen levend gemaakt worden" (1Cor.15:22). Alle volken zullen toestromen en worden genezen door de bladeren van het geboomte des levens (Jes.2:2, Op.22:2).

"Dan het einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader overdraagt, wanneer Hij alle heerschappij en alle macht en kracht onttroond zal hebben" (1Cor.15:23-25). Het einde! Paulus gebruikt het Griekse woord telos (=resultaat, doel; van het werkwoord tello=toewerken naar een doel). Dan is God alles in allen (1Cor.15:28).Alles in allen! "En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed" (Gen.1:31).

Gods plan is dus allereerst de "zoon" te roepen uit het "Egypte" van "farao", om Hem te dienen (Ex.4:23). Dan wordt het de bruid van Christus "gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden" (Op.19:8). Dan het doel: "dat Zijn heil reike tot het einde der aarde" (Jes.49:6).

"Wanneer Hij Zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen Hem, omdat zij Zijn stem kennen" (Joh.10:4). "Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar Mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder" (Joh.10:16). Wat een geweldig plan!



ONTMASKEREN OM TE OVERWINNEN

Het is waar, dat de machten van "Egypte" in de hemelse gewesten bestreden moeten worden (Ef.6:12). Het is geen strijd tegen vlees en bloed. Zoals we de zonde haten, maar de zondaars liefhebben, zo moeten ook de "opzichters" in een liefdevolle houding gewezen worden op de onderdrukkende structuren.

De oudsten van Gods volk moeten met klem, maar liefdevol, tot gehoorzaamheid worden opgeroepen (Mal.2:1-9). Zij moeten inzien, dat God houdt van Zijn kinderen in "Egypte" (Hos.11:1). Hij waarschuwt hen om Zijn verbond met hen (Mal.3:4). Zijn verbond was: leven en vrede, om Hem met ontzag te eren (Mal.2:5).

Er zijn voorgangers, die deze dingen onderkennen, maar er weinig mee doen. "U hebt wel veel gezien, maar hieldt het niet in gedachtenis; u hebt de oren wel open gehad, maar niet gehoord" (Jes.42:20). Toch had "de Heer er een behagen in ter wille van Zijn gerechtigheid een grote, heerlijke onderwijzing te geven" (Jes.42:21).

Ja, God zendt profeten, "Mozessen". Maar zullen de oudsten hen aanvaarden? (Ex.4:1,5,8,9). Mozes vreesde destijds het ergste en zei: "Och Heer, zend toch iemand anders" (Ex.4:13). "Ze luisteren niet eens naar mij" (Ex.6:11). Maar God zei: "Ga. Ik zal met uw mond zijn en u leren, wat u zeggen moet" (Ex.4:12)?

Daarom moeten wij spreken, als Hij ons heeft onderwezen én gezonden. Dan mogen wij niet passief gaan zitten wachten, totdat God "Zich ontzet, omdat niemand tussenbeide treedt" (Jes.59:16). Er zijn "Mozessen" nodig, "uit het water getrokkenen". Maar welk soort profeten verwacht men? "Mozessen"? Of meelopers, rieten door de wind bewogen? Of mensen groot van aanzien, in weelderige kleding (Mat.11:7-8)?

Het is "farao's" voordeel, dat gelovigen geen inzicht krijgen in het geestelijke "Egypte". Daarom is hij zo verbeten op "Mozessen", die hem confronteren met de God van de "hemelstad". Zijn plannen moeten worden doorzien en ontmaskerd. De oudsten moeten zicht hebben op wat er in de hemelse gewesten gebeurt. Anders zijn zij slachtoffers van "Egyptische slavendrijvers" of werken zij zelfs als "Israëlitische opzichters" met hen samen. Gods volk "in Egypte" moet weten, dat het "steden voor farao" bouwt, met "stro en tichelstenen".

Want aartsvader Abraham had een véél betere stad gezien (Hebr.11:10). Hem was een véél beter land dan "Egypte" beloofd, ja, zelfs een véél beter land dan het aardse Kanaän (Hebr.11:9). Het "stroomt van melk en honing". Hij bleef, ook toen hij al in Kanaän was aangekomen, naar die stad en naar dát land zoeken.



PROFEET OF WOORDENKRAMERS

Een waar profeet "spreekt wat waarde heeft, zonder vermetele taal" (Jer.15:19). Van Hem zegt God: "Je zult zijn als Mijn mond" (Jer.15:19). Daarom is er weinig kans om erkend te worden. "Zij zullen tegen u strijden" (Jer.15:20).

"Als er maar iemand wind naliep en leugen voorspiegelde: ik profeteer u van wijn en bedwelmende drank, dan zou hij de profeet van dit volk zijn" (Micha 2:11). Spreek de mensen maar naar de mond. Zeg maar: "Vrede, vrede", terwijl er geen vrede is, en: "Des Heren tempel, des Heren tempel, des Heren tempel is dit. Wij zijn geborgen, geen onheil zal ons overkomen" (Jer.6:14; 7:5,10; 5:12). De Heer zegt dan: "Mijn volk heeft het graag zo. Maar wat zult u doen, als het op een einde loopt?" (Jer.5:31) "Laat u tuchtigen, Jeruzalem, opdat Ik Mij niet van u zal losrukken en u zal maken tot een woestenij, tot een onbewoond land!" (Jer.6:8).

Helaas! Wie naar waarheid het woord Gods spreekt, moet niet rekenen op een zachtzinnige bejegening. "Profeteer niet in de naam des Heren, of gij sterft door onze hand" (Jer.11:21). "Laten we die boom met zijn vrucht verderven. Laten we hem uit het land der levenden uitroeien, opdat aan zijn naam niet meer gedacht zal worden!" (Jer.11:19).

Er staat van hen die zijn gezonden door de Heer: "Als zij hun getuigenis zullen voleindigd hebben, zal het beest dat uit de afgrond opkomt hun de oorlog aandoen, en het zal hen overwinnen en hen doden. En hun lijk zal liggen op de straat van de grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, waar ook hun Heer gekruisigd werd" (Op.11:8-9). Ook nu worden profeten "gedood": voor dood gehouden. Men doet gewoon, alsof zij niet bestaan.

Wat is het gevolg van het negeren van het profetische woord? Als God spreekt en er wordt niet gehoorzaamd, ontstaat er verharding. "De Heer verhardde het hart van farao" (Ex.10:27). "Verhard uw hart niet, zoals Mijn volk in de woestijn" (Ps.95:8). "Zalig de mens die gedurig vreest, maar wie zijn hart verhardt, valt in het onheil" (Spr.28:14). Door ongehoorzaamheid komen "Egyptische" invloeden en werkwijzen in mensen en gemeenten. Zij worden dan schuilplaatsen "van alle onreine geesten en van alle onrein en verfoeid gevogelte", die zelfs instrumenten kunnen worden om de wereld te verbazen met misleidende tekenen en wonderen (Op18:2, 2Thes.2:9). Ook dat zien wij heden ten dage om ons heen gebeuren.

Daarom moeten wij aan Johannes' waarschuwing gehoor geven, om niet iedere geest te vertrouwen en de geesten beproeven of zij uit God zijn (1Joh.4:1). Al eerder had Jezus gewaarschuwd, dat in de laatste tijd zelfs de uitverkorenen gevaar lopen om misleid te worden (Mat.24:5,24,25). Hij zei, dat we op onze hoede moeten zijn voor valse profeten die in schapenvacht tot ons komen, maar van binnen roofgierige wolven zijn (Mat.7:15-20). Hij leerde ons op hun vruchten te letten en niet af te gaan op hun wonderen, tekenen, profetieën en duiveluitdrijvingen, omdat al deze dingen ook gedaan worden door werkers van de wetteloosheid (Mat.7:21-23).

"Daarom heet het: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op vanuit de doden, en Christus zal over u lichten. Zie nauwlettend toe, hoe u wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen" (Ef.5:14-15). Wie uit de sluimering wordt gewekt, zal onderkennen wie zijn ware vrienden zijn. Hij zal zich niet meer keren tegen de "Mozessen" als tegen onruststokers en oproerkraaiers, maar hij zal erkennen dat ze door God gezonden zijn.

Wordt men niet wakker, blijven de kerken en gemeenten sluimeren, blijven de oudsten de oren toestoppen om de oproep niet te horen, dan zullen zij hun weg over kromme paden vervolgen, geleid door halve waarheden naar "wateren van beneden". Dan zijn de ogen van hun "kerk" al zó vast dichtgekleefd, dat men niet meer "verstaat, wat haar nu tot vrede dient" (Luc.19:42). Dan is men zó doof voor de stem van de Goede Herder en zó verhard, dat zware tuchtiging onvermijdelijk is.



HET OORDEEL BEGINT BIJ HET HUIS GODS

"Reeds ligt de bijl aan de wortel van de bomen: iedere boom die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen" (Mat.3:10) en "elke plant, die de hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden" (Mat.15:13).

De Heer wil Zijn Gemeente tot een stralende lichtbron maken. Hij zegt: "Jullie zijn het licht der wereld, een stad op een berg, die niet verborgen kan blijven" (Mat.5:14). Die stad wil Hij "heiligen en reinigen om haar stralend voor Zich te plaatsen, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zodat zij heilig is en onbesmet" (Ef.5:26,27). Zij wordt een stad met "de heerlijkheid Gods, met een glans als van zeer kostbaar gesteente, als van een kristalheldere diamant" (Op.21:11). Door tuchtiging en oordeel zal de Heer met haar tot dat doel komen.

Als wij het woord tuchtigen gebruiken, denken wij doorgaans aan straffen in negatieve zin. Maar tuchtigen heeft juist iets heel positiefs. Het is afgeleid van het oud-nederlandse woord tijgen, optrekken. Het Griekse woord is paideuo: opvoeden. "Wie Hij liefheeft, tuchtigt de Heer. Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt" (Hebr.12:6).

Hetzelfde geldt voor het woord oordeel. Het wordt in de bijbel in positieve zin gebruikt. Velen denken ten onrechte bij de woorden eeuwig oordeel aan eeuwigdurende verdoemenis in plaats van aan een "eeuw"-durend oordeel. Het Griekse woord voor oordeel (krisis) betekent scheiding. Oordelen is scheiding maken tussen het goede en het kwade, corrigeren, louteren. "Het is nu de tijd, dat dat (het oordeel) begint bij het huis Gods" (1Petr.4:17). Dan "zal Hij zijn als het vuur van de smelter en als het loog van de bleker. Hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend. Hij zal de zonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver, opdat zij de Heer in gerechtigheid offer brengen" (Mal.3:2-3).

Dit proces is nodig, omdat velen van Gods volk inclusief de "priesters", afvallig zijn geworden van de Heer (vgl. Jes.1:2-31). Destijds was het ongeestelijk, "Egyptisch" denken, dat de leiders van Israël verenigde en dat probeerde het volk van Jezus af te houden (Joh.18:14).

Dezelfde gezindheid kan de geestelijke leiders nu in zijn greep houden. Het maakt hen dan blind voor wat God bezig is te doen en ook zij blijken dan deel uit te maken van een systeem, dat "de profeten doodt, en stenigt, wie tot haar gezonden zijn" (Mat.23:37). Net als de leiders van het toenmalige Israël hebben velen van hen "het woord Gods van kracht beroofd ter wille van hun overlevering" (Mat.15:6). Zij bezitten "grote ijver voor God, maar zonder verstand" (Rom.10:2), omdat zij, "onbekend met Gods gerechtigheid en trachtende hun eigen gerechtigheid te doen gelden, zich aan de gerechtigheid Gods niet hebben onderworpen" (Rom.10:3). Ieder, die zichzelf een hoge positie heeft toegeëigend, zal dan ook op pijnlijke wijze worden teruggewezen.

Dit louterende proces moet ieder ondergaan. Het beste is nu de scheidingslijn in het eigen hart te laten aanbrengen door God toe te staan alle verborgen motieven te openbaren, zich geheel te laten reinigen door Jezus' bloed (van zonden) en door het Woord (in onze levenswandel). Zo worden wij rechtvaardig (=klaar voor het gerecht; vgl. reisvaardig: klaar voor de reis).

Wie zich niet nu al wil laten reinigen, kan nu geen deel hebben aan het lichaam van Christus. "Als Ik jullie niet was, hebben jullie geen deel aan Mij" (Joh.13:8). Het beslissende is niet, of wij wel of geen zonde hebben, want dat hebben wij allemaal (1Joh.1:8). Maar of wij oprecht zijn en ons gewillig laten reinigen. "Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar wie ze belijdt en nalaat, die vindt ontferming" (Spr.28:13). "Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid" (1Joh.1:9).

Het oordeel betreft niet alleen onszelf, maar ook onze kerken, gemeenten, ons werk. Ze zijn het werk van min of meer geheiligde kinderen Gods. De menselijke factor, waaraan zij onderhevig zijn, maakt, dat zij, net als haar leden, voortdurende reiniging en bekering nodig hebben. Waar men zich dat niet bewust is en bij voorbaat stelt, het zuivere werk van de Heilige Geest te zijn, wordt men gemakkelijk misleid, verblind en verhard. Het oordeel dat dán moet komen, is onvrijwillig, als over de Egyptenaren in Exodus.

Het doel van het oordeel over het huis Gods is, dat het Zijn Huis (het huis van de Vader) moet kunnen zijn. Voor ons is het de ware plaats om Hem "in gerechtigheid offer te brengen" als "waarachtige aanbidders in geest en waarheid" (Joh.14:2-3, Mal.2:3, Joh.4:23). Dat stijgt ver uit boven wat wij kennen als kerken en gemeenten, die goed zijn voor een bepaalde tijd als oases, gezinnen, herbergen enzo. Ook voor hen geldt: "Als het volmaakte komt, zal het onvolkomene afgedaan hebben" (1Cor.13:10).

Want de vleselijke kerk die blijft steunen op traditie en menselijke inzichten zal verdwijnen (Op.17:1-19:5). God wilde haar van binnenuit hervormen, maar menig leider maneuvreerde zijn kudde in een richting, die precies tegengesteld was aan Gods opdracht. Die opdracht is ons te laten gebruiken "als levende stenen voor de bouw van een geestelijk huis" (1Pet.2:5), tot "een woonplaats voor God in de geest" (Ef.2:22).

Velen brengen op dit punt een eenzijdig evangelie. Zij zien Jezus alleen als hun Redder. Anderen volgen Hem als Koning na in het doen van wonderen en tekenen. Maar volgen zij ook het Lam dat moest lijden? Of zijn ze gaan staan boven de Meester en Zijn weg? (Mat.10:24,25; Joh.15:20). Dan hebben zij de gezindheid van Christus niet en worden bij het oordeel ontmaskerd als bedrijvers van wetteloosheid (Mat.7:22,23). Paulus onderscheidt wat dit betreft slechts twee categorieën: "Allen die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden. Anderen gaan van kwaad tot erger: zij verleiden en worden verleid" (2Tim.3:12,13). Ieder kind van God zal persoonlijk voor de keuze worden gesteld tussen een schijn van godsvrucht of de kracht ervan (2Tim.3:4). Tot in het diepste van ons wezen zullen wij door de Kenner op onze echtheid worden onderzocht. Dan zal het behoren tot een kerk of groep ons niet kunnen redden. Het zal aankomen op onze persoonlijke toewijding aan Christus!



"NIEUWE DINGEN KONDIG IK U AAN" (Jes.42:9)

De reden waarom christelijk werk tot nu toe zo weinig vrucht heeft afgeworpen, is dat "ieder draaft voor zijn eigen huis" (=gemeente), terwijl het huis van de Heer (de Gemeente) verwoest ligt (Hag.1:9). Wanneer wij aan Zijn huis denken, zal de Heer een welgevallen aan ons hebben en verheerlijkt worden (Hag.1:8). Dan zal Hij beginnen te zegenen (Hag.2:20).

De oproep om het "huis Gods" te herbouwen betekent niet, dat wij een verbeterde uitgave van onze bestaande "weldoortimmerde huizen" moeten oprichten. Het betekent wel, dat wij ons door de Heer als "levende stenen moeten laten gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen" (1Petr.2:5), opdat Hij Zijn Huis kan oprichten in geest en waarheid (Ps.127:1). De heerlijkheid van dat Huis zal alles uit het verleden overtreffen (Hag.2:10).

Maar eerst moet er worden uitgerukt en afgebroken, verdelgd en verwoest, om opnieuw te kunnen bouwen en planten (Jer.1:10). Elke berg moet geslecht en elk dal verhoogd worden (Jes.40:3). Elke "Egyptische" hoorn, die binnen de gemeente is opgericht, moet worden verwoest. Alle leiders, die zichzelf hebben verheven of zich hebben laten verheffen door mensen, moeten van hun voetstukken en van hun tronen af. Zij moeten hun status ten gronde toe prijsgeven. Een elitekerk kan de wereld niet winnen. Zij is het zout van de aarde niet. Zij is het licht van de wereld niet (Mat.5:13-14). God kan haar niet stellen "tot een licht der volken, opdat Zijn heil kan reiken tot het einde van de aarde" (Jes.49:6).

God wekt dus "Mozessen" op, die zich dienend opstellen ten opzichte van alle broeders en zusters, als "aller dienaar" (Marc.9:35). Zij worden gevormd onder de tucht van de Heilige Geest. Zij laten zich "heiligen in Zijn waarheid" (Joh.17:17). Zij berekenen de prijs en zijn bereid die te betalen. Zij leren elk juk, dat niet door Jezus is opgelegd, af te leggen en om God meer te gehoorzamen dan mensen. Zij weigeren compromissen te sluiten. Zij worden gehard door tegenstand en gelouterd door beproeving. Zij stoppen de hun toevertrouwde talenten niet "in de grond" en zijn getrouw in het kleine. Daarom worden zij gesteld over meer, niet door mensen, maar door de Heer. Toch noemen zij zich geen leider. Ze hebben één passie: de verheerlijking van de Vader en de Zoon. Zij zijn uit "Egypte" geroepen zonen, die zich laten leiden door de Heilige Geest. Zij zijn open kanalen, bruikbare instrumenten, om de werken te doen, die reeds van de grondlegging der wereld af gereed zijn (Hebr.4:3).

Het herstel van alle dingen in Christus werd al spoedig na Jezus' hemelvaart verwacht. Toen al riep de Heilige Geest het volk van God op om "Egypte" te verlaten en tot Zijn rust (="Kanaän") in te gaan: "Heden, indien u Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet, zoals bij de verbittering, ten dage van de verzoeking in de woestijn" (Hebr.3:7-8). Gehoorzaam! Want de gehele schepping wacht, totdat "sommigen tot die rust zullen ingaan" (Hebr.4:6a). En omdat "zij, die het evangelie eerst ontvangen hebben, niet ingegaan zijn wegens hun ongehoorzaamheid, stelt Hij opnieuw een dag vast, heden" (Hebr.4:7). Dat is voor ons: nu, als wij Zijn stem horen om "Egypte" te verlaten en ons in Zijn rust laten binnenleiden.

Maar helaas zal het woord dat de Geest spreekt tot de gemeenten voor velen ook nu niet van nut zijn, omdat het wéér niet gepaard gaat met geloof en gehoorzaamheid (Hebr.4:2; 3:12,19). Zij blijven "Egyptisch" bezig, opgeslokt door het bedenken en uitwerken van eigen plannen voor kerk of groep. Slechts een rest zal de beloofde rust ingaan (Hebr.4:6a). Zij houden het begin van hun verzekerdheid tot het einde toe onverwrikt vast (Hebr.3:4). Zij hebben de nodige volharding om, de wil van God doende, in het heden te verkrijgen, wat beloofd is (Hebr.10:14). Destijds waren het er van het uitgeleide volk maar "twee", "Jozua" en "Kaleb". Alle anderen bleven, door begeerte naar "Egypte", steken in "de woestijn" en stierven er.

"Laten wij daarom op onze hoede zijn, dat niemand van ons, terwijl nog de belofte van tot Zijn rust in te gaan bestaat, de indruk zou wekken achter te blijven" (Hebr.4:1). Want ook aan ons is de blijde boodschap van het koninkrijk der hemelen verkondigd en ook van ons worden geloof en gehoorzaamheid verwacht om "in te gaan".

"Heden, indien u Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet" (Hebr.4:7). Laat "uw lichamen een levend, heilig en Gode welgevallig offer zijn: dit is uw redelijke eredienst. En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat u zult erkennen wat de wil van God is, het goede, het welgevallige en het volkomene" (Rom.12:1-2). Laat Hij u "een nieuwe naam geven, die niemand weet dan die hem ontvangt" (Op.2:17). Sta Hem toe op u te "schrijven de naam van het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel neerdaalt" (Op.3:12). Laat u loskopen van de aarde om het nieuwe gezang te leren zingen (Op.14:3).

Johannes "zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde was voorbijgegaan" (Op.21:1). Hij "zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, dat aan het neerdalen was uit de hemel van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is" (Op.21:2). Alles is nieuw gemaakt, door Jezus (Op.21:5). Hij is "de opstanding en het leven" (Joh.11:25). Hij "zal uw uitgang en uw ingang bewaren van nu aan tot in eeuwigheid" (Ps.121:8).

"En de Here zeide tot Mozes: Nu je teruggaat naar Egypte, zie toe, dat je voor farao alle wonderen doet, die Ik in je macht gesteld heb. Maar Ik zal zijn hart verharden, zodat hij het volk niet zal laten gaan. Dan zul je tot farao zeggen: Zo zegt de Heer: Israël is Mijn eerstgeboren zoon; daarom zeg Ik u: laat Mijn zoon gaan, opdat hij Mij diene" (Ex.4:21-23).

Broeders voorgangers en oudsten, leid zo veel mogelijk schapen de "schaapskooi" binnen door "de Deur". "Hoed de kudde Gods, die bij u is, niet gedwongen, maar uit vrije beweging, naar de wil van God, niet uit schandelijke winzucht, maar uit bereidwilligheid, niet als heerschappij voerend over wat u ten deel gevallen is, maar als voorbeelden van de kudde" (1Petr.5:2-3).

En ontvang de door God gezonden "Mozessen" onbevooroordeeld en geloof, wat God door hen spreekt: "Ik ben de Here, Ik zal u onder de dwangarbeid van de Egyptenaren uitleiden, u redden van hun slavernij en u verlossen door een uitgestrekte arm. Ik zal Mij u tot een volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn, opdat u weet, dat Ik, de Here, uw God, het ben, die u onder de dwangarbeid der Egyptenaren uitleidt" (Ex.6:6-7).

En houd vooral niemand tegen, als Hij de Zijnen tot Zich roept (vgl. Joh.1:35-38). Bind anderen niet aan u zelf, maar laat hen Jezus volgen. "Zo zegt de Here, de Heilige Israëls, en zijn Formeerder: vertrouw MIJ Mijn zonen en het werk Mijner handen toe" (Jes.45:11).

En als u herkent wat er in deze bijbelstudie aan de orde is gekomen, leg dan de versleten mantel van de traditie af en laat u opnieuw bekleden "met kracht uit de hoge" (Luc.24:49). Want de Heer zal alle "Egyptische" structuren doen wankelen (Jes.3:1-15). Maar de Zijnen zal Hij "leiden en zij zullen naar Zijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder" (Joh.10:14-16). Maar dan in geest en waarheid.



Home page