Home page



Ga nieuw denken,
want het Koninkrijk Gods is nabijgekomen





"Bekeert u,
want het Koninkrijk der hemelen is
nabijgekomen"

(Mat.3:2).




BEKERING

Op de vraag, wat je moet doen om gered te worden, zegt men meestal: "Je bekeren" (Grieks: epistrophe=omkeren, zoals b.v. in Hand.15:3). Bedoeld wordt: persoonlijk gaan geloven, dat Jezus voor je zonden is gestorven (Joh.1:29, 1Joh.1:7). Dan weet je behouden te zijn, door genade (Joh.3:16, Ef.2:8). De Heer redt. Dat is het evangelie van Gods genade.

Maar Johannes de Doper en Jezus bedoelden iets anders met "Bekeert u" (Mat.3:2, 4:17, Mar.1:15). Zij gebruikten niet epistrophe maar metanoeo: anders denken. Zij richtten zich niet tot ongelovigen, maar tot het volk van God, dat zich liet dopen onder belijdenis van hun zonden (Mat.3:6). Het ging hun niet wéér om vergeving van zonden, maar om het komen van Gods basileia (koningschap, koninkrijk). De boodschap kwam hierop neer: "U, oprechten van hart, u, gelovig volk van God, gaat nieuw denken, want het Koninkrijk Gods is nabijgekomen. U moet nu verder, van oud naar nieuw. Heft dus uw hoofden op en baant voor de komende Koning een weg in uw hart. God wil namelijk ook in en door u koning zijn" (Ps.24:9-10, 84:6, Mat.3:3). Dat is het glorieuze evangelie van het Koninkrijk.

Weerspannigen en ongelovigen moeten zich omkeren (Hand. 3:17-19, 7:51, Op.22:15). Oprecht gelovigen moeten verder, van religieus tot geestelijk, van aards tot hemels, van oud tot nieuw (Jes.40:3-4, Luc.3:10-14, Col.3:1-3).

Koningschap Gods komt namelijk niet op een "oude" wijze. Het komt "nieuw", in geest en waarheid, door de Geest der waarheid (Zach.4:6). Daarom zegt Jezus tot Gods volk, tot ons: "Komt tot Mij. Neemt Mijn juk op u (=Mijn Geest). Leert van Mij. Gaat nieuw denken, want koningschap Gods is ook voor u nabij gebracht" (Mat.11:28-30, Jes.40:3-4, Luc.3:10-14, Col.3:1-3).


HET NIEUWE DENKEN

Metanoeo: veranderen van denken. Veel gelovigen denken, dat ze al anders denken. Ze zijn b.v. van kerk veranderd en zijn misschien later in hun leven wéér anders gaan denken, als pinksterchristen, of als Jehovagetuige, of oudtestamentisch-wettisch, zoals de Galaten dat deden (Gal.3:1-3). Bedoelt de bijbel dat? Nee, om het Koninkrijk der hemelen te zien komen zijn niet andere "oude" gedachten, maar "nieuwe" nodig; niet wéér een aards-religieuze denkwijze, maar een hemelse.

Stelt u zich eens voor wat dat voor een gelovige Jood, die naar Jezus luisterde, moest betekenen. De thora? Die zou de wet van God in zijn binnenste worden (Jer.31:33). De besnijdenis? Een daad aan het hart, niet met een mes, maar met het scherpe Woord van God (Rom.2:29). De tempel? Nu een geestelijk "bouwwerk", met priesters van een hemelse orde, die aanbidden in geest en waarheid (Joh.2:19-21, 4:23-24, 1Cor.6:19, Heb.7:11). Zonden vergeven? Zonder het bloed van stieren of bokken (Luc.5:20-21). Alle oudtestamentische vormen zouden inhoud krijgen, vervuld worden, en elk beeld zou verhoogd worden. Alles zou een hemelse dimensie krijgen, nieuw gemaakt worden (Op.21:5). God had het al lang aangekondigd: "Aan wat vroeger was, zal niet gedacht worden, het zal niemand meer in de zin komen" (Jes.65:17b, 43:18-19). Hij moest dus niet meer denken aan de zichtbare "afbeeldingen van het ware" (Heb.9:24b), maar aan de dingen die "boven" zijn (Col.3:1-3). Als hem gevraagd werd een glorieus koning te noemen, kwam meteen een koning van vroeger, David of Salomo, in zijn gedachten. Maar er zou een nog heerlijker koning komen, een nieuwe, een betere, een blijvende, méér dan Salomo (Luc.11:32). "Die Koning van wie u niet weet", zeggen boodschappers als Johannes de Doper, "is midden onder u. Zijn koninkrijk is nu nabij gebracht. Het is nu tijd, om Zijn koningschap in uw leven toe te laten. Daarom: bekeert u! Gaat nieuw denken" (Joh.1:26).

Nu doet zich echter een immens probleem voor: de oude mens, ook die van nu, kan alleen maar "oud" denken (1Cor.2:14). Hij kan het nieuwe rijk van God niet zien (Joh.3:3). Als hij de bijbel leest, denkt hij voortdurend aan zichtbare zaken zoals de herbouw van de tempel van Salomo op de plek waar nu een moskee staat in het aardse Jeruzalem. Pas als Gods Geest zegt: "Er zij licht", begint hij iets van het Koninkrijk der hemelen te begrijpen. Hij ontdekt het dan als een juweel van een land in geest en waarheid, dat bestaat in rechtvaardigheid, waarheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest (Ez.20:6, Rom.14:17). Hij gaat ook zien, dat het ware Jeruzalem een door God ontworpen en gebouwde stad is met een tempel in de geest (Heb.11:10, 9:24a). En hij gaat ervaren, dat het als heerlijkheid Gods in hem aan het neerdalen is (Op.21:2).

Maar een "oud" denker herkent daar niets van. Zelfs al zou hij alles van de bijbel weten, toch is hij voortdurend in verwarring, dwaas en blind als hij is (Mat.23:17). Zijn denken is uit de schrift en niet uit God. De bijbel blijft een gesloten boek, een van kracht en licht beroofd Woord (Mat.15:6). Zijn kennis is hoofdkennis, geen hartkennis (vgl. Col.3:15-17). Hij denkt niet nieuw en aanvaardt als "ongeestelijk mens niet wat van de Geest is, want het is hem dwaasheid, hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is" (1Cor.2:14).

Velen proberen ook zelf anders en beter te denken, door het negatieve te benaderen met positieve gedachten. Zij geloven in de kracht van positief denken. Ben je bijvoorbeeld ziek, dan moet je zeggen: "Ik geloof, dat ik door Zijn striemen ben genezen!". Dat is ook "van beneden": zowel negatief als positief denken is uit de mens. Nieuw denken is alleen uit God. Wie onder Zijn zalving blijft, ontvangt het denken van de Gezalfde. Dat is de gezindheid van Christus (phroneo=denkwijze, Fil.2:5, 1Joh.2:27), waardoor de naam van de Vader op zijn "voorhoofd" wordt geschreven (Op.14:1).

Jezus kende dat als eerste. Hij zei: "Ik doe niets uit Mijzelf, maar Ik spreek, zoals de Vader Mij geleerd heeft" (Joh.8:28). Enerzijds leerde Hij om "op te stijgen naar de hemel" en "van boven" te zijn, "nieuw" (Joh.3:13, 8:23). Anderzijds heiligde Hij Zich om als een vlekkeloos lam te zijn (1Pet.1:19).

Voor ons is de weg tot vernieuwing Hem na te volgen in de kracht van Zijn Geest (Op.14:1-5). Hij is ons Voorbeeld (1Pet.2:21). Ook ons zal de Vader "vernieuwing van denken" geven om "de dingen die boven zijn te kunnen bedenken" (Rom.12:2, Col.3:1-3). Het is ook onze redelijke eredienst ons te geven "tot een levend, heilig en voor God welgevallig offer, Hem tot een welriekende reuk" (Rom.12:1, Ef.5:1-2). Ook in onze harten zal dan de Zon der gerechtigheid opgaan, om ons te vernieuwen, te genezen en om ons te verlichten tot "de volle dag" (Mal.4:2, 1Pet.3:15, 2Pet.1:19).

Het nieuwe van het koninkrijk der hemelen is dus altijd en alleen uit God, uit Woord en Geest (Joh.1:13, 3:3-5). Jezus zegt: "Ieder, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij. Leer dan van Mij, want niemand leert en ontvangt nieuw, koninklijk denken van mensen, maar door openbaring" (Mat.11:29, Joh.6:45, Gal.1:12). God geeft metanoia door Zijn Geest. "Jezus is verhoogd tot Geest, om Israël én de heidenen metanoia ten leven te schenken" (Hand.5:31, 11:18, 1Cor.15:45). "God geeft door Zijn Geest metanoia" (Rom.2:4, vertaald in de NBG-vert. als boetvaardigheid). "Hij geeft in Christus een ander denken, opdat wij de waarheid zouden erkennen" (2Tim.2:25, letterlijk vertaald).

Voor wie nieuw denken uit God ontvangt, is het oude van de mens aan het voorbijgaan en is het nieuwe van de Geest aan het komen (2Cor.5:17). Het gaat hem niet om weer een andere mening of theologie (vgl. Ef.4:14). Het gaat om het ontvangen van een nieuwe denkwijze, waardoor wij leren te wandelen als een nieuwe schepping, in nieuwheid des levens (2Cor.5:17, Op.21:5, Rom.6:4, Ef.2:10).

De"ouden", Mozes, onze vaderen, onze opvoeders en ook "apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars", leren van buitenaf. Ze zijn tot Christus (Gal.3:23-24, Ef.4:11-15), totdat de Geest ons gaat leren (1Cor.2:13). Hun regels, riten, ceremoniën, structuren en woorden zijn bedoeld om ons te bewaren, totdat Christus de leiding kan overnemen. Zij brengen ons tot Hem en dan leidt Zijn Geest ons verder in alle waarheid (Gr.: aletheia =geestelijke realiteit, Joh.1:17b, 16:13). Eerst leren we van mensen, dan uit God. En wat wij uit Hem leren, is nieuw. Wij ontvangen dan een nieuwe denkwijze en nieuw aionisch leven, met Zijn koningschap en koninklijke waardigheid verborgen in ons hart (Joh.6:45). Ervaren we dat, dan is Hij Koning en Heer in en op Zijn tijd ook door ons.


JEZUS LEERDE NIEUW DENKEN

Als eerste leerde Jezus volledig nieuw te denken en te leven. Voordat Hij in Bethlehem geboren werd, was Hij "in de gestalte van God, aan Hem gelijk" (Fil.2:6). Hij legde toen die status helemaal af en "heeft Zich ontledigd en is aan de mensen gelijk geworden" (Fil.2:7). Bij God was Hij volledig God, tot de mensen kwam Hij als volledig mens, in een vlees aan dat van de zonde gelijk (Rom.8:3b). Hoe gebeurde dat?

"Maria bleek zwanger te zijn uit de heilige Geest" (Mat.1:18). "De kracht van de Allerhoogste had haar overschaduwd" (Luc.1:35a). En daarom zou, wat in haar verwekt was, uitgroeien tot Zoon Gods. Uit dorre aarde (=het "vlees") zou Hij door de Geest opschieten als Boom des levens en knecht des Heren worden (Jes.52:13, 53:2). Hij zou op aarde zijn zoals Hij in de hemel was: Woord van God, Zoon Gods, hemelse Koning, maar dan in een overwonnen vlees (Joh.17:2).

Als baby was Hij Zich daar niets van bewust. Wie Hij was, zou Hij gaandeweg ontdekken. Hij zou, net als wij, eerst in het natuurlijke en later in het geestelijke, alles moeten leren (Jes.50:4, vgl.1Cor.15:46). Hij groeide op, werd krachtig, nam toe in wijsheid, in grootte en genade bij God en mensen (Luc.2:40,52).

Jozef en Maria hebben Hem ongetwijfeld veel verteld over de God van Abraham, over Mozes, en over Jozua naar wie Hij was genoemd. Zij zullen Hem veel geleerd hebben over koning David, hun stamvader, over Jeruzalem, de tempel, de wet en de feesten van de Heer. Er staat immers: "U zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer u in uw huis zit, wanneer u onderweg bent, wanneer u gaat liggen en wanneer u opstaat" (Deut.6:7).

In de synagoge leerde Hij de psalmen zingen en hoorde Hij voorlezen uit de thora en de profeten, waarvan Hij als kind grote gedeelten uit het hoofd moest leren. Hij leefde gehoorzaam onder de wet van het oude (Gal.4:4) en was in alles onderdanig aan ouders en oversten (Luc.2:5, Heb.5:8).

Toen de tijd daarvoor rijp was, heeft Jozef Hem ongetwijfeld ook iets verteld over wat er rond Zijn geboorte was gebeurd: over die tocht naar Bethlehem, waar Hij in een stal ter wereld kwam, over de herders, aan wie engelen waren verschenen, de ontmoeting met Simeon en Anna in de tempel, de wijzen uit het oosten, de vlucht voor Herodes! En ook Maria heeft vast wel iets prijsgegeven van het geheim, dat zij al zo lang in haar hart had bewaard: over Gabriël, die haar verschenen was en hoe Hij aan Zijn naam was gekomen. Dat alles bij elkaar bewerkte een bewustwording, die Hem niet alleen moet hebben verwonderd, maar die Hem intens deed verlangen om God, Zijn Vader, te kennen en welgevallig te zijn (Ps.40:8-9).

Tegelijk was ook Deze met Hem bezig. God maakte Hem tot Zijn leerling (Jes.50:4a). Dat was nieuw! Jezus leerde niet alleen van mensen, ook van de Vader. Elke morgen wekte Hij door Zijn Geest Hem het oor, van de ene zonsopgang in Zijn binnenste tot de volgende.

Zo leerde de Vader Hem als eerste nieuw denken (Jes.50:4b). De wet? In Zijn besneden hart! (vgl. Rom.2:29). "Vader, uw wet is in Mijn binnenste" (Ps.40:8). De tempel waar God woonde? Zijn lichaam! (Joh.2:19-21, 1Cor.6:19). De Vader aanbidden? Niet alleen met rituelen thuis of in een gebouw, maar vooral in geest en in waarheid (Joh.4:23). Waarom al die offers, als gehoorzaamheid veel beter is? (Ps.40:7). Zo kreeg alles wat Hij om zich heen zag, een hemelse dimensie en inhoud in Zijn leven. De Vader gaf Hem nieuw denken. Alles werd in Hem verhoogd, vervuld.

Zo ging Hij ontdekken wie Hij was en dat er in de profeten over Hem was geschreven. Hij werd Zich bewust, waarom Hij in de wereld was. Steeds sterker werd de wil om volmaakt gehoorzaam aan Zijn Vader te blijven. "Zie, Ik kom; in de boekrol is over Mij geschreven; Ik heb lust om Uw wil te doen" (Ps.40:8).

Hoe kun je zo’n weg gaan, als je op jezelf en op eigen gevoelens blijft letten? Onmogelijk! Daarom staat er, dat Hij van meet af aan Zijn ziel uitgoot (Jes.53:12). De NBG-vertaling zegt, dat Hij Zijn leven uitgoot, maar er staat nephesh, ziel, gevoelens. Vanaf het moment dat Hij kon kiezen, deed Hij niet wat Hij voelde, maar wat de Vader wilde en zei (Jes.7:15, Joh.6:38). Hij legde alles neer, niet alleen Zijn menselijke verlangens en Zijn eigen wil, ook het oude denken. Hij werd volkomen doof en blind voor alles wat niet uit de Vader was (Jes.42:19). Zo werd Hij een volkomen toegewijde Nazireeër Gods, die in nieuwheid had leren leven, zoals nog nooit iemand dat had gekund: volmaakt naar Gods wil, onder Zijn Geest, zonder ooit één keer te zondigen (Rom.8:3).

Zo was Hij opgegroeid tot vlekkeloos Lam Gods, dat de zonde van de wereld zou wegnemen. Hij dacht nieuw, was nieuw en leefde nieuw, met goddelijke beheersing over het vlees. Hij was nu Zoon, waarin Gods koningschap en koninklijke waardigheid was neergedaald. Toen vertrok Hij uit Galiléa naar de Jordaan, een voetreis van meer dan honderd kilometer, om Zich door Johannes te laten dopen.


DIT IS MIJN GELIEFDE ZOON

Met deze gebeurtenis markeerde Jezus openlijk Zijn volledige overgang van onder de wet naar onder de Geest. En toen de "duif" op Hem neerdaalde om op Hem te blijven, verklaarde de Vader Hem in het openbaar tot Zoon. "Een stem uit de hemel zei: Dit is Mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik Mijn welbehagen heb" (Mat.3:17, Joh.1:32-33). Gods Zoon! Hij was niet langer Jood onder de wet, maar vrije Zoon (Mat.17:26). Hij was overgegaan van de letter van de schrift naar de geest ervan, van vorm naar inhoud, van schaduw naar realiteit, van natuurlijk naar geestelijk, van menselijk naar goddelijk. Jezus van Nazareth had Zich als Zoon des mensen "bekeerd" van al het oude. Hij was nu "dertig" jaar oud, klaar om aan Zijn koninklijke taken te beginnen als Zoon van God, .

Het getal dertig duidt op (geestelijke) volwassenheid. Jozef was dertig, toen hij onderkoning van Egypte werd (Gen.41:46). David werd ook koning op die leeftijd (2Sam.5:4). Priesters gingen dienst doen op hun dertigste (Num.4:3). "En Hij, Jezus, was, toen Hij optrad, ongeveer dertig jaar" (Luc.3:23).

Daarna begon Jezus leerlingen om Zich heen te verzamelen. Het werden er "twaalf" (het bijbelgetal van roeping tot koninklijk priesterschap). Meteen begon Hij hen te leren, wat Hij van de Vader had ontvangen (Mat.5:2). Hij sprak tot hen over de nieuwe mens, die arm van geest is, zachtmoedig, treurend om onrecht en dorstend naar gerechtigheid. Die mens is barmhartig en rein van hart, vredelievend, blij zelfs als hij moet lijden om de gerechtigheid (Mat.5:2-12). Dat was geen theologisch lesje. Wat Hij zei, was wat Hij had doorleefd. Zo was Hij door de Vader gevormd en zo zou Hij Zijn leerlingen ook maken (Mat.5:13-16).

Hij leerde hen dus meteen al om nieuw te denken. Tot zeven keer toe zegt Hij: "Jullie hebben gehoord, dat tot de ouden gezegd is: ‘Gij zult niet ...’, maar Ik zeg u...! Jullie lieten je tot op heden leiden door traditie, wetten, voorschriften van mensen en bepalingen van leiders, maar dat zijn zware jukken die drukken, roeden van drijvers en schoenen die stampen. Kom nu tot Mij en leer van Mij, want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht" (Mat.5:17-48, Jes.9:3-4, Mat.11:30).

Wat is Zijn zachte juk, Zijn lichte last? Het is de Heilige Geest op ons leven, die hetzelfde in ons wil bewerken, wat Hij in Jezus deed. Als wij doen wat Hij zegt, gebeurt er, "wat bij mensen onmogelijk is, maar mogelijk bij God" (Luc.18:27): dan maakt Hij ook ons door Zijn Geest onberispelijk en volmaakt, zoals de hemelse Vader volmaakt is (Mat.5:48, vgl. Op.14:4-5). Het is bijna niet te bevatten, maar waar!

Dan besluit Jezus de rede tot Zijn leerlingen op de berg met een derde gedeelte over wat Hij had geleerd van de Vader. Dat gaat over de nieuwe wijze van leven: over nieuw liefdegaven geven, nieuw bidden en vasten, over de nieuwe schat, over de nieuwe rijkdom in de geest, over het fundament en de nieuwe weg ten leven naar het nieuwe Koninkrijk (Mat.6:1-7:29).

Wat dronken zij Zijn woorden in! Het waren verkwikkende woorden van geest en leven. Het was levend water (Joh.6:63, 68). Zo waste Hij Zijn discipelen schoon van al het oude denken, iets, wat Hij hen later ook zou zeggen: "Jullie zijn rein (Gr. katharos=schoon) om het woord, dat Ik tot u gesproken heb" (Joh.15:3). Het was nog maar een begin, want de Helper, de Heilige Geest, die de Vader zenden zou in Zijn naam, zou hen alles leren en hen te binnen brengen, wat Hij hun gezegd had (Joh.14:26). En dat is nu precies, wat Hij als levendmakende Geest ook nu doet in al Zijn "144.000" eerstelingen (Op.14:4).


GOD WAS MET HEM

De "twaalf", die Hem gegeven waren, waren Zijn eerste zorg (Joh.17:6-19). Met hen ging Hij het hele land door, "weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren. God was met Hem" (Hand.10:38).

Daarom kon Hij voor iedereen, die tot Hem kwam, zo’n geweldige zegen zijn. Als een waar Hebreeër (Heber=doortrekker) trok Hij van plaats naar plaats om Zijn naam volledig waar te maken: Jeshuah, Jahweh verlost! Wie Zijn woorden met een onbevooroordeeld hart hoorde, ervoer aionisch leven, leven van het verborgen koninkrijk, leven in geest en waarheid, nieuw leven, leven van boven, leven in vrijheid (Joh.5:24, 6:68).

Dat leven brengt Jezus ook hier en nu, overal waar Hij kan spreken. Dan maakt Hij waarlijk vrij, van al het oude (1Cor.15:45, 2Cor.3:17, Gal.5:1, 13, Joh.8:36). Wat houdt dat in?

Er worden in de NBG-vertaling verschillende synoniemen gebruikt voor vrijmaken: bevrijden, verlossen, loskopen. Hier volgt een zeer beknopte selectie:

Hij bevrijdt Zijn volk van "Egypte" (Ex.8:23), van de koning van "Babel" (Jer.42:11), van al haar belagers (Richt.3:9, Jer.1:19). Hij bevrijdt Sion’s gevangenen en de ten dode gedoemden (Ps.102:21-22) uit "brandende ovens" en "leeuwenkuilen" (Dan.3:17, 6:27).

Wie bij Hem schuilt, verlost Hij uit alle nood en benauwdheid (Gen.48:16, 1Kon.1:29, Ps.37:40). Hij verlost uit alle zonden door Zijn bloed en dus ook van de komende toorn (Rom.6:18, 8:2, Op.1:5, 1Thes.1:10). Hij verlost uit de macht van donkerheid en duisternis (Jes.29:18, Col.1:13).

Maar dan! Hij koopt de Zijnen los van de dood, die "in Adam" in de wereld heerst (Hos.13:14), van alles "van beneden", van onze lage denkwijze, van ons aangeboren onbenul van geestelijke realiteiten en van onze aardsgezinde en aardsgebonden godsdienstbeleving. Hij maakt los van al het oude, dat bindt en maakt alles nieuw en vrij door Zijn Geest (Op.21:5). Hij doet hen "terug wandelen naar Sion op een gebaande, heilige, opgaande weg", waar zij komen te staan bij het Lam als eerstelingen voor God. Zij hebben een nieuw lied in hun hart: "Wij zijn losgekocht van de aarde!" (Jes.35:8-10, 62:10-12, Op.14:1-5). Vervuld is dan: "De vrijgekochten van de Heer zullen terugkeren en met gejubel in Sion komen; eeuwige vreugde zal op hun hoofd zijn, blijdschap en vreugde zullen zij verkrijgen, maar kommer en zuchten zullen wegvluchten" (Jes.35:10). Vrijgekocht! Helemaal vrij, in het vrije Jeruzalem! (Gal.4:26)! Terug in het paradijs! (Op.2:7). Maar nu als vrije zonen! (vgl. Mat.17:26). Zij juichen: "Al mijn bronnen zijn in u, hemels Jeruzalem!" (Ps.87:7).

Zij laten zich door niets meer leiden wat "van beneden" is (Rom.8:14). Niets van mensenkracht en menselijk vernuft bepaalt nog hun leven in de geest (Zach.4:6). Zij zijn gehecht aan de ware Wijnstok en drinken Zijn levenssappen in (Joh.4:10). Al hun bronnen zijn in Hem. God is voor hen El-Shaddai (=één van Zijn namen), die "in alle behoeften naar Zijn rijkdom heerlijk voorziet in Christus Jezus" (Fil.4:19).


DE GROOTSTE IN HET KONINKRIJK DER HEMELEN

Dat de vernieuwing van denken tijd vergt, blijkt uit het volgende. Ondanks dat de Heer Zijn discipelen al zó veel had verteld en laten zien van het Koninkrijk der hemelen, vroegen zij Hem: "Wie is de grootste in Uw Koninkrijk?" (Mat.18:1). De moeder van Jacobus en Johannes kwam daar later op terug en "vroeg aan Jezus, of haar twee zoons rechts en links van Hem mochten zitten in Zijn Koninkrijk. Hij antwoordde: ‘U weet niet wat u vraagt. Dat staat niet aan Mij te geven, maar het is voor hen, voor wie het bereid is door Mijn Vader" (Mat.20:20-24).

Deze vragen gaven blijk van nog onveranderd denken hierover. Jezus, die nieuw dacht, riep hen bij Zich. Hij zei: "In de wereldorde oefent de één macht uit over de ander. Daar is de redenatie: in mijn koninkrijk ben ik, de koning, de grootste, dan die, dan die en die, want de één staat boven de ander" (naar Mat.20:25).

"Maar zo is het onder u niet. Wie groot wil worden, zal klein moeten zijn". Hij keek om Zich heen, zag een kind en nam het bij Zich. Het was geen huios (=zoon), geen teknon of pais (=kind), maar een paidion: een héél klein kind, een zuigeling. "Hij plaatste dat in hun midden en zei: Als u niet wordt als dit kind, zult u het Koninkrijk der hemelen zeker niet binnengaan" (Mat.18:2-3).

De boodschap is duidelijk: om het Koninkrijk van God te zien en te ervaren, moeten wij zuigeling worden bij de Vader, bij El-Shaddai (=moederborsten). Het koningschap Gods is uit God en wie uit Hem drinkt, is groot in koningschap. Jezus zegt: "Zulke zuigelingen zien voortdurend het aangezicht van Mijn Vader in de hemel".


DE TEGENSTAND

In ons is echter ook de niet uit God drinkende, eigenwillige oude mens. Dat ik is helemaal niets in Gods Koninkrijk, behalve dan een vijand voor het "uit God drinkende kind". Het is de verleider tot zonde. In het Grieks staat, dat hij een skandalon is, een valstrik. Hij tracht het "kind" voortdurend af te trekken van het drinken uit God. De oude mens vertrouwt immers altijd op het vlees. Wee die mens! (naar Mat.18:1-10).

Ieder christen kent de innerlijke weerstand van het ego tegen het kind. Ieders "oude mens" tracht "de zuigeling" te verhinderen om uit God te drinken. Altijd wil het liever voldoen aan het begeren van het vlees. Het zou beter zijn, dat een molensteen om zijn hals werd gehangen en hij verzwolgen was in de diepte van de zee, zegt Jezus (Gal.5:16-17, Mat.18:6). Paulus zegt het zo: de oude mens moet worden gekruisigd, afgelegd (Gal.5:22, Ef.4:22, Col.3:9).

Die tegenstand ervaren "uit God drinkende zuigelingen" ook van buitenaf, van de religieuze, wettische wereld om hen heen. Zij die uit het vlees leven strijden tegen wie uit de Geest aionisch leven oogsten (Gal.6:8).

Dat ondervond Jezus als geen ander. Wat een tegenstand kreeg Hij te verduren van de schriftgeleerden met hun wettische gedachten van de oude ordening en met hun wereldse status! Hoewel Hij niets dan goed deed, probeerden zij Hem voortdurend in een valstrik te lokken om Hem te kunnen uitschakelen (Joh.10:32). Vlak voordat Hij zou sterven riep Hij uit: "Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn. Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, maar jullie hebben niet gewild. Zie, uw huis wordt aan u overgelaten" (Mat.23:37-38).

Zij wilden niet tot Jezus komen, maar bij het oude blijven. Ze wilden geen nieuwe wijn, omdat zij de oude voortreffelijk vonden (Luc.5:39). Zij wilden geen nieuwe tempel zijn, maar een prachtig versierde stenen tempel hebben (vgl. Luc.21:5). "Jullie hebben niet gewild en daarom wordt uw huis aan u overgelaten". Met andere woorden: jullie tempel is niet langer "het huis van de Vader", maar een plaats van menselijke bedrijvigheid. Na Jezus’ kruisiging werd het gescheurde voorhangsel dan ook snel weer gerepareerd en deed men, alsof er niets gebeurd was. Maar Gods zegenende aanwezigheid was geweken.

Jezus zei tegen de "twaalf": "zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook jullie" (Joh.20:21). "De (religieuze) wereld zal ook jullie haten, omdat jullie van een andere orde zijn. Een slaaf staat niet boven zijn heer. Als zij Mij vervolgd hebben, zullen zij ook jullie vervolgen. Dit alles zullen zij jullie aandoen om Mijn naam, want zij kennen Hem niet, die Mij gezonden heeft. Ik heb werken onder hen gedaan, die niemand anders gedaan heeft, en toch hebben zij Mij en Mijn Vader gehaat, zonder enige reden" (naar Joh.15:18-27). "Men zal jullie uit de synagoge bannen, ja, de ure komt, dat een ieder, die jullie doodt, zal menen God een heilige dienst te bewijzen" (Joh.16:1-4).

Ook nu roept Jezus de Zijnen tot Zich uit de "wereld" van de "oude" religieuze structuren, die in stand gehouden worden door mensen en tradities. Hij roept hen uit de ordening van de wet en uit de wereld van "apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars" om hen onder Zijn zalving tot koningen en priesters te maken naar de ordening van Melchizedek. Ook nu zendt Hij hen, zoals de Vader Hem zond. Ook nu worden ze zonder reden gehaat, omdat ze niet meer "van de wereld" zijn en niet meer passen in de één of andere Babylonische structuur. Ook nu worden ze uitgebannen en voor dood gehouden.

Terwijl God iets nieuws doet, blijven alle kerkmuren dus wel overeind. Maar wat er binnen die muren gebeurt, is een teken aan de wand. Al die "huizen" worden centra van menselijke bezigheid. Want tot hen, die niet vergaderd willen worden in geest en waarheid, komt Jezus als een dief in de nacht (Op.3:3, 16:15). Waarom als een dief? Wat zou Hij "in de nacht" willen "stelen"? Hij geeft het antwoord Zelf: "Bedenkt van welke hoogte u gevallen bent. Bekeert u (metanoeo=gaat anders denken) en doet uw eerste werken. Zo niet, dan kom Ik tot u en Ik zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, als u zich niet bekeert" (metanoeo, Op.2:5).

Als Hij de kandelaar wegneemt, is er geen "licht van de olie" meer, geen waarheid van Gods Geest. De structuur blijft wel bestaan, maar zonder Gods licht. "De stem van citerspelers en zangers (=geestelijke lofprijzing), van bazuinblazers (aankondigers van nieuwe dingen) zal niet meer in u gehoord worden. Niemand, die enige kunst beoefent (=niemand met een geestelijke bediening) zal meer in u gevonden worden. Geen geluid van de molen zal meer in u gehoord worden (er zal geen meel meer zijn voor het ware Brood des levens). Geen lamplicht zal meer in u schijnen, en de stem van bruidegom (=het Hoofd) en van de bruid (van Christus) zal niet meer in u gehoord worden" (Op.18:22-23). Dan is men niet langer het Huis van de Vader, de Gemeente, maar dan heeft men een gemeente, één van de vele.

Alle samenkomsten, programma’s en activiteiten gaan dus gewoon door, zichtbaar, "in het vlees", oud. Dat verklaart, dat juist uit dát "wereldje" de grootste tegenstand komt tegen ware kinderen Gods. Want "wat het (vrome) vlees denkt, is vijandschap tegen God" (Rom.8:7, letterlijk) en "wat het begeert gaat in tegen de Geest" (Gal.5:17).

Ja, God zal Zijn grote daden verkondigen door een "klein kuddeke" voor Zijn naam, door zonen die Hem toebehoren, door een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie (Luc.12:32, 1Pet.2:9). Zij zijn de "twee getuigen", de "twee profeten", de "twee olijfbomen", de "zonen van olie, die goud van zich doen uitvloeien", de "twee kandelaren, die voor het aangezicht van de Here der aarde staan" (Op.11:4, Zach.4:11-14). Zij volgen het Lam zodanig, dat ook zij voor dood gehouden zullen worden in de "grote stad, die geestelijk genaamd wordt Sodom en Egypte, waar ook hun Here gekruisigd werd" (Op.11:8).

God vergadert Zich dat volk voor Zijn naam. Ieder van hen heeft de roep begrepen, om nieuw te gaan denken, omdat Zijn koningschap onder handbereik is gekomen. Deze roep is van Zijn boodschappers uitgegaan en wordt gehoord door geheiligden uit noord en zuid, oost en west. Die roep kwam niet tot hen door het bestuderen van de bijbel, of door het interpreteren ervan, maar door het horen van de stem van God, die zei: "Gaat nieuw denken en verkoopt al uw oude parels om die éne zeer kostbare parel te kopen: koningschap Gods" (Mat.13:46). Omdat zij, ondanks felle tegenstand, durven te ontgroeien aan wat door mensen is overgeleverd, en omdat zij nu uit God leren, zal Hij hen "stellen tot een licht der volken, om tot heil te zijn tot aan het uiterste der aarde" (vgl. Jes.49:6-7 met Hand.13:47).


STOF VAN UW VOETEN

Jezus zond Zijn "kleinen" uit. Het kan zijn, dat Hij ook u als één van de Zijnen naar anderen zendt, zoals Hij de zeventig uitzond: om op te roepen tot anders denken, omdat het Koninkrijk Gods nabij is gekomen (Luc.10:1,9). Als men u ontvangt, blijf er dan, eet met hen mee, proclameer en maak koningschap Gods duidelijk door er de "zieken" te genezen (Luc.10:8-9). "Maar als u in een stad komt, waar men u niet ontvangt, ga naar buiten en zeg: Ook het stof van uw stad, dat aan onze voeten kleeft, wissen wij af tegen u, maar weet wel, dat het Koninkrijk Gods nabijgekomen is" (Luc.10:10-11).

De genezingen waren tekenen met een boodschap: in Gods Koninkrijk wordt de mens genezen. Het afwissen van het stof van de voeten is ook een teken met een boodschap. Wat betekent stof afvegen in de bijbel?

Stof is alles wat bij de aardsgezinde, uit de hemel gevallen mens "in Adam" hoort (Ps.103:14). God zegt van hem: "Stof zijt gij" (Gen.3:19). Als een "stad" u niet ontvangt, omdat men er aards blijft denken, schud dát stof van wereldse dwaasheid en geestelijke blindheid af (vgl. Mat.23:17, 38 en 39). Laat niets van die "stad" u aankleven. Neem niets van haar aardsgerichte mentaliteit mee. Blijf nieuw denken! Ga uit die "stad" en schud haar stof af! Groei verder in de hemelse realiteiten en in de kracht van het koningschap van God als een getuigenis tegen haar.

Jezus gaf ook aan de Zijnen een taak jegens elkaar wat betreft "het stof aan de voeten". Zij moesten het niet alleen van hun voeten schudden, als ze niet werden ontvangen. Zij moesten ook elkaar de voeten wassen (Joh.13:1-20). Jaren lang had Jezus dat Zelf bij hen gedaan. Hij had hen voortdurend gereinigd van "stof" met het Woord, dat Hij tot hen sprak (Joh.15:3). Vlak voor Zijn sterven bleek "Hij de Zijnen, die Hij in de wereld liefhad, lief te hebben tot het einde" door hun de prachtige, symbolische handeling van de voetwassing te geven (Joh.13:1). "Ik heb jullie een voorbeeld gegeven, opdat ook jullie gaan doen, wat Ik jullie gedaan heb" (Joh.13:15).

Wat moesten zij bij elkaar doen (Joh.13:20, 20:21-23)? Elkaar van "aards stof aan de voeten" reinigen, niet vóór, maar tijdens "maaltijden met elkaar" (Joh.13:2a). Net als hun Heer zouden zij dat doen met "levend water, dat uit hun binnenste zou vloeien" (Joh.7:38). Zij hoorden zich daarbij te "omgorden met een linnen doek" (linnen duidt op rust en is priesterkleding). Nee, het was geen lesje in nederigheid alleen, want dat zouden ze meteen begrepen hebben. Hij zei: "Wat Ik doe, weten jullie nu niet, maar jullie zullen het later verstaan" (Joh.13:7).

Het is duidelijk. Als wij als de Zijnen met elkaar "maaltijd houden" in geest en waarheid en als er "levend water" stroomt, reinigen wij elkaar van "stof", dat ons door onze wandel hier beneden mocht aankleven. Zo blijven wij zuiver "zien". Zo blijven wij onberispelijk, "losgekocht van de aarde" (Op.14:3), los van opvattingen van beneden, zonder leugen (Op.14:1). Zo houden wij Zijn "naam" op ons "voorhoofd" en blijft het nieuwe denken van Christus in ons onaangetast (Op.14:1, Fil.2:5).


VAN OUD NAAR NIEUW

Want weet u: wij zijn, wat we denken (Spr.23:7). En dat denken wordt, bewust of onbewust, bepaald door wat we meekregen van onze ouders en door wat ons geleerd is op school en in de kerk. Iedere gelovige heeft een grote schat aan kennis over de bijbel en christelijke gebruiken meegekregen. Wie nu discipel is geworden van het Koninkrijk der hemelen, heeft dus oude én nieuwe dingen in zich (Mat.13:52): oude ideeën over wat de schrift zegt, maar ook nieuwe gedachten, die hij van de Vader heeft ontvangen.

Wat moet hij daar nu mee doen? "Gaan zitten, het goede verzamelen en bewaren en het oude wegdoen" (Mat.13:48-52). Hij moet innerlijk tot rust komen en alles uitsorteren. Doet hij dat niet, dan blijft hij gelijkvormig aan de wereld en wordt hij niet hervormd door de vernieuwing van zijn denken (Rom.12:2).

Het gaat hier dus om méér dan vergeving van zonden. Tot geloof komen en gered worden kan in één moment en doet ons leven! Maar na vergeving en reiniging zitten we nog met een gigantische bagage aan oude gedachten en gewoonten. Het inruilen van deze lage gedachten voor Gods nieuwe, hoge gedachten kan jaren duren.

Voor het oude, dat eerst goed was en zijn tijd diende, komt nu het nieuwe. Wij worden steeds hechter één geest met de Heer en veranderen door Hem, die Geest is naar Zijn beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid (1Cor.6:17, 2Cor.3:18,5:17). Zo groeien koningskinderen. Zij gaan de koninklijke weg en komen steeds dichter bij de gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon en tot de openbaring van Zijn Koninkrijk en koningschap (2Cor.4:16, Rom.8:23-30).

Bent u zo’n koningskind? Dan ruilt ook u religie in voor het leven met Jezus in geest en waarheid. Steeds meer leringen, halve waarheden, misvattingen en dwalingen zult u leren doorzien. "Oude" bepalingen, ceremoniën, riten en aardse structuren met haar kerkelijke feesten en sacramenten zullen hun bekoring verliezen. Steeds beter gaat u begrijpen, welk een heerlijke genade en "nieuwe" realiteiten er door Jezus Christus zijn gekomen (Joh.1:17). Doordat Zijn Geest u in alle waarheid leidt, treedt het geheimenis in werking, dat u niet zult "inslapen", maar dat u veranderd zult worden (Joh.16:13, 1Cor.15:50-51).

"Daarom: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op vanuit de doden en Christus zal over u lichten" (Ef.5:14). "Word hervormd door de vernieuwing van uw denken" (Rom.12:2). Word hervormd, veranderd! Het Griekse woord, dat Paulus daarvoor gebruikt, is metamorphoo, hetzelfde woord, dat gebruikt is voor Jezus’ verheerlijking op de berg. Jezus werd daar hervormd, veranderd, verheerlijkt (Mat.17:2). Welnu: wij moeten nieuw gaan denken om ook te worden hervormd, veranderd, verheerlijkt! (vgl. Rom.8:27-30). Tot eer van God, de Vader!


EN DAN HET EINDE

Jezus wil ons nieuwe leven worden, om later samen met Hem te verschijnen om de volken der aarde te richten in gerechtigheid (Gal.2:20, Col.3:4, Ps.96:10-13, Op.5:10). Hij komt met de Zijnen om Gods koningschap overal op aarde openbaar te maken (Rom.8:21). Dat is de voleinding van het evangelie van het Koninkrijk, waar de schepping op wacht (Rom.8:19). Dát evangelie moet uitgebazuind worden tot een getuigenis voor alle volken, opdat het einde komen kan (Mat.24:14).

Het Griekse woord, dat hier voor einde is gebruikt, is telos. Het is afgeleid van het werkwoord tello, wat betekent vertrekken voor een bepaald doel. Telos is eindbestemming, einddoel. Het wordt in Mattheus 24 drie keer gebruikt: de verontrustende gebeurtenissen, waar wij van zullen horen, zijn niet het einde (v.6), wie volhardt tot de eindbestemming, zal ongeschonden bewaard worden (v.13, letterlijk). En "dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken en dan zal het einddoel gekomen zijn" (v.14).

Wie gelooft in Jezus is dus op weg gegaan naar een bestemming. Hij moet in zijn hart de weg recht maken voor de Koning en nieuw gaan leren denken! Hef uw hoofd omhoog (Ps.25:7-10, Luc.21:28). Geef uzelf aan de Vader als een Hem welgevallig offer, "zoek en bedenk de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn" (Col.3:1-3). Zo bewandelt u met Jezus de smalle weg naar nieuw leven, onder Zijn juk.

Daarom, kind van God: trek verder, houd u aan de waarheid en groei in liefde in elk opzicht naar Hem toe (Ef.4:15). Wees een gewillige discipel van de Heer, die zich laten leiden tot geestelijke volwassenheid (Rom.8:14, Ef.4:13-14). Laat Zijn koningschap in u komen, tot een getuigenis voor alle volken! Laat het Koninkrijk Gods, dat het eerst openbaar werd in Jezus van Nazareth, komen in u. Aan Zijn koningschap zal geen einde komen. Het zal zich uitbreiden, in de zonen, in de Bruid, in de volkeren, in de ganse schepping, om eeuwig voort te bestaan als nieuwe hemel en nieuwe aarde (Num.14:21, Dan.2:35,44, Jes.65:17, 66:22, Rom.8:18-21, Op.21 en 22).


"Ja Heer, Uw Koninkrijk kome, ook in mij;
Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde, ook in mij ......"
(Mat.6:9-10).



Home page