INLEIDING
In het boek Openbaring lezen we, dat Jezus de sleutels heeft van de dood, van het dodenrijk en van de afgrond (Op.1:18, 3:7, 9:1 en 20:1). Maar in een gesprek met Zijn discipelen gebruikt Hij een andere benaming: de sleutels van het Koninkrijk der hemelen. Er staat:
Hij vroeg Zijn discipelen: "Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?". Ze zeiden: "Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of één van de andere profeten". Toen vroeg Hij: "En wie ben Ik volgens jullie?" Toen antwoordde Simon Petrus: "U bent de Christus, de Zoon van de levende God!"
Toen zei Jezus tot hem: "Simon, je bent te benijden, omdat vlees en bloed je dat niet heeft geopenbaard, maar Mijn Vader in de hemel. Je bent een Petrus (=een man als een rots), en op deze petra (rots) zal Ik Mijn Gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen. Jou zal Ik de sleutels van het Koninkrijk van de hemel (=van hemels koningschap) geven en wat je zult binden op aarde, zal gebonden zijn in de hemelen en wat je zult ontbinden op aarde, zal ontbonden zijn in de hemelen" ( Mat.16:13-19).
Meteen rijzen er een aantal vragen. Aan wie geeft Hij die sleutels? Aan Simon Petrus alleen? Of aan de paus, die de sleutelbewaarder wordt genoemd en wiens kerkelijke titel zo begint: "Plaatsbekleder van Jezus Christus en opvolger van Petrus"? Of zijn ze ook voor anderen bestemd? En waar dienen ze voor? Kun je met sleutels eigenlijk wel binden en ontbinden, zoals er in bovenstaande tekst staat?
HOE ONTVING JEZUS SLEUTELS?
Laten we eerst eens nagaan hoe Jezus aan "sleutels" kwam. Had Hij die al toen Hij als baby op de aarde kwam? Of heeft Hij ze moeten verwerven?
De bijbel is er duidelijk over: Jezus kwam als "mensenzoon". Hij werd mens als wij, geboren in een lichaam aan dat van de zonde gelijk (Rom.8:3). Toen Hij als baby geboren werd uit de maagd Maria, kon Hij niets. Hij moest nog leren praten, leren lopen, leren lezen, leren onderscheiden wat wel en wat niet mocht. Kortom: ook Jezus zou als ieder ander een menselijke groei en ontwikkeling doormaken. Hij kreeg volledig deel aan de menselijke natuur en aan het natuurlijke bestaan.
Psalm 23 noemt het menselijke bestaan op aarde "een dal van diepe duisternis" (Ps.23:4). De Statenvertaling noemt het "een dal der schaduw des doods" en zo staat het ook in de grondtekst. Ja, de Zoon, die door de kracht van de Allerhoogste verwekt was, werd aan de mensen gelijk en daalde af in de sfeer van de dood waarin wij mensen verkeren (vgl.Fil.2:5-9). Hij werd "in doeken gewikkeld", als een dode (Luc.1:35, 2:7, vgl. Joh.11:44 en 20:7, Rom.5:12).
In dit "dal van de schaduw van de dood" werd ook Hij jaar in jaar uit belaagd door de zonde, de veroorzaker van de dood (Rom.6:23). Maar nu het geweldige: Hij stond eruit op. Zodra Hij als kind leerde "het kwade te verwerpen en het goede te verkiezen" begon Hij een steeds groter geestelijk welzijn en geestelijke rijkdom ervaren (Jes.7:15-16). Hij leerde over elke verleiding te heersen door Zich in alles volkomen op de Vader te richten. Nooit gaf Hij aan één verleiding toe. Van kindsbeen af was Hij bezig met de dingen van Zijn Vader, als een gewillige leerling die voor geen enkele consequentie terugdeinsde (Jes.50:4-7, Luc.2:49). In alles deed Hij met blijdschap wat God wilde (Ps.40:8-9). "In alle dingen werd Hij als wij verzocht, zonder ooit te zondigen" (Heb.4:15).
Zo verwierf Hij koningschap over alle vleselijke aspecten van het mens-zijn. Hij zou het later zo zeggen: "Vader, verheerlijk Mij opnieuw (na de kruisdood), zoals U dat ook deed toen U Mij macht gaf over alle vlees (tijdens het aardse bestaan)" (Joh 17:2). Ja, Hij verrees vanuit de "doden" om Hem heen tot de hemelse realiteiten die boven zijn, dertig jaar lang, dag in dag uit (Joh.3:13). Hij nam voortdurend toe in kennis, inzicht, wijsheid en kracht (Jes.11:2, vgl. Joh.1:33, Luc.2:52).
Hij leerde dus consequent om al het kwade dat op Hem afkwam te verwerpen en te kiezen voor het goede (Jes.7:15-16). Zo groeide Hij uit van kind tot jongeman, die alleen dat deed, wat de Vader wilde (Joh.4:34, 5:30). Altijd was Hij op Hem gericht, geen moment verslappend (vgl. Luc.18:1). Hij deed alleen wat Hij van de Vader hoorde (Joh.5:30). Terwijl anderen "van beneden" bleven, werd Hij steeds meer "van boven" (Joh.8:23). Uiteindelijk werd Hij de Opstanding uit de dood en het Leven (Joh.14:6, 11:25).
Na die dertig jaar van voorbereiding (30=geestelijke volwassenheid) verklaarde de Vader Hem tot Zijn geliefde Zoon aan wie Hij alles kon overgeven (Mat.3:16-17, 11:27). Hem werd alles toevertrouwd. In Hem werd de Vader in volheid belichaamd (Col.2:9). Wie Hem zag, zag de Vader (Joh.14:9). Hij kreeg toegang tot alle hemelse rijkdom. "Op Hem bleef de Geest van wijsheid en verstand rusten, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en eerbied voor de HEER" (Jes.11:2, 61:1, vgl. Joh.1:33). Hij zou niet alleen als eerste voortdurend Gods aangezicht zien (zien=kennen, Mat 18:10). Hij ontving ook de sleutels tot de volle rijkdom van God. Dat waren sleutels van geestelijke kennis en inzicht, sleutels van goddelijke wijsheid en van kracht.
Jezus overwon dus eerst zonde en dood in Zijn eigen leven en lichaam (Rom.8:3). Hij stond op tijdens Zijn mens-zijn tot het Leven, dat Hij bij de Vader had eer de wereld was (Joh.17:5). Dat Leven leerde Hij kennen in "een lichaam aan dat van de zonde gelijk". Met de sleutel van David, die ook een man naar Gods hart was, verrees Hij als Koning met hemels koningschap en goddelijke waardigheid (Op.1:18,3:7).
Al die sleutels wil Hij nu doorgeven. Aan wie? Aan wie net als Hij wordt losgekocht van de "aarde" en die het Lam volgt waar Hij ook heengaat (Op.14:3-5). Jezus zegt, dat wie "de wil van de Vader in de hemel doet, ook hemels koningschap zal leren kennen" (Mat.7:21). Hij ontvangt ook sleutels van geestelijke kennis en inzicht, van goddelijke wijsheid en openbaring, ja zelfs sleutels over dood en dodenrijk, tot eer van God de Vader.
WAT DOEN SLEUTELS?
In de meeste vertalingen van de bijbel staat, dat de sleutels van het Koninkrijk der hemelen bestemd zijn om te binden en te ontbinden. Jezus zou immers hebben gezegd: "Ik zal ze je geven en wat je zult binden op aarde, zal gebonden zijn in de hemel en wat je zult ontbinden op aarde, zal ontbonden zijn in de hemel" (Mat.16:19).
We weten dat Jezus vrijmaakt (Jes.61:1). De Vader had Hem met de Heilige Geest en met kracht gezalfd om goed te doen en allen te bevrijden, die door de duivel overweldigd waren (Hand.10:38). Hij maakte zó veel gebondenen vrij, dat het onmogelijk is ze één voor één te beschrijven (Joh.21:25). Deed Hij dat door ze te ontbinden met de sleutels van het koninkrijk der hemelen?
In de laatste decennia namen veel geestelijke leiders aan van wel. Ze geloofden dat ook zij sleutels hadden ontvangen om te binden en te ontbinden. Voor hen was het dé manier om in Jezus' naam boze machten te binden en gebondenen te ontbinden van duivelse banden. En weet u, als er dan gebeden werd, dan gebeurde er in veel gevallen ook echt wat. Het is gewoon zo, dat God het hart aanziet en dat Jezus gebondenen vrijmaakt als er voor bevrijding wordt gebeden, hoe dan ook. Maar zijn daar nu de sleutels van hemels koningschap voor?
Sleutels gebruik je toch niet om iets vast te binden of los te maken. Met sleutels doen we iets op slot of maken we iets open. En zo heeft Jezus het ook bedoeld in het Aramees dat Hij sprak. In de Griekse vertaling daarvan staat er inderdaad deo (=binden), maar Jezus had in het Aramees gezegd: voor verboden verklaren, sluiten. En waar in het Grieks luo (=ontbinden) staat, had Hij gezegd voor toegestaan verklaren, openen. Th. Zahn heeft dat duidelijk aangetoond in "Das Evangelium des Matthäus".
Met sleutels maak je iets dicht of open. Met de sleutel van dood en dodenrijk sluit je alle invloed "van beneden" af. Met de sleutels van het Koninkrijk der hemelen maak je hemelse realiteiten toegankelijk. De gemeente van Filadelfia deed het goed: "Ik ken uw werken en daarom heb Ik een geopende deur voor uw aangezicht gegeven die niemand kan sluiten; want u hebt Mijn woord bewaard en Mijn naam niet verloochend" (Op.3:8).
Dat gold al eerder voor Zijn twaalf leerlingen: "Aan jullie is het gegeven de geheimenissen van het Koninkrijk Gods te kennen" (Luc.8:10). Voor hen zou er een "nieuwe" wereld open gaan met steeds diepere geestelijke schatten voor hier en nu. Want Jezus geeft niet alleen sleutels tot wat Hij is, maar ook tot Zijn onnaspeurlijke en onvergankelijk rijkdom (Ef.3:8, Mat.6:20). Het is de rijkdom van Gods heerlijkheid, heil, wijsheid en kennis (Jes.33:6, Rom.9:23, 11:33). Het is de rijkdom van geestelijk welzijn, vrede en blijdschap. De sleutels tot die rijkdom vertrouwt Hij toe aan mensen die "nieuw" willen denken en handelen. Wat een eer! Wat een verantwoordelijkheid! Blijft iemand echter "oud" van gezindheid en blijft hij werken "in het vlees", dan blijven alle deuren naar de heerlijke dingen die "boven" zijn dicht. Dan blijft hij mens zoals hij was: "van beneden", geestelijk arm, blind en schandelijk naakt (Op.3:17-18).
SLEUTELS VOOR WIE?
Aan wie geeft Hij deze bevoegdheden dus door? De teksten waar we mee begonnen geven de indruk, dat Jezus dat alleen aan Petrus deed. Maar bij nader inzien wordt het duidelijk, dat Hij "de Zijnen" op het oog had, de "twaalf". Hij had gevraagd: "Wie ben Ik volgens jullie?". Petrus, die altijd haantje de voorste was, zei meteen dat Hij voor hem de Christus was, de Gezalfde, de Messias, de Zoon van de levende God (v.16). Jezus richtte Zich toen alleen tot hem, met je en jij en zei, dat hij inderdaad te benijden was, dat de Vader hem dat had geopenbaard. Hij had oren om te horen. Daarom kon en zou hij hemelsleutels ontvangen.
Hij dus alleen? Nee, want Jezus had eerder al gezegd, dat het aan alle twaalf gegeven was de geheimen van het Koninkrijk der hemelen te kennen (Mat.13:11). Niet alleen Petrus wist door openbaring van de Vader, dat Jezus de Gezalfde was. Zijn eigen broer Andréas wist het al, voordat Petrus door Jezus werd geroepen (Joh.1:42). Die man uit Nazareth was volgens alle "twaalf" de Gezalfde Zoon van God, die woorden had van hemels leven (Mat.16:15, 20, Joh.6:63).
Daarom zegt Jezus, twee hoofdstukken verder, maar dan in het meervoud: "Ik verzeker jullie: alles wat jullie op aarde sluiten, zal gesloten zijn in de hemel, en alles wat jullie op aarde openen, zal open zijn in de hemel. Als twee van jullie hier op aarde eensgezind om iets vragen, wat het ook is, dan zal Mijn Vader in de hemel het voor je laten gebeuren" (Mat.18:18-19). Jezus geeft de sleutels van het Koninkrijk der hemelen niet alleen aan Petrus, ook niet aan iedereen, maar aan de "twaalf".
Twaalf is het bijbelgetal van geroepen zijn tot koninklijk priesterschap. Tot de "twaalf" zei Jezus: "Jullie zijn makarios, zalig, te benijden, gezegend, omdat jullie zien en horen: jullie zullen het mysterie van hemels koningschap in jezelf gaan kennen" (Luc.10:23, Mat.13:11,16). Hij had hen biddend uitgekozen en hen aangesteld om Hem te volgen waar Hij ook ging. Ze zouden steeds bij Hem blijven en Hij zou hen uitzenden met een opdracht (Mar.3:14). Hoe? Zoals de Vader Hem had gezonden, namelijk om met gezag het Koninkrijk der hemelen te proclameren (Joh.20:21). Ontmoetten ze onoprechten van hart en lippen, dan hielden ze de deur van het Koninkrijk der hemelen op slot. En voor wie het een lust was om de wil van God te doen, zetten ze die deur wagenwijd open. Daar hadden ze immers de sleutels voor ontvangen, eerst voor zichzelf, maar nu ook voor anderen.
Aan die "twaalf " geeft de Heer zelfs de bediening, de sleutels en het woord van verzoening (vgl.2Cor.5:18-19). Dan worden zij koninklijke priesters, die zich volkomen één maken met het zondoffer (Lev.10:12-20). Er staat dat Jezus tegen hen zei: "Vrede zij met u! Zoals de Vader Mij heeft uitgezonden, zo zend Ik jullie uit. Toen blies Hij over hen heen en zei: Ontvang de heilige Geest. Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven" (Joh. 20:21-23).
WANNEER WERKEN DIE SLEUTELS?
Nu de vraag: hoe en wanneer kan je op aarde iets openen of sluiten met de sleutels van het Koninkrijk der hemelen?
Ook dat is in de Nederlandse vertalingen niet helemaal duidelijk. In de grondtekst staat met betrekking tot de toestand in de hemelen de voltooid verleden toekomende tijd. Met andere woorden: als je zegt een geestelijke deur te openen (op aarde), dan moet die deur in de hemel al open zijn! Eerst openheid in de geest en dan pas doen. Het is net als met tongentaal: je bent bezig met de geheimenissen van God, maar je verstand blijft nog onvruchtbaar (1Cor.14:2,14.) Eerst ontvang je geheimenissen in je hart, om later te gaan beseffen wat ze inhouden. Geestelijk inzicht stijgt van hart naar hoofd. Iets kan pas blijvend effectief zijn, als het eerst "gezien" is in de geestelijke wereld. Jezus zei het zó: "De Zoon kan niets doen vanuit Zichzelf. Hij moet het eerst de Vader zien doen" (Joh.5:19).
In enkele Engelse vertalingen is daar duidelijk rekening mee gehouden: "Whatever you may bind on the earth, shall be having been bound in the heavens. And whatever you may loose on the earth, shall be having been loosed in the heavens" (Young's Letterlijke Vertaling). In een wat moderner Engels: "Whatever you bind on earth, must be already bound in heaven; and whatever you loose on earth, must be already loosed in heaven" (The Amplified Bible).
Jezus zei dus: "Ik zal je de sleutels van het Koninkrijk der hemelen geven. Wat je op aarde tot verboden terrein verklaart en sluit, dat zal eerst al gesloten moeten zijn in de hemel en wat je op aarde toestaat en opent, dat zal eerst open moeten zijn in de geestelijke wereld". Zo sprak en handelde Hij Zelf: "Wat Ik gezien heb bij de Vader, dat spreek Ik" (Joh.8:38). En "wat de Vader doet, dat doet ook de Zoon" (Joh.5:20).
Deze sleutels zijn geestelijke inzichten, openbaringen. Ze bestaan uit wat wij zien (=kennen) in geest en waarheid. We ontvangen ze niet van mensen, maar van de Vader (Mat.16:17). Als Hij laat zien, wat in de hemelen verboden terrein is, geeft Hij gezag om dat ook op aarde te sluiten. "Als wij rechts of links zouden willen gaan en wij horen: dit is de weg, wandel daarop" (naar Jes.30:21). Dan worden er mogelijkheden geopend, die niemand kan sluiten. En wat geeft dat een zekerheid! Het geeft ons een rotsvast weten op grond van goddelijke openbaring.
Omdat Petrus en de andere discipelen dat kenden, waren zij te benijden en gezegend. Zij waren allen door God onderwezen en waren daarom tot Jezus gekomen (Joh.6:45). En dat zou zo blijven: ze zouden niet handelen op wat ze van mensen, maar op wat ze van de Vader in de hemel zouden horen. Dat is het fundament, het rotsvaste weten in geest en waarheid, waarop Jezus Zijn Gemeente bouwt (Mat.16:17-18). Wie dat kent is één van de schapen die Hem, de Goede Herder, volgen waar Hij ook heen gaat: zij horen Zijn stem (=openbaring) en volgen Hem naar de levensrivier uit God en naar de groene weiden buiten de schaapskooi, waar zij Leven ervaren in overvloed (Joh.10:1-10).
"Vreemden" en "huurlingen" zullen ze zeker niet volgen, maar van hen weglopen (Joh.10:5). Die zijn alleen uit op hun eigen belang (Joh.10:10). In Ezechiël worden ze uitgebreid beschreven: ze willen het vet en de wol van de kudde en heersen er over met hardheid en geweldenarij,zo dat de hele kudde verstrooid wordt en aan het dwalen raakt (Ez.34:1-6).
In Jezus' dagen had je ook zulke "herders". Ze hadden de reputatie geleerden van de schrift en van de wet te zijn. Het volk aanvaardde hen als zijnde de geestelijke leiders en leraren van Israël. Maar door hun traditionele aardse instelling zagen zij niet, dat de schrift en de wet van Jezus getuigden. Diens Waarheid paste niet bij hun waarheid. Bovendien hechtten ze veel waarde aan status en wilden graag gezien en gehoord worden. Hun tempeldienst in een zichtbaar bouwwerk vonden zij belangrijker dan Gods Huis in geest en waarheid (Mat.15:2-6). Zij wilden hun aardse interpretatie over de komst van de Messias niet inleveren. Zodoende gingen ze aan Hem voorbij en namen de sleutel van kennis weg. En dat niet alleen. Ieder die wel het Koninkrijk der hemelen wilde binnengaan probeerden ze zelfs tegen te houden (Luc.11:52).
Jezus is de Goede Herder. Hij leidt de Zijnen van zulke leidslieden weg. Hij zegt: "Kom bij Mij, onder Mijn juk en leer van Mij (Mat:11:28-30). Laat Mij tot je spreken. Blijf bij Me, met Mij verkleefd (Psalm 63:9). Dan zal de HEER je uitgang en je ingang bewaken (niet: bewaren) van nu aan tot in eeuwigheid (Psalm 121:8). Hij is dan wakend (vers 3-5) en beschermend bij je (vers 6-8). Zo zul je alles leren (Joh.14:26). Bekeer je daarom, ga nieuw denken, want het hemelse koningschap is onder handbereik gekomen. Laat Gods hemelse koninkrijk in je komen, hier op aarde, nu (Mat.6:10).
OP DEZE ROTS
De Gemeente van Christus kan niet worden gesticht door mensen, op grond van wat men intellectueel weet van de bijbel of op grond van wat mensen zeggen, of het nu theologische kennis is of één of andere filosofie. Jezus bouwt Zijn Gemeente. En Hij bouwt die op kennis van de waarheid die uit God is. Alleen verstandelijke kennis is niet voldoende. "Als openbaring ontbreekt, verwildert het volk" (Spr.29:18). Dan komt Gods volk in een neerwaartse spiraal terecht door gebrek aan ware kennis (Hosea 4:6). De religieuze beleving van wat er in de bijbel staat wordt dan steeds menselijker, aardser en wereldser. Er ontstaat dan geestelijke dorheid, verwarring en twist over alles en nog wat. Dan is de stad van God niet uit de hemel aan het neerdalen op aarde en Zijn koninkrijk niet aan het komen in de harten van mensen op aarde (vgl. Op.21:10 met Mat.6:10). Dan komt er een aardse namaak van de grond als een "stad" met een "toren", waarin allerlei onzuiverheden en onreinheden liggen verscholen (Op.17:2-3).
Als wij net als Petrus en de andere apostelen geestelijke kennis verkrijgen door openbaring van de Vader, dan zijn ook wij makarios (=zalig, gezegend, te benijden). Dan ontvangen ook wij sleutels voor meer inzicht, want wie heeft, hem zal gegeven worden (Mar.4:24). Dan maken wij ook deel uit van "de twaalf", van de geroepenen die samen de Rots vormen waarop Jezus Zijn Gemeente bouwt. Die hemelse "stad van shalom" heeft namelijk "een muur met twaalf fundamenten en daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam" (Op.21:14). Dat is het huis van God wordt, dat gebouwd is op het fundament van apostelen en profeten, die het Lam hebben gevolgd (Ef.2:19-22).
Johannes zag, dat het "nieuwe Jeruzalem" uit de hemel aan het neerdalen was, van God (Op.21:10). Ze was getooid als een stralende Bruid (Op.21:2). Ze had de heerlijkheid van God met een licht als van een kristalheldere "diamant" (Op.21:11). De "stad" was zuiver "goud", als zuiver "glas", met een "muur" van "diamant" en "twaalf" "paarlen poorten"(Op.21:18). En nu de "fundamenten" waarop Christus Zijn Gemeente bouwt: ze waren versierd met "edelstenen", die lagen te fonkelen in het licht van Gods heerlijkheid, als kostbare openbaringen van de veelkleurige kennis en wijsheid Gods (vgl. Op21:19,23, Ef.3:10-11).