Home page



Het Koninkrijk Gods
zien en het binnengaan

"Tenzij iemand wederom geboren wordt,
kan hij het Koninkrijk Gods niet zien" (Joh.3:3)

"Tenzij iemandgeboren wordt uit water en geest,
kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan" (Joh.3:5)



ZIEN WIJ HET KONINKRIJK GODS?

Jezus verscheen na Zijn kruisdood veertig dagen lang aan Zijn discipelen met veel kentekenen (tekmerion=onweerlegbare bewijzen) om met hen te spreken "over al wat het Koninkrijk Gods betreft" (Hand.1:3).

Hij had er al vaak over gesproken, in gelijkenissen (Mat.13), met woorden van genade en eeuwig leven (Luc.4:22, Joh.6:68). Maar wat hadden zij er weinig van begrepen (Joh.6:63). Zij konden de realiteiten van het Koninkrijk der hemelen eenvoudig nog niet zien (Marc.8:13, Joh.3:10).

Zij zouden dat wél kunnen, als zij daartoe de geestelijke dunamis (=het inherente vermogen, macht, kracht) zouden hebben ontvangen. Vlak voor Zijn hemelvaart gebood Jezus hun dan ook niet uit elkaar te gaan, voordat zij gedoopt zouden zijn met Zijn Geest (Hand.1:4-5). Hij zei: "Gij zult kracht (dunamis) ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt en dan zult gij Mijn getuigen zijn" (Hand.1:8).

Waarvoor zouden zij dus kracht ontvangen? Om wonderen te doen? Om energiek te gaan evangeliseren? Zeker ook wel! Maar in eerste instantie zouden zij het vermogen ontvangen om de Heer te leren verstaan en Hem te zien. Zij zouden Zijn getuigen zijn, ooggetuigen. "Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet meer, en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien" (Joh.16:16). Ze zouden Hem leren zien als Lam op de troon in koninklijke waardigheid (Op.5:6, Mat.16:28), als Koning in het Koninkrijk Gods (Op.17:14, 22:1).

Van nature is ieder mens blind voor die Koning en Zijn Koninkrijk, zelfs de discipelen die drie jaar lang bij Hem waren geweest en Zijn woorden hadden ingedronken. Wat dachten ook zij nog ongeestelijk! Steeds weer pasten zij wat Jezus zei over het Koninkrijk der hemelen toe op hun aardse situatie en bleven denken aan het herstel van Davids koninkrijk in Israël.

Zij hadden toch de Messias gevonden, de Christus, de Zoon van de levende God (Joh.1:41, Mat.16:16). En Die, dachten ze, zou de Romeinse overheersers verdrijven, Zich in Jeruzalem vestigen op de troon van David als koning van Israël en de natie tot een licht maken tot het uiterste der aarde! En hoewel Jezus had gezegd: "Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld, niet van hier" (Joh.18:36) en vaak had gesproken "over al wat het Koninkrijk Gods betreft" (Hand.1:3), vroegen ze Hem na Zijn verrijzenis tóch weer: "Herstelt u in deze tijd het koningschap voor Israël?" (Hand.1:6).

Hun oog was nog niet zuiver. Zij interpreteerden Zijn Woord nog natuurlijk, menselijk, aards. Zelfs Simeon "verwachtte de vertroosting van Israël" (Luc.2:25). En ook de profetes Anna sprak over Jezus als de Messias "tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten" (Luc.2:38). Zelfs zij konden de geestelijke realiteiten, waarvan de profeten getuigden, (nog) niet zien. Zij hadden het vermogen (de dunamis) daartoe eenvoudig nog niet ontvangen. Iedere gelovige Jood in Jezus' dagen zag uit naar een koningschap in hun land, Israël.

Maar Jezus sprak steeds over het Koninkrijk der hemelen. En toen "Hij merkte, dat ze Hem met geweld zouden meevoeren om Hem koning te maken, trok Hij Zich terug in het gebergte, geheel alleen" (Joh.6:15). Hij wilde geen koning van Israël worden, om de macht van de Romeinen over te nemen. Hij zou zich zelfs door Pilatus ter dood laten veroordelen, een Romein, die Hem zou vragen: "Bent u dus toch een koning?" (Joh.18:37).

Ja, Hij is Koning, maar dan in het Koninkrijk der hemelen. Zijn koningschap is van een veel hogere orde dan het koningschap over een aards rijk. Het lijkt, alsof de profeten spraken over een koninkrijk in Israël alleen, omdat zij in aardse termen en uitgaand van hun eigen omstandigheden Gods hogere gedachten verwoordden. Zij getuigden van hemelse, eeuwige realiteiten in aardse, tijdelijke begrippen. Wat zij doorgaven zouden zij in het oude verbond dan ook "niet verkrijgen, omdat God iets beters met ons voor had", in het nieuwe verbond, door Zijn Geest, in geest en waarheid (Heb.11:39-40,1Pet.1:10-12).

In het oude verbond is de benadering dus steeds in aardse beelden (Heb.12:18-21). Maar in het nieuwe naderen wij tot realiteiten in geest en waarheid, "tot de berg Sion, tot het hemelse Jeruzalem, tot engelen, tot de eerstgeborenen die ingeschreven zijn in de hemelen, tot God (die geest is), tot de geesten der rechtvaardigen die de voleinding bereikt hebben" (Heb.12:22-23), tot de hemelse Koning, tot het Koninkrijk der hemelen.

Het Koninkrijk der hemelen is oneindig veel hoger en grootser dan welk aards koninkrijk ook. God is er de Opperkoning over alle creatuur. Jezus is er de Koning der koningen, de zonen Gods de troon. De ware Gemeente is er de hoofdstad, het levende Woord de rivier. De levenswandel, die God welgevallig is, is er de straat van goud. Niets komt er tot stand door menselijke inspanning. Niets staat er in het licht van zon of maan, of van menselijk vernuft, want de heerlijkheid Gods is er het licht en de lamp is het Lam (Op.21:23). Alles is er als goud en glas: goddelijk, hemels, nieuw, geestelijk, waar, zuiver, helder. Het zien en het binnengaan ervan, kan alleen door geboren te worden uit Woord en Geest (Joh.3:3-5), want vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven. Het vergankelijke beërft nu eenmaal de onvergankelijkheid niet (1Cor.15:50).

Iedereen blijft blind voor het Koninkrijk Gods, als hij niet eerst als geestelijk wezen wordt geboren. "Tenzij iemand van bovenaf geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien" (Joh.3:3). En "tenzij iemand geboren wordt uit water en geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan" (Joh.3:5). Een ongeestelijk mens ziet namelijk niets van wat van de Geest Gods is (1Cor.2:14).

Daarom geldt ook nu: "Bekeert u (=gaat anders, hoger denken) want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen" (Mat.3:2). Bekeert u van menselijk religieus denken tot de geestelijke denkwijze die van Christus is (Fil.2:5). Bedenk de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn (Col.3:2). Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.



VAN BOVENAF GEBOREN

Wie van boven geboren wordt uit water en geest, zal het zien en kan het binnengaan, hier en nu, in het eeuwige heden.

Het door Jezus gebruikte woord voor geboren worden (gennao) betreft de gehele geboortecyclus van verwekking tot en met baring (vgl. genesis=wording, ontstaan). Gennao is dan ook vertaald als verwekt worden (Mat.1:20, Luc.1:35, Hand.13:33) en als geboren worden (Joh.3:3,5). En Jezus gebruikt niet het woord wederom, maar van bovenaf (Gr.: anothen).

Nicodémus, een vooraanstaand leraar en geëerd lid van het Sanhedrin, ging eens naar Jezus toe. Hij deed dat 's nachts, omdat hij niet met Hem gezien wilde worden (Joh.3:1,10). Het eerste wat hij zei, was: "Rabbi, wij weten, dat u van God gekomen bent als leraar, want niemand kan die tekenen doen, die u doet, als God niet met Hem is" (Joh.3:2). Hij erkende Jezus' wondertekenen dus wel, maar doorzag ze ook?. Zag hij, dat ze verwezen naar het Koninkrijk der hemelen?

Jezus uitte toen de meest fundamentele waarheid wat het Koninkrijk der hemelen betreft: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand van bovenaf geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien" (Joh.3:3). Nicodémus moet verbijsterd zijn geweest. Het leek wel een belediging!

Want als gelovige Jood kende hij de term het Koninkrijk Gods van jongs af aan. Hij meende er deel van uit te maken! Joden waren immers het volk van God, Israël Gods rijk! En nu zei deze timmerman uit Nazareth hem recht toe recht aan, dat, als hij niet van boven verwekt en geboren was, hij Gods rijk niet eens kon zien.

Verward vroeg hij toen: "Hoe kan iemand nu voor de tweede keer uit de moederschoot geboren worden?" (Joh.3:4). Toen zei Jezus, in het geheel niet verbaasd over zoveel onbegrip: "Voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan" (Joh.3:5). Nicodémus, die wel uit een Joodse moeder was geboren, kon het niet alleen niet zien, maar ook niet binnengaan. Hij was nog niet geboren uit God, uit water en geest.



HET KONINKRIJK DER HEMELEN ZIEN

"Voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand van bovenaf geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien" (Joh.3:3).

Zien duidt in de bijbel op kennen, weten. "Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien" (=kennen, Mat.5:8). Het oog staat voor geestelijke onderscheiding. Als dat zuiver in ons is, is alles in ons zuiver (Luc.11:34). Na veel loutering kreeg Job inzicht en riep uit: "Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd" (Job 42:5). En Jezus zei tot Zijn discipelen, toen zij iets gingen begrijpen van wat Hij zei: "Uw ogen zijn zalig, omdat zij zien" (Mat.13:16).

Zien is kennen. "Zalig de reinen van hart". Reinen van hart richten zich in alles op God (Ps.40:9), verlangen ernaar Hem te kennen (Hos.6:3), Zijn liefelijkheid te aanschouwen (Ps.27:4), Hem te zien van aangezicht tot aangezicht (1Cor.13:12).

Dat is heel iets anders dan het zien met natuurlijke ogen. Veel mensen zagen Jezus zonder Hem ooit echt te hebben gekend (Joh.7:25-29). Zij ontmoetten Hem wel, maar zagen niet dat Hij de Christus was (Mat.13:55). Ondanks Zijn wondertekenen raakten zij niet met Hem bekend (Joh.6:26). Zij eisten zelfs, dat Hij ter dood zou worden gebracht.

Hem zien is Hem persoonlijk kennen. Jezus zei tot de Zijnen: "Ik zeg u: Er zijn sommigen onder degenen, die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken, voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in Zijn koninklijke waardigheid" (Mat.16:28). Zij zouden Hem zien komen als Koning. Zij zouden het Koninkrijk Gods zien komen (Luc.9:27), Hem zien en kennen als Koning in hun diepste wezen. "Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord bewaren en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen" (Joh.14:23). "Nog een korte tijd en jullie zullen Mij zien" (Joh.16:16).

Als wij van bovenaf geboren worden, gaan trouwens ook andere geestelijke vermogens functioneren. Wij zullen niet alleen God zien (vgl. Heb.11:27), én het Koninkrijk der hemelen (Joh.3:3), én de geheimenissen ervan (Mat.13:11), én "de heiligen en getrouwen in den lande" (=het Koninkrijk, Ps.16:3, 101:6), maar ook Jezus kunnen aanraken en ervaren, dat er geen grenzen zijn aan Zijn macht. Wij leren ook Zijn stem verstaan, want "Mijn schapen horen naar Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij" (Joh.10:27). En hoe heerlijk is het te proeven, dat de Heer goed is (Ps.34:8), als wij aan Zijn tafel eten en drinken in Zijn Koninkrijk (Luc.22:30). Zo leren wij waarnemen, "wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, ja alles wat God bereid heeft voor wie Hem liefhebben" (1Cor.2:9).



HET KONINKRIJK DER HEMELEN BINNENGAAN

Net als het oude volk Israël kennen ook wij een uitgang (uit Egypte, wat een beeld is van het vleselijke), een reis (door de woestijn van oase tot oase) en een ingang (in het beloofde land, wat een beeld is van het Koninkrijk Gods). Op die tocht van uitgaan tot en met binnengaan belooft de Heer ons te bewaren van nu af aan (Ps.121:8).

Eerst dit: binnengaan is méér dan zien. Mozes mocht het beloofde land vanaf de berg Nebo zien (Deut.32:49, 34:1-4). Hij was een man Gods, die de Heer gehoorzaam had gediend. Maar omdat hij de Heer ten aanschouwen van het weerspannige volk één keer niet heiligde en zich liet gaan, zou Hij het op aarde niet binnengaan (Num.20:7-13, Deut.32:48-52). Mozes zag het land. Jozua en Kaleb gingen het binnen en mochten er overwinnen en er de overvloed van ervaren.

Ook Jezus maakt onderscheid tussen zien en binnengaan (Joh.3:3 en 5). Willen wij, behalve het Koninkrijk der hemelen zien, het ook binnengaan? Zien is ervan weten. Binnengaan is het ervaren en toepassen in ons alledaagse leven. Willen wij, behalve ernaar te jagen Hem te kennen (Hos.6:3), ons ook door Zijn Geest laten binnenleiden?

Want het zien door Gods Geest is het onderpand van de erfenis in Christus (2Cor.1:22, Ef.1:13-14). Het binnengaan is de erfenis zelf. Het onderpand is het door de Geest weten van verlossing. De erfenis is door de Geest verlost te leven van elke vleselijke en zielse overheersing (Ef.1:14, Rom.8:14, 23b).

Miljoenen gelovigen zijn al tevreden, als zij vanaf de Nebo (=profeet) iets van het land mogen zien in visioenen en profetieën. Maar wie het Koninkrijk Gods binnengaan, zullen een andere berg beklimmen: Sion (=verdorde plaats, graf). Daar verdort en sterft ieders ego, opdat Christus in hen kan leven (Gal.2:20). Zij zijn daar met het Lam (Op.14:1), die hun macht geeft over vlees en dood. Zij zijn in alles méér dan overwinnaars door Hem (Op.14:1-5). Zij gaan het Koninkrijk Gods binnen en het Koninkrijk Gods komt in hen. Al het oude in hen sterft af. De Koning maakt in hen alles nieuw.

Volgens sommigen mogen wij pas later het Koninkrijk Gods binnengaan, in "de eeuw van het Koninkrijk", het duizendjarig rijk. Maar dat spoort niet met wat Jezus zegt tegen de geleerde Farizeeën: "U sluit het Koninkrijk der hemelen toe voor de mensen. U gaat er niet binnen en die trachten binnen te gaan, laat u niet toe daarin te komen" (Mat.23:13). Zij hadden de sleutel van de kennis ervan weggenomen en hielden hen, die trachtten binnen te gaan, zodoende tegen (Luc.11:52). Toen kon men het Koninkrijk der hemelen al binnengaan en wie dat deed, ook al was hij er de kleinste, zou groter zijn dan Johannes de Doper (Mat.11:11). En zegt Paulus niet, dat "God ons heeft verlost uit de macht van de duisternis en ons heeft overgebracht in het Koninkrijk van Zijn Zoon" (Col.1:13)?

Nog een wijdverbreide misvatting is, dat wij wedergeboren moeten worden om te worden gered. Nee, wij worden gered van onze zonden door Jezus' zondoffer. Dat is heel wat anders dan van boven geboren te worden uit water en geest om deel te gaan krijgen aan Zijn koningschap. Vergeving, rechtvaardiging en verzoening is nog geen binnengaan in het Koninkrijk Gods. Talloze mensen hebben Jezus als Redder aanvaard, maar in slechts weinig levens kon Hij Koning worden. De meesten bleven geestelijk achter (Heb.5:11-14), of werden onmondig gehouden (Gal.4:1-3, Ef.4:14). Ze bleven blind voor de realiteiten van het Koninkrijk der hemelen. Ze groeiden niet verder door de geest van het zoonschap (Gal.4:5-6, Rom.8:15) en leerden Hem in zichzelf niet als Koning kennen (Mat.7:21-23).

Want daar gaat het in het Koninkrijk der hemelen uiteindelijk om: Hem te kennen én de kracht van Zijn opstandingsleven (Fil.3:10). Dat "is het eeuwige leven (=het aionios-leven=van het Koninkrijk Gods), dat zij U kennen, de enige waarachtige God, én Jezus Christus, die Gij gezonden hebt" (Joh.17:3). En dat alles uit liefde, als liefdeslaaf. Want: "In liefde heb ik welbehagen en niet in slachtoffer, in het kennen van God en niet in brandoffers" (Hos.6:6).

Laten wij daarom "ernaar jagen Hem te kennen" (Hos.6:3) én binnengaan in geest en waarheid. Dat is: in waarachtigheid en van binnenuit door Zijn Geest. Hij zegt immers: "Ik zal Mijn wetten in hun verstand leggen en die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. En niet langer zullen zij een ieder zijn broeder leren, en zeggen: Ken de Here, want allen zullen zij Mij kennen, van de kleinste tot de grootste" (Hebr.8:10-11).

Waar dus? In mensen, die Zijn koningschap aanvaarden. In mensen op aarde. Want de aarde zal vol worden van de kennis van de Heer, zoals water de bodem van de zee bedekt (Jes.11:9, Hab.2:14).



GEBOREN UIT WATER EN GEEST

Jezus sprak altijd in beelden en gelijkenissen (Mat.13:34). Toen Hij bijvoorbeeld zei: "Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt .... " (Joh.6:54), zette Hij Zijn discipelen niet aan tot kannibalisme, maar gebruikte Hij aardse termen om een geestelijke waarheid door te geven aan wie oren heeft om te horen.

Ook toen Hij sprak over de geboorte van de nieuwe mens, gebruikte Hij twee symbolen: water en pneuma (=adem, bries, Joh.3:5). Hij dacht niet aan Jordaanwater en aan de menselijke adem. Hij bedoelde het levende water (het Woord) en de adem Gods (Zijn Geest, Job 33:4). Wij worden "wedergeboren door het levende en blijvende Woord van God" (1Pet.1:23) en door Zijn Geest, "die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort" (Titus 3:5-6).

Uit water en adem is uit Woord en Geest. Maar helaas blijven velen denken aan natuurlijk water, en niet aan de geestelijke realiteit waar het woord voor staat. Dan zou uit water duiden op de doop met water en uit adem op de doop met de Heilige Geest. Dat is niet alleen inconsequent, maar ook niet juist: dopen wordt nergens in verband gebracht met de geboorte van bovenaf en met het binnengaan van het Koninrijk der hemelen.

Anderen menen, dat water duidt op het vruchtwater in de moeder. Jezus zou bedoeld hebben: "Tenzij iemand lichamelijk én ook geestelijk geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan". Ook dat is niet consequent. Jezus sprak over het van bovenaf geboren worden. Het uit onze moeder geboren worden is niet van bovenaf. Die geboorte is in de natuurlijke wereld, niet in het Koninkrijk der hemelen. Alleen wie geboren wordt uit Woord en Geest kan het Koninkrijk Gods zien en binnengaan.

Wat de Heer bedoelt, is eigenlijk zó helder en eenvoudig! Wij worden in de wereld geboren uit natuurlijke ouders. Wij worden in het Koninkrijk der hemelen geboren uit hemelse ouders, uit Woord en Geest (Joh.3:5), uit God (Joh.1:13).

Dat brengt ons bij wat maar door weinigen wordt gezien: God is Vader én Moeder, harmonieus evenwichtig mannelijk-vrouwelijk. Eens zei Hij: "Wij zullen een mens maken naar ons beeld, als onze gelijkenis" (Gen.1:26a, letterlijk). Toen schiep Hij Adam. En deze was mannelijk-vrouwelijk in één (Gen.1:27), geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.

God is dus niet alleen Jahweh (de liefhebbende Vader met Zijn heilige wetten en eisen), maar ook El-Shaddai (Hebr.: moederborsten: God, die als een Moeder zorgt voor alles, wat wij nodig hebben). Hij is én Vader én Moeder, harmonieus in één. Hij is én Geest én Woord. Wie uit God geboren wordt, wordt geboren uit Woord (water) en Geest (pneuma=adem, Joh.1:13, 3:3-5).

Voor een natuurlijke geboorte moet een eicel bevrucht worden door een zaadcel. Dan pas kan er nieuw leven tot ontwikkeling komen. Bij het uit God geboren worden is dat net zo. Het tot ons komende levende Woord moet bevrucht worden door het zaad van de Vader (=de heilige Geest). Zo ontstaat de nieuwe mens uit Woord en Geest.

Hoe ging dat bij Maria? Ook uit Woord en Geest? Ja, Gabriël sprak het levende Woord (Luc.1:26-33) en de heilige Geest zou over haar komen.

En viel het door de Geest Gods bevruchte Woord bij haar in goede aarde? Ze zei: "Heer ga uw gang. Ik ben uw dienstmaagd, mij geschiede naar uw woord" (Luc.1:38). Zo werd in Maria een lichaam bereid van vlees en bloed (Heb.2:14,10:5), waarin Gods Zoon zou wonen onder de mensen (Joh.1:14). Want het heilige, dat in haar verwekt was, zou een Zoon Gods worden genoemd (Luc.1:35).

Hoe ervoeren Jezus' discipelen dat? Petrus zei: "Heer, U hebt woorden van eeuwig leven" (Joh.6:68). Het was heerlijk om naar Hem te luisteren. Wat ging er een zegen uit van wat Hij zei! Het waren woorden van leven!

Maar Jezus Zelf zegt, dat Zijn woorden leven én geest zijn. (Joh.6:63). Waarom ook geest? Omdat zij de geestelijke wereld betreffen, het Koninkrijk der hemelen. En dat konden de discipelen pas goed zien, toen Hij op hen geblazen had en zij de heilige Geest ontvingen (Joh.20:22). Toen werden ook zij van bovenaf verwekt door Woord én Geest. Toen ging er dan ook een nieuwe wereld voor hen open: die van het Koninkrijk der hemelen.

En wij? Zijn wij geboren uit Woord en Geest? Uit het Woord, dat "helder als kristal ontspringt uit de troon van God en van het Lam" (Op.22:1) én uit de Geest, die "de belofte van de Vader" is (Luc.24:49, Hand.1:4-5)? Drinken wij van het levende water en kan dat in ons worden een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven, omdat wij het verstaan door Zijn Geest (Joh.4:14, 7:39)?

Horen wij het levende Woord? Weten wij te zijn gezalfd met Gods Geest (1Joh.2:20)? Kan die zalving in ons blijven (1Joh.2:27), om ons binnen te leiden in het Koninkrijk Gods? Geldt: "Weest heilig, want Ik ben heilig" (1Pet.1:16)? Want "een ieder, die uit God geboren is, doet geen zonde, want het zaad (Gr.: sperma=de zalving) blijft in hem en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren" (1Joh.3:9). De in ons blijvende heilige Geest leidt ons dan van stap tot stap verder in zoonschap en koningschap (vgl. Rom.8:14-15).

Er is wel een voedingsbodem nodig, voor de groei van het door de Geest bevruchte Woord. Het moet in goede aarde vallen. Goede aarde is ieder die het Woord hoort, het in zich opneemt en het bewaart (Mar.4:20, Joh.14:21). Dan begint het wordingsproces "uit onvergankelijk zaad (van God, onze Vader), door het levende en blijvende woord van God (onze Moeder), dat ons als evangelie verkondigd is" (1Pet.1:23-25).

Het is verbijsterend, hoe door de eeuwen heen tot op de dag van vandaag geprobeerd wordt om het zaad van Gods Geest te laten samensmelten met het woord van de één of andere aardse "moeder". Calvinisten prediken een calvinistisch woord, katholieken een rooms, pinkstermensen, baptisten, mormonen en getuigen van Jehova weer een ander woord, allemaal met de bijbel in de hand. Uit het aardsgerichte, vaak half ware, verdraaide en dus niet zuivere woord van de vele Babylonische "moeders" komt geen geboorte uit God voort.

Maar waar het zaad (Gr.: sperma) van Gods Geest samensmelt met het levende en blijvende Woord van God dat stroomt uit het hemelse Jeruzalem, ontstaat een nieuwe, uit God geboren mens. Die mens kan het koninkrijk der hemelen zien en die kan het binnengaan, om er op te groeien tot Zijn beelddrager (vgl. Col.1:15).

In de natuurlijke wereld ontwikkelt nieuw leven zich op een voedingsbodem. Dat is bij de vrouw de placenta. Dat is voor een plant potgrond. Daar worden voedingsstoffen omgezet in groei.

De voedingsbodem waarop het door de Geest bevruchte Woord zich kan ontwikkelen, is de mens. "De wijngaard van de Heer is het huis Israëls" (Jes.5:1-7). De aarde, waarin het zaad gezaaid wordt, zijn zij die in Jezus geloven (Mar.4:1-20), "Gods akker bent u" (1Cor.3:9). "De akker is de wereld" (Mat.13:38), mensen zoals u en ik. Wij zijn de akker, die is voorbewerkt en bezaaid door de Landman en die mag voortbrengen dertig-, zestig- en misschien wel honderdvoud.



GROEI IN HET KONINKRIJK DER HEMELEN

Hoe de nieuwe mens opgroeit in het Koninkrijk der hemelen maakt de Heer duidelijk in de volgende gelijkenis: "Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje (kokkos=bes, korrel), dat iemand nam en in zijn akker zaaide. Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het volgroeid is, is het groter dan de tuingewassen en het wordt een boom" (Mat.13:31-32).

Bij groei van een gewas gebeurt er iets heel bijzonders: dode materie helpt een plant groeien! Eerst valt een bes, een korrel of zaadje in de grond. Dan ontkiemt de levenskiem. Vervolgens groeit de zaailing uit tot een volwassen plant, door opname en omzetting van dode materie (in water opgeloste mineralen en zouten). Zo wordt zelfs een piepklein mosterdzaadje een boom.

De natuurlijke mens is aarde, vlees, stof, de voedingsbodem voor het zaad (Mar.4:1-20). Als het door de Geest bevruchte Woord van God erin komt en de omstandigheden goed zijn, ontkiemt het spontaan. En nu het wonder: dan groeit de nieuwe mens door omzetting van de aardse, dode mens. Zo "wordt ons vernederd lichaam veranderd en aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig" (Fil.3:21). God schept leven uit dood! In dit proces groeit Hij en worden wij minder. Zo wordt een zaadje een boom, volwassen, zoon. Zo gaat dat in het Koninkrijk Gods, zegt Jezus.

Wie van bovenaf geboren is, kent dit (Joh.3:3). Hij ziet alle zegen van boven komen: Gods regens, Zijn warmte, Zijn licht (vgl. Jes.55:10-12). Hij erkent ook, dat zijn ego slechts een dode voedingsbodem is.

Want wat zijn menselijke pogingen en activiteiten om tot geestelijke groei te komen zinloos. Riten, gewoonten, ceremoniën, traditie en hoofdkennis geven geen enkele vorm van leven in geest en waarheid. Je komt er geestelijk geen stap mee verder, ook niet met nog meer preken en celebrations, met nog leukere muziek en imposantere liturgieën. Het nieuwe moet in ons ontkiemen en alle dode zaken moeten worden omgezet in waarachtig, geestelijk leven.

Want "ook ons, hoewel we dood waren door overtredingen en zonden, heeft God levend gemaakt met Christus (=de ontkieming) en heeft ons mede opgewekt (=de groei) en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten (=in het Koninkrijk der hemelen, Ef.2:1-6). Ja, "als de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest, die in u woont" (Rom.8:11). In u dus! "Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand nam en in zijn (eigen) akker zaaide en het werd een boom" (Mat.13:31-32).

Geestelijke volwassenheid komt dus niet tot stand door af en toe eens door Hem te worden aangeraakt, of door de wekelijkse kerkdienst, hoe waardevol het samenzijn en de bemoedigingen er ook mogen zijn. Groei tot geestelijke volwassenheid komt nu eenmaal niet van buitenaf. Zoonschap groeit van binnenuit, door het levende Woord in onze akker, door het zaad in ons hart, door de inwonende Christus, de hoop der heerlijkheid (Col.1:27). Die zal "ook uw sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest, die in u woont" (Rom.8:11). Als wij "door die Geest de werkingen van het vlees doden, zullen wij leven" (Rom.8:13) en als zoon opgroeien (Rom.8:14).

Het is duidelijk, dat ongunstige omstandigheden de groei van nieuw leven kunnen remmen of verhinderen. Jezus maakt dat duidelijk in de gelijkenis van de zaaier, waar Hij niet het Griekse woord sperma gebruikt, maar sporos (zaad in de betekenis van zaaigoed, Luc.8:5,11, Mar.4:26-27). Het zaaigoed dat de Zaaier zaait in de akker, is het door de Geest bevruchte Woord Gods, net als bij Maria.

Als dat Woord op of langs een weg valt, wordt het óf vertrapt (Luc.8:5), óf het wordt weggepikt door vogels (Mar.4:4). Jezus legt uit: "Zodra zij het horen, komt terstond de satan en neemt het woord, dat in hen gezaaid is, weg" (Mar.4:15). Een weg langs een akker ontstaat vanzelf, als er maar steeds over datzelfde paadje wordt gelopen. De ondergrond wordt dan steeds harder. Jezus doelt hier op religieuze traditie. De innerlijke voedingsbodem voor het gezaaide kan zo hard en bevooroordeeld worden, dat het levende Woord niet meer wordt aanvaard (Joh.12:37-40). Dan wordt het vertrapt (Joh.7:1, 11:53, Mat.27:1) of door satan geroofd.

Als het levende Woord in aarde valt, waar veel stenen in de grond de nodige diepgang beletten, zouden die stenen moeten worden verwijderd (Jes.5:2). Gebeurt dat niet, dan zal het gewas nooit vrucht dragen. Zodra de zon wat feller gaat schijnen, verschroeit het (Mar.4:5-6). Jezus zegt: "Zij hebben geen wortel in zich, maar zijn mensen van het ogenblik; wanneer later verdrukking of vervolging komt om het Woord, komen zij terstond ten val" (Mar.4:16-17). Zij hebben niet gedaan wat Paulus zei: "Nu gij Christus Jezus, de Heer, aanvaard hebt, wandelt in Hem, geworteld en dan opgebouwd wordend in Hem" (Col.2:6-7).

De hitte van de zon is dus nodig voor een goede oogst. Regens doen het zaad ontkiemen en groeien. Tijden van warmte en droogte doen het diep wortelen en de vruchten rijpen. Zonder droogte komen wij niet tot geestelijk vrucht dragen. De "vuurgloed die tot beproeving dient" hoort er gewoon bij (1Pet.4:12) en is ons tot nut (Heb.12:10). Wees daarom blij, "als u in velerlei verzoekingen valt, want beproefdheid van uw geloof werkt volharding uit. Laat die volharding doorwerken, zodat u volmaakt en onberispelijk wordt en in niets te kort schiet" (Jac.1:2-4).

Het sporos (zaaigoed) kan ook vallen tussen verstikkende dorens en distels (Mar.4:7). Ook dan is het nieuwe leven wel gezaaid, maar, zegt Jezus, "de zorgen van de wereld, het bedrog van rijkdom en de begeerten naar al het andere komen erbij en verstikken het Woord en het wordt onvruchtbaar" (Mar.4:18-19).

Tot welke categorie u hoort? Nee, u bent niet óf dit óf dat. Het is én ...én. Ieder heeft wel verharde paadjes, waarop het Woord niet kan groeien. Wie heeft er nou geen stenen te ruimen, zoals bijvoorbeeld stenen van egoísme, eerzucht of onreinheid? En iedereen kampt toch wel eens met zorgen. Als wij onze platgetreden paden herkennen en verlaten, de stenen uit onze akker gooien en onze zorgen op Hem werpen, omdat we weten, dat Hij voor ons zorgt (1Pet.5:7), dan zullen wij goede aarde zijn.

"En dit zijn zij, die in goede aarde gezaaid zijn: zij, die het Woord horen en het in zich opnemen en vrucht dragen, dertigvoud en zestigvoud en honderdvoud" (Mar.4:20). Honderdvoud! Dat spreekt van volkomen vernieuwing. Dan is het vernederd lichaam volledig veranderd en aan Jezus' verheerlijkte lichaam gelijkvormig geworden (Fil.3:21). Wie honderdvoud vrucht draagt, is opgegroeid tot het Lam op Sion als een onberispelijke eersteling, volkomen in geest en waarheid (Op.14:1-5).



WAT MOETEN WIJ DOEN?

Om in deze wereld te worden geboren, hoeft men zelf niets te doen. Hetzelfde geldt voor de geboorte, die van boven is, uit God. Alleen moet voor een voorspoedige groei ons hart goede aarde zijn, bereid om de wil van de Vader te doen, opdat "het Woord, dat van Zijn mond uitgaat, niet ledig tot Hem zal weerkeren, maar zal doen wat Hem behaagt en zal volbrengen, waartoe Hij het zendt" (Jes.55:11). God geeft namelijk ook de groei (1Cor.3:6-7). Zo zal geen woord, dat van Hem komt, krachteloos wezen (Luc.1:37).

Als wij goede aarde zijn, zijn wij als Maria, die zei: "Zie, de dienstmaagd van de Heer, mij geschiede naar uw woord" (Luc.1:38). Zij vertrouwde de Heer en zei: "Hier ben ik om uw wil te doen". Zij behaagde Hem niet met een offer, maar, en dat is meer, met gehoorzaamheid (vgl. Ps.40:2-9, Heb.10:5-7).

God doet Sion, de onvruchtbare, kinderen baren (Jes.54:1). Hij doet haar "een zoon" baren, voordat zij smarten krijgt, voordat nauwelijks weeën haar overvallen. Hij ontsluit en doet baren (Jes.66:7). Hoe? In geest en waarheid. Dat is: op waarachtige wijze in het eeuwige nu, in mensen die Hem welgevallig zijn.

Hij doet ons de geestelijke realiteit van het uit God geboren zijn op een steeds diepere wijze kennen. Hij doet ons realiseren, dat Hij ons heeft verwekt tot nieuw leven en dat het uit Hem is, dat wij in Christus Jezus zijn (1Cor.1:30). Hij doet ons beseffen, dat wij uit Hem geboren zijn, om "voor Hem te leven in Christus Jezus" (Rom.6:11).

Door Hem zegevieren wij te allen tijde in Christus om overal de reuk van Hem te verspreiden (2Cor.2:14). Hij maakt ons door Zijn Geest een steeds duidelijker leesbare brief (2Cor.3:3), waarin staat dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende is (2Cor.5:19). Hij heiligt ons geheel en al en bewaart onze geest, ziel en lichaam in de parousia (=tegenwoordigheid) van onze Heer Jezus Christus (1Thes.5:23), "totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus" (Ef.4:13). Hij zal het doen, niet wij. Hij zal het maken, als wij onze weg op de Heer wentelen en op Hem vertrouwen (Ps.37:5).



WAARTOE WORDT MEN VAN BOVENAF GEBOREN?

Nicodémus was verward, toen Jezus zei, dat hij van boven, uit water en geest, geboren moest worden. En net zo verward zijn wij misschien wel, als iemand ons op de man af zou vragen: "Heb jij de Geest van zoonschap in je en geloof je, dat die je hier en nu kan leiden tot volle kennis van de Zoon?" (Rom.8:23, Ef.4:13). Ook dat is een waarheid, die alles te maken heeft met de komst van het Koninkrijk Gods en waar velen van ons geen raad mee weten. Waartoe worden wij van bovenaf geboren?

Als het goed is, wordt een kind in een gezin geboren. Wie uit God geboren wordt, wordt deel van het gezin van God, de grote Koning. Daar groeit hij op, om met Hem als koning te regeren, tenminste, als hij trouw is en de toets doorstaat. Want acht in dat gezin "de tuchtiging niet gering en verslap niet, als u door Hem bestraft wordt" (Heb.12:5). Want Hij heeft het er voor het zeggen als Opperkoning, niet als tiran of als boeman, maar als een rechtvaardige, liefhebbende Vader, die in de beproeving rijk aan barmhartigheid en ontferming is. De Vader behaagt het Zijn kinderen het koningschap te geven (Luc.12:32). Hun bestwil staat Hem immers voor ogen (Heb.12:10).

Het Koninkrijk Gods is komende. Het daalt neer in mensen. De geboorte uit God en het binnengaan van Zijn Koninkrijk is een komen van goddelijk leven in mensen op aarde. Zo komt er nieuw leven op aarde (1Joh.3:9). Laat het maar komen, Heer, Uw rijk! Laat wat in ons verwekt is, uitgroeien tot "Christus in ons, de hoop der heerlijkheid" (Col.1:27). Laat ons nieuwe ik Christus in ons zijn (Gal.2:20).

De consequenties van het uit God geboren zijn zijn zeer verstrekkend en zonder Zijn Geest niet te bevatten. Want als God onze Vader is, heeft Hij door Zijn zaad Zijn leven aan ons doorgegeven, Zijn natuur, Zijn wil, Zijn heiligheid en inzicht. Wij zijn dan "niet langer vervreemd van het leven van God" (Ef.4:18): "uit Hem is het, dat u in Christus Jezus bent, die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing" (1Cor.1:30).

Als Gods zaad in ons is, is alles wat in Hem is als groeikiem ook in ons aanwezig. Zo komt uit Hem Zijn leven in ons, geschiedt alles in het nieuwe leven door Hem en is alles tot Hem. Want van het door de Geest bevruchte Woord komt niets ledig tot Hem terug. Als wij maar goede aarde zijn, "ons aan de waarheid houden en in liefde in elk opzicht naar Hem, Christus, toegroeien" (Ef.4:15).

De uit God geborenen zijn dus van boven, opgenomen in het geslacht van de hemelse Koning (1Pet.2:9). Zij zijn niet alleen "kinderen van God, maar ook erfgenamen van God, medeërfgenamen van Christus" (Rom.8:17). Ze zijn als kroonprinsen met een hoge roeping. En wie dat weet, zal ook ervaren, dat Hij hem (of haar) grondig traint en tuchtigt. Hij weet ook, dat God dat doet tot zijn nut: om ons aan te nemen als zonen en deel te krijgen aan Zijn heiligheid (Heb.12:5-10). Je wordt namelijk uit God geboren, om Hem gelijk te zijn (1Joh.3:2, 1Pet.1:16).

Van Jezus wordt aanvaard, dat Hij uit God geboren werd om de Vader gelijk te zijn op aarde. Hij zei: "Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien" (Joh.14:9). Hij "openbaarde Gods naam (=wezen) aan de mensen, die de Vader Hem uit de wereld gegeven had" (Joh.17:6).

Behalve dat had Hij ook een specifieke opdracht: om de zonden van de wereld weg te nemen. Daartoe was Hij het heilige Lam van God, dat al "sedert de grondlegging der wereld was geslacht" (Op.13:8). Daarom heeft Hij op aarde voortdurend "Zijn leven (Hebr.: ziel) uitgegoten in de dood" met maar één doel: Zijn eigen leven niet kostbaar te achten voor Zichzelf, maar Zich te geven als een onberispelijk en vlekkeloos Lam, dat de zonde van de wereld zou kunnen wegnemen (1Pet.1:19, Joh.1:29). Naast heilig Lam van God werd Hij ook Redder, Zaligmaker, Verlosser, Heiland, Eersteling, Koning, Hogepriester, enz. enz. In dit alles openbaarde Hij het wezen van God.

Net zoals Jezus met opdrachten en hoge verwachtingen geboren werd, zo worden ook anderen uit God geboren. Ook zij worden "naar Zijn raadsbesluit voortgebracht door het Woord der waarheid, om in zekere zin eerstelingen te zijn onder Zijn schepselen" (Jac.1:18). Zij zijn "een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om Zijn grote daden te verkondigen" (1Pet.2:9). Waar? Hier op aarde natuurlijk!

Want God heeft geen koninklijk priesterschap in de hemel nodig. Er staat: "Gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters, en zij zullen als koningen heersen op de aarde (Op.5:10). Hij heeft koningen, priesters, zonen, op aarde nodig!

"Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien" (Joh.3:3), "tenzij iemand geboren wordt uit water en geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan" (Joh.3:5). "Vader in de hemel, uw naam worde geheiligd; uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde" (Mat.6:9-10).



Home page