"Wie overwint,
zal deze dingen beërven (Grieks: zal alles erven)
en Ik zal hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn"
DE ONVERGANKELIJKE ERFENIS
Stel dat u wordt gebeld door een notaris met de mededeling, dat u een miljoen hebt geërfd. Wat een bericht! Wat een geld! Wat zou je dáár veel mee kunnen doen!
Ja, maar ook heel veel niet. Je kunt er niet één geestelijke zegen mee kopen, geen zuiver geweten, geen innerlijke rust of geluk. De mogelijkheden van geld beperken zich tot deze wereld. Je kunt er niets mee in het Koninkrijk Gods. Dat is immers niet van deze wereld (Joh.18:36).
Zij die het Lam volgen waar Hij ook heengaat, ontvangen ook een erfenis: één die onvergankelijk is in Christus (Ef.1:11, 1Pet.1:4). Het is "het erfdeel van de heiligen in het licht" (Col.1:12). Zij erven niet later, daarginds in de hemel. Nee, hier en nu groeien zij tot de mannelijke rijpheid van Christus om als eerstelingen alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten te ontvangen als een onvergankelijke erfenis (Ef.1:3, 4:11-15).
Het is net als met de erfenis, waar de notaris over belde. Die zei, dat er ergens in een bank een miljoen ligt, waar u vrij over kunt beschikken, als u tenminste volwassen bent. De onvergankelijke erfenis ligt in de geest. En dáárover mogen wij beschikken, als wij in Christus opstaan en geestelijk volwassen worden (Rom.6:5, Ef.2:6, Col.1:13, Fil.3:10). Dan ontvangen wij het erfdeel van volle kennis van de Zoon, met koningschap over de neigingen van het vlees en de verlangens van de ziel (Col.1:12, Ef.4:13, Rom.7:24-25). Dat alles wordt volledig uitbetaald in wie "zich aan de waarheid houdt en in liefde in elk opzicht naar Hem toegroeit" (Ef.4:15).
Geldt dat ook voor ons? Luister eens naar Petrus: "God heeft ons door Jezus’ opstanding een levende hoop gegeven: wij mogen in Hem opstaan om de onvergankelijke erfenis te erven. Die erfenis wordt in de hemelen (=in het verborgene van de geest) voor ons bewaard. En wij, die nog in de wereld zijn, worden in de kracht van God bewaard, totdat wij zo volwassen zijn, dat wij ons deel ook echt ontvangen kunnen. Het ligt in de geest al voor ons klaar en zal volledig openbaar worden in de laatste tijd" (naar 1Pet.1:3-5).
"Zal openbaar worden in de laatste tijd". Letterlijk staat er: zal openbaar worden op het uiterste juiste punt (eschato: uiterst, kairos: juiste punt). Wat is dat? Waar schreef Petrus over? Hij sprak over het uiterste punt van opstanding, opklimming, geestelijke groei. Dat punt is geestelijke volwassenheid, zoonschap. Want dan kan er geërfd worden.
Jezus bereikte dat als eerste. Hij groeide op van mensenkind tot volwassen zoon van God tijdens een verborgen opstandingsproces dat dertig jaar zou duren. En nadat een stem uit de hemel had gezegd: "Dit is Mijn geliefde Zoon" (Mat.3:17) werd openbaar, dat Hij de Zoon was, die alles van de Vader had geërfd (Col.1:15-20).
De meeste gelovigen denken, dat de laatste tijd de "eindtijd" is. Zij zien uit naar het waar en wanneer op aarde van Jezus "wederkomst". Maar Zijn Koninkrijk overstijgt plaats en tijd. Het is hemels, overal, eeuwig nu. Het komt in mensen, die God behagen en moet gezocht worden in geest en waarheid (Luc.17:20-21, Joh.4:21-24, Mat.6:33).
Het weten van de tijden en gelegenheden is trouwens niet onze zaak (Hand.1:7). Al dat speurwerk naar de komst van het Koninkrijk Gods op de kalender leidt geestelijk nergens toe. Alleen gestage groei door de Heilige Geest leidt tot geestelijke volwassenheid en tot het beërven van het hemelse Koninkrijk van God (Hand.1:8, Ef.4:13, Heb.6:1, Rom.12:2).
Jezus ging die weg als voorbeeld. Na Hem zouden steeds weer anderen hun "eindtijd" beleven. Hij was de eerste van velen, die zich ook door de Geest tot volwassen zoonschap zouden laten leiden (Rom.8:14, 29, Heb.2:10, Op.14:1-5).
Naar het openbaar worden van "het uiterste juiste punt" in al die zonen ziet de schepping nu verlangend uit (Rom.8:19). Zij zullen met Jezus verschijnen in heerlijkheid om samen als goede herders de volken te hoeden. Zij zullen met Hem als koningen de aarde regeren in gerechtigheid. Ja, Hij komt met de Zijnen. Hij komt als Koning der koningen (Col.3:4, Op.20:6, 22:2).
ERFGENAMEN VAN GOD
Wie van Christus is, is erfgenaam (Gal.3:29), mede-erfgenaam van Zijn koningschap (Rom.8:17, Jac.2:5), erfgenaam van God (Rom.8:17). Wat betekent dat?
Eerst dit: erven doen we alleen, als er iemand is gestorven. Dan pas wordt een testament van kracht (Heb.9:17). Het Woord door Wie alle dingen zijn geworden stierf niet alleen als Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt. Hij stierf ook, opdat de Zijnen zouden erven. Door Zijn dood ontvangen "de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis" (Heb.9:15b).
Hij werd, toen de Vader Hem had opgewekt uit de dood, ook middelaar van een testament, het nieuwe (Heb.9:14-15): Hij zou alle legitieme mede-erfgenamen ook hun deel geven. "Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met Mijn Vader op Zijn troon" (Op.3:21). Hij geeft hen allen zoonschap met koninklijk gezag. Wie die erfgenamen zijn? Ieder die Hem liefheeft (Jac.2:5), overwint (Op.3:21), Hem dient als heer (Col.3:24) en Hem volgt als Lam waar Hij ook heengaat (Op.14:4).
Erfgenamen van God worden niet alleen tot koningen gemaakt, ook tot priesters (1Pet.2:9). Laten we daarom eens kijken naar de oude wet op het priesterschap. Daar zegt de Heer tot Aäron, de toenmalige hogepriester: "In hun land zult gij geen erfdeel hebben; Ik ben uw erfdeel" (Num.18:20). De hogepriester zou God erven.
Dat gold ook voor de priesters. Ook zij zouden God erven (Deut.18:2). En zelfs David zei: "O Heer, mijn erfdeel en mijn beker, Gij bestendigt wat het lot mij toewees. De meetsnoeren vielen mij in liefelijke dreven, ja, mijn erfdeel (=mijn God) bekoort mij" (Ps.16:5-6).
In het nieuwe testament is Jezus de ware, hemelse hogepriester, die God daadwerkelijk erfde (Heb.4:14-15, 8:1). Hij kon zeggen: "Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien" (Joh.14:9). Hij maakte Gods naam (dat is: Zijn wezen) bekend aan wie ogen had om te zien (Joh.17:6, 26, Mat.13:16).
Ook ware koninklijke priesters, die door de Heilige Geest gemaakt zijn tot een volk voor Zijn naam, erven God (Hand.15:14, Rom.8:17). Ook zij hebben de naam van de Vader in hun denken ontvangen, om Zijn wezen te openbaren (Op.14:1).
Hebt u de roep tot erfgenaam Gods al gehoord? Dan gaat het u niet meer zo zeer om het krijgen van Zijn gaven, maar om het zijn in het wezen van Zijn naam, in Christus Jezus. U wilt "veranderen naar Zijn beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid" (2Cor.3:18b) en hier op aarde "met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen" (2Cor.3:18a).
Want in Christus Jezus ligt het ongekend heerlijke erfdeel van "diepe rijkdom, wijsheid en kennis van God" (Rom.11:33), van zoonschap en koninklijk priesterschap (Ef.1:11, 1Pet.1:4). Als dat echt goed tot ons doordringt, wordt alles in de wereld van ondergeschikt belang (Fil.3:8). Wij gaan weten, dat er niets beters is dan Hem te kennen. Omdat Hij ons alles waard is, volgen wij Hem met ons hele hart, ziel en verstand en zoeken de dingen die boven zijn (Col.3:1-3). Voorlopig blijft ons erfdeel verborgen met Christus in God (1Pet.3:4, Col.3:1-4). Maar wanneer Hij verschijnt, die ons leven is, zullen ook wij met Hem verschijnen in heerlijkheid (Col.3:3-4) om openlijk met Hem koning te zijn (Rom.8:19), tot eer van God, de Vader.
KONINGSCHAP VAN GOD ERVEN
Jezus zegt, dat wie uit Woord en Geest geboren zijn, het Koninkrijk Gods mogen zien en binnengaan en dat zij het mogen grijpen (Joh.3:3-5, Mat.11:12). En Hij zegt tot de Zijnen: "Gezegenden van Mijn Vader, beërft het Koninkrijk (koningschap) dat u bereid is van de grondlegging van de wereld af" (Mat.25:34).
Ziet u de groei tot volwassenheid? Zien, binnengaan, grijpen, beërven! Het is net als met mijn kinderen. Ze konden vanuit de kinderstoel zien wat voor huis ik had. Als kleuters wilden ze het overal binnengaan, van de kelder tot de zolder. Weer later namen zij er kamers van in gebruik. Er komt ook een tijd, dat ze het hele huis (en nog meer) gaan erven!
Die progressie is er ook geestelijk. Door de zegeningen die God aan Zijn kinderen geeft zien zij, wat een rijke en goede Vader Hij is (Ps.34:8). Naarmate zij groeien mogen zij allerlei geestelijke realiteiten ontdekken en die als talenten leren beheren (Mat.25:14-30). Pas als zij niet meer als kind, maar als zoon worden beschouwd, gaan zij erven (Gal.4:6-7, Rom.8:14-17a).
Nu is het zo, dat in principe alle kinderen van God erfgenamen zijn. Maar je erft pas, als je geestelijk volwassen bent. Daarom dringt Paulus er zo op aan, om van het krijgen van gaven verder te groeien naar het verkrijgen van je erfdeel. Hij zegt: "Gaven geeft God aan de mensen. Hij geeft apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de mannelijke rijpheid bereikt hebben en zijn volgroeid in Christus", om ons erfdeel te ontvangen (Ef.1:18, 4:8, 11-13).
Kinderen van God mogen het Koninkrijk van God dus zien, verkennen, binnengaan, grijpen (Joh.3:3-5). Zij staan als een niet te tellen menigte voor de troon, in witte gewaden en met palmtakken in hun handen, om de Vader dag en nacht te eren (Op.7:9-10, 15). Wat een zegeningen mogen zij ervaren! "Hij, die op de troon is, zal Zijn tent over hen uitspreiden. Zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorsten, want het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar waterbronnen des levens en God zal alle tranen van hun ogen afwissen" (Op.7:16-17).
Maar wie het Lam volgen en delen in Zijn lijden, delen ook in Zijn verheerlijking (Rom.8:17, 28-30). Ze worden verhoogd, als "mannelijke zoon" ge(open)baard en naar God en Zijn troon gebracht (Op.12:1-6). Zij zijn zo één met Jezus geworden, dat zij met Hem koning, priester, opziener, hoeder, richter, verlosser en bevrijder kunnen zijn (Op.3:21, 14:1, Ob.21). Zij vormen samen een volk, dat wél te bepalen is, met mensenmaat die engelenmaat is: "144.000". (Vgl. Op.21:17 met Op. 7:1-8, 14:1, 12x12x10x10x10: twaalf, het bijbelgetal van roeping tot koninklijk priesterschap, tien van voltalligheid).
Talloze kinderen Gods zijn vóór de troon en volwassen zonen óp de troon. Een dergelijke verhouding zien we terug in Israël, toen het zich in Kanaän vestigde. God zei: "Rechters en opzieners zult u aanstellen in alle steden, die Ik u geven zal. Zij zullen het volk richten" (Deut.16:18-20).
Daar dacht Jezus ongetwijfeld aan, toen Petrus vroeg: "Heer, wij hebben alles prijsgegeven en zijn U gevolgd; wat zal ons deel zijn?" Toen antwoordde Hij: "Jullie zijn steeds bij Mij gebleven in Mijn beproevingen. Ik geef jullie koningschap, zoals Mijn Vader het Mij heeft gegeven. Jullie zullen zitten op tronen om de twaalf stammen van Israël te richten" (Luc.22:28-30).
Hebt u ook alles gegeven? Kent u beproevingen en druk? Ga er dan maar van uit, dat de Vader louterend met u bezig is. Als u blijk geeft van trouw en verlangen naar waarheid en recht, dan geeft Jezus ook u koningschap zoals de Vader het aan Jezus gaf. Dan gaat ook u "door veel verdrukkingen het Koninkrijk Gods binnen" (Hand.14:22). U mag het eerst zien komen in uzelf en aan Zijn tafel eten en drinken in het verborgene van Zijn koninkrijk (Luc.22:30). Hij is dan uw Herder, die voor u een dis aanricht voor de ogen van wie u benauwen (Op.2:7, 26, Ps.23:5). Ja, wie ondanks alle moeilijkheden en druk het Lam trouw blijft én overwint, beërft koningschap, zoals de Vader het aan Hem gaf, om als richters niet alleen de stammen Israëls, maar alle volken te hoeden in de gerechtigheid Gods (Op.12:5).
WIE OVERWINT
Kinderen van God zijn "een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk God ten eigendom" (1Pet.2:9). Op grond van deze tekst hoor je vaak zeggen: "Wij, gelovige christenen, zijn allemaal koningen en priesters". Maar is dat wel juist?
Is het niet zo, dat kinderen van God kunnen worden gemaakt tot koning en priester, als zij het Lam blijven volgen (Op.5:9-10)? Prinses Amalia bijvoorbeeld is wel koninklijk, maar nog geen koningin. Ze moet eerst volwassen worden én bewijzen, dat zij zo’n positie aankan. Zo geeft God koningschap en heerschappij aan wie geestelijk volwassen is geworden en overwint (Op.3:21).
Johannes zag in een visioen de mensheid van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde als drie categorieën mensen. Zij die nog door een louterend vuur moeten (Op.21:8, vgl.1Cor.3:15). Ten tweede zij die God bij zich weten en al Zijn volk genoemd worden (Op.21:3). En ten derde zij die overwinnen en alles erven (Gr.: pas=alles, dus niet: deze dingen, zoals de NBG-vertaling zegt, maar alle dingen, Op.21:7).
Het gaat in deze bijbelstudie dus om de derde categorie, om hen die overwinnen. Zij erven samen alle volheid Gods (Ef.3:18-19). Christus heeft in hen woning kunnen maken (Ef.3:17). Zij blijven het Lam in alles volhardend trouw en bewaren Zijn werken tot het einde toe (Op.2:3, 10b, 26). En daarom kunnen zij als zonen worden aangenomen en kan ieder van hen zijn deel van de goddelijke erfenis ontvangen (Ef.1:5).
Wat bedoelt Paulus hier met als zonen worden aangenomen? Is dat aanneming zoals wij dat kennen, adoptie van een kind van een ander en het opnemen in je eigen gezin?
Nee, het gaat in de bijbel om het installeren van een eigen kind tot zoon. Het Griekse woord voor adoptie is huiothesia. Huios is het woord voor volwassen zoon. Thesia is stellen, installeren. In het oosten werd een eigen kind gesteld tot zoon. Dat gebeurde als hij volwassen werd én als was gebleken, dat hij de verantwoordelijkheden aankon, om namens zijn vader het familiebezit te helpen beheren. De vader riep dan familie en buren bij elkaar voor een plechtig samenzijn, waarbij hij dan openlijk stelde, dat zijn teknon (=kind) voortaan zijn huios (=volwassen zoon) zou zijn.
Ook Jezus was kind ons geboren en Zoon ons gegeven (Jes.9:6). Hij was als kind geboren in Bethlehem, groeide op in Nazareth, "werd krachtig, en nam toe in wijsheid, grootte en genade bij God en mensen" (Luc.2:40,52). Dertig jaar lang leerde Hij gehoorzaamheid, aan Zijn ouders, maar vooral aan God, de Vader (Heb.5:8, Luc.2:49-51). Toen installeerde de Vader Jezus openlijk tot zoon in aanwezigheid van Zijn neef Johannes de Doper en vele anderen: "Nadat Jezus gedoopt was en uit het water kwam, zei een stem uit de hemel: Deze is Mijn Zoon..." (Mat.3:16-17).
Wie tot zoon gesteld was, mocht handelen in de naam van zijn vader. Hij kon ook al over zijn erfdeel beschikken. Daarom kon Jezus zeggen: "Alles is Mij overgegeven door Mijn Vader" (Mat.11:27).
En met die rijkdom deed Hij precies wat God wilde: "Ik doe niets uit Mijzelf, maar alleen wat de Vader Mij geleerd heeft" (Joh.8:28). Hij handelde zó consciëntieus in Diens geest, dat Hij Hem volkomen gelijk werd. Je zag in Hem de Vader (Joh.14:9).
Bovendien zette Hij alles wat Hij had ontvangen in "voor het leven van de wereld" (Joh.6:51). Zo wilde de Vader het immers (Joh.3:16). Ja, Jezus was een zoon voor Zijn naam! (Joh.17:6, 26). Wat een contrast met de verloren zoon, die zijn erfdeel opeiste voor zichzelf en het toen in een "ver land" verkwistte in een leven van overdaad (Luc.15:12-13).
Zoals Jezus Zoon werd voor Gods naam, zo maakt de Vader ook een volk van zonen klaar voor Zijn naam (Hand.15:14). Het zijn zij die overwinnen en God erven. Zij vormen samen een lichaam, waarvan Jezus eerst openbaar werd, als Hoofd. Als laatsten worden de voeten ge(open)baard (Op.1:12-20).
Als dat gebeurt, is de Gezalfde voltallig (Op.1:14-15, 6:9-11) en zullen alle zonen met het Hoofd in heerlijkheid verschijnen om de overwinning compleet te maken (Col.3:4, Op.1:12-15). Ook de laatste vijand wordt dan onttroond, de dood, waarvan de Olijfberg een symbool is (1Cor.15:26). "Zijn voeten zullen staan op de Olijfberg en zij zullen de berg splijten" (Zach.14:4). De dood wordt verzwolgen in overwinnend leven en zal niet meer zijn (1Cor.15:54, Op.21:4). Alles zal leven door het Woord dat uit hun binnenste stroomt! (Joh.7:38, Ez.47:9). Alles!
DE TE OVERWINNEN TEGENSTAND
Om te overwinnen en verder te groeien tot de volwassenheid van Christus, hebben we tegenstanders te verslaan en hindernissen te nemen. David kende dat: "Met U loop ik op een legerbende in, met mijn God spring ik over een muur" (Ps.18:29).
Er is dus tegenstand nodig om te overwinnen. Daarom zijn er in ons twee partijen: vlees en geest (Gal.5:17). "Vlees" is het stof dat satan begeert (Gen.3:14). "Geest" is wat God in ons deed wonen en wat Hij verlangt (Jac.4:5). Wie zullen wij dienen? (Jos.24:15). Want wie "in het vlees" werkt, behaagt satan; wie "in de geest" dient, behaagt God.
Als wij ervoor kiezen God te dienen, maakt Hij ons "in alles meer dan overwinnaars" (Rom.8:37). We ontvangen macht over "alle vlees" en dus over satan (Joh.17:2). Satan (=Hebreeuws voor tegenstander) is immers gemaakt om ons te leren overwinnen. Dit zijn Gods eigen woorden: "Ik heb de verderver geschapen. Ik heb de smid geschapen, die kolen in het vuur opblaast en die een instrument vervaardigt voor zijn werk" (Jes.54:16, Staten Vertaling).
En wat is zijn werk? De smid, die het kolenvuur aanblaast is dezelfde, die "de oven zeven maal heter stookt" (Dan.3:19), zodat alles verbrandt, behalve de nieuwe mens uit God (Dan.3:20-27). "Geliefden, laat de vuurgloed die tot beproeving dient en die uw standvastigheid en trouw test u niet bevreemden alsof u iets vreemds aan het overkomen is" (1Pet.4:12). We zien toch bij Job, dat het werk van satan bedoeld is om God te leren zien! (Job.42:5). Blijkt uit het einde van Job niet, "dat de Heer rijk is aan barmhartigheid en ontferming" (Jac.5:11)?
Dus op de weg van zoonschap moet er beproeving zijn. Zonen moeten in een oven gloeiend worden gemaakt (Op.1:15). Ook Jezus werd door de Geest naar de woestijn geleid om getest te worden door de duivel (Mat.4:1). En aan ons zegt Hij: "Wees niet bevreesd voor wat u lijden zult. De duivel zal u verzoeken .... Wees getrouw, dan zal Ik u de kroon van het leven geven" (Op.2:10). En waar duidt een kroon op? Op koningschap!
Want vuur, loog, de wan, het zwaard, ruwe stormen, kortom: alle middelen tegen ons zullen niets uitrichten (Jes.54:17a). Ze zullen alleen louterend werken! "Dat is het deel (Hebr. erfdeel, erfenis) van de knechten van de Heer en hun recht van Mijnentwege, luidt het woord van de Heer" (Jes.54:17b). "Hem zij de dank, die ons te allen tijde in Christus doet zegevieren" (2Cor.2:14).
ZWICHTEN VOOR DE TEGENSTANDER
We weten het allemaal: de mens in Adam zwicht voor het bedrog van de tegenstander en is stervende (Gen.3). Maar "evenals in Adam allen stervende zijn, zo zullen in Christus allen levend gemaakt worden" (1Cor.15:22). Jezus zegt: "Het uur komt, dat allen, die in de graven zijn, naar Mijn stem zullen horen" (Joh.5:28-29). Het gaat er om, niet "in Adam" te blijven, maar om naar Jezus’ stem te horen en in Hem op te staan (Fil.3:10).
In Adam luisteren wij naar de stem van de tegenstander. Die appelleert op wat begeerlijk is voor het vlees en op wat een lust is voor het oog (Gen.3:6). Haak je daarop in, dan zondig je (=mis je je doel) en kom je niet tot koninklijke overwinning (Jac.1:15, Rom.8:37). "Het is duidelijk, wat voor werken er dan gedaan worden: hoererij, onreinheid, losbandigheid, afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarstingen van toorn, zelfzucht, tweedracht, partijschappen, nijd, dronkenschap, brasserijen. Wie dergelijke dingen doen, zullen koningschap Gods niet beërven" (Gal.5:19-21).
Dat geldt ook voor "dieven, geldgierigen en dronkaards, lasteraars en oplichters" (1Cor.6:7-10). Ze zijn geen koningen over de zonde, maar slaven ervan (Joh.8:34). Zonder levensheiliging zal niemand de Koning zien (Luc.3:3-14). Eerst Zijn wegen rechtmaken, dan nieuw denken en dan groeien. Want wat is het gemakkelijk om alleen maar over zoonschap en koningschap te praten!
Na de grove werken in Adam, zijn er ook de subtiele werken van het vlees, die overwonnen moeten worden, zoals eigenwijsheid, hoogmoed, harteloosheid, bitterheid, betweterij, Babels denken met haar verlangen om alles van God "in het vlees" en aards te realiseren.
Ook daarin overwint het volk voor Zijn naam. Het is onberispelijk, zonder leugen (Op.14:4-5). Alles in hen is nieuw, waar. In hen is de nieuwe gezindheid (=denkwijze) van Christus gegroeid (Fil.2:5). Zij leven en handelen vanuit Zijn denken (Op.14:1,5). Nu zijn ze misschien nog maar "getrouw over weinig, maar over veel zal Hij hen stellen" (Mat.25:21). Want die Hij tevoren bestemd heeft tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon, die worden ook geroepen, én gerechtvaardigd, én verheerlijkt tot de koninklijke status (Rom.8:29-31). Met liefdevolle hand en kastijdende staf brengt Hij allen, die zo "deel kregen aan Christus en het begin van hun verzekerdheid tot het einde onverwrikt vasthouden" tot het beërven van die heerlijke, geestelijke realiteiten (Heb.3:14).
Wie het deel hebben aan Christus niet tot het einde onverwrikt vasthoudt, loopt gevaar de roep tot koninklijk priesterschap uit te werken op aardse, vleselijke wijze. Hij doet het, bewust of onbewust, voor een reputatie in de religieuze wereld, of voor een dominerende positie in een eigen koninkrijkje, of misschien wel om er materieel beter van te worden. Dan is hij in Babel bezig, zwetend en ploeterend om een "stad, die geestelijk genaamd wordt Sodom en Egypte" van de grond te krijgen (Op.11:8). Alleen een uit Woord en Geest geboren, kinderlijk gelovige, toegewijde, onbaatzuchtige, vergevende en trouwe discipel van Jezus kan geestelijk koningschap zien, binnengaan, grijpen en beërven. Dat koningschap is uit de hemel, van God. Laten we daarom niets doen uit onszelf, of voor onszelf, maar alles door Zijn Geest en tot Zijn eer (vgl. Jes.48:11).
ARMEN VAN GEEST
In de zaligsprekingen zegt Jezus: "Zalig de armen van geest, want van hun is het Koninkrijk der hemelen" (Mat.5:3). "Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven" (Mat.5:5). Armen en zachtmoedigen van geest zijn makarios: zalig, gelukkig, te benijden, geestelijk voorspoedig. Zij beërven de aarde in de zin van grond, land, bouwland (het Griekse woord ge), waarmee Jezus het Koninkrijk Gods aanduidt (vgl. Mat.13:8-11).
Het lijkt vreemd, dat armen en niet rijken van geest het Koninkrijk Gods erven. Wat is arm van geest? Voor arm zijn er twee Griekse woorden: penes (weinig bezittend, de arme weduwe, Luc.21:2) en ptochos (niets bezittend, volkomen afhankelijk van een ander).
Jezus gebruikte ptochos. Zo was Hij Zelf ook als mens. Hij had Zich geheel ontledigd (Fil.2:7), Zich volkomen afhankelijk gemaakt van de Vader, ptochos (2Cor.8:9). Hij zei: "Ik kan niets doen van Mijzelf, of Ik moet het de Vader zien doen" (Joh.5:19). "Naar wat Ik van Hem hoor, oordeel Ik" (Joh.5:30). God had het in Hem voor het zeggen. De Vader kon in en door Hem alles doen. Door de Vader werd Hij Koning. Hij zag koningschap van God in Zich komen! En daar leert Hij nu ons ook voor te bidden: "Vader, Uw basileia (koningschap) kome, Uw wil geschiede .....".
Dat kan alleen in armen van geest. Want wie alles zelf nog wel weet en iets voor God denkt te kunnen doen in eigen kracht, put uit de verkeerde bron: uit het vlees. Dan is zijn ego rijk, onafhankelijk, of zelfs arrogant, dominant, assertief. Hij is geestelijk nog geen afhankelijk kind (Mat.18:3–4). Hij meent het Koninkrijk Gods te moeten realiseren, wat een misleidende gedachte is. Want wie van zichzelf uitgaat, vergeet, dat een rank op zichzelf verdort (Joh.15:4-6). Het Koninkrijk Gods kunnen wij niet bouwen. Het kan alleen maar komen, uit de hemel, van God (Op.21:2).
Armen van geest zijn dus niet verstandelijk gehandicapten of mensen met weinig bezit aan vrienden of invloed. Armen van geest kunnen rijke, intelligente, invloedrijke mensen zijn, als zij zich maar bewust zijn van de wezenlijke armoe van hun ego en in alles afgaan op de stem van de Heer. Als zij maar niet uitgaan van wat een mens kan, maar blijven aan de ware Wijnstok om Zijn levenssappen in te drinken en van daaruit te handelen (Joh.15:2-3). Alleen dan zijn ze goede, ontvankelijke leerlingen (Jes.50:4-8). Opent Hij hun het oor, dan zijn zij niet weerspannig en deinzen niet terug (Jes.50:5). Dan laten zij Zijn hogere gedachten toe en gaan Zijn wegen, ook al druisen die tegen alles en iedereen in. God kan in hen gaan heersen. Zijn koningschap kan in hen komen.
Waar? Niet in hun ego. Dat laten armen van geest kruisigen, omdat het Gods koningschap niet kan beërven (1Cor.15:50). Het komt in de geest, waar Christus is, hun leven (Col.3:3-4). Zij zijn arm van geest. Hun rijkdom is het levende woord van Christus, dat rijkelijk in hun harten is komen wonen (Col.3:15-16). Zij weten: "Niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven" (Gal.2:20).
VERGANKELIJK VLEES EN BLOED BEËRFT GEEN KONINGSCHAP
"Vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven en het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet" (1Cor.15:50). Het Griekse woord voor vergankelijkheid is phthora (=wat naar beneden is gericht, wat te gronde gaat).
Sinds de zondeval is de schepping aan phthora onderworpen, naar beneden gericht, in een neergaande spiraal (Rom.8:20-21). Dat bleek al in het begin. Meteen al verviel de mens tot moord en zinloos geweld (Gen.4:8,23). In de dagen van Noach was alles wat men bedacht slecht (Gen.6:5). Volgende dieptepunten waren Babel en Sodom. Slechts enkelingen als Henoch, Noach en Abraham vonden een uitweg uit deze neerwaartse gang, omdat zij wandelden met God (Gen.5:23-24, 6:9, 24:40).
Aan Abraham beloofde God opnieuw een opgaande weg, naar een paradijselijk land met een door Hem ontworpen en gebouwde stad (Heb.11:10, Op.21-22). Dat "sieraad onder alle landen" (Ez.20:6) zou louter bestaan in rechtvaardigheid, waarheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest (Rom.14:17). De stad ervan was uiteraard ook hemels, een nieuw Jeruzalem, de "stad van de grote Koning" (Ps.48:2, Op.21:2). Voor dát rijk van God liet Abraham alles achter, zonder te weten waar hij komen zou (Gen.12:1-6, Heb.11:8).
Uit hem ontstond een volk, Israël, aan wie ook dat land beloofd werd (Hand.7:17). Maar het wandelde niet met God zoals Abraham dat had gedaan. Zij lieten niet alles achter, maar "wendden zich in hun hart weer naar Egypte, maakten een kalf, brachten er een offer aan en verheugden zich over het werk van hun handen" (Hand.7:39-42). Wat een phthora! Wat een gerichtheid naar beneden! Wat een neergang te gronde! Helaas zou het altijd zo blijven: op de reis in de woestijn, in het beloofde land, onder richters, onder koningen (Jes.65:2-3). Zelfs toen Jezus tot hen kwam, werd Hij niet aanvaard (Hand.7:51-53). Zij hadden liever een aardse koning als Messias, één met politieke macht (vgl. Joh.6:15, Hand.1:6).
Het "land" is ook aan het nieuwtestamentische volk beloofd. Maar ook van haar geldt, dat God "de ganse dag Zijn armen uitbreidt naar een opstandig volk, dat volgens eigen overleggingen wandelt op een weg, die niet goed is" (Jes.65:2). Men heeft liever geen theocratie in de gemeente: men houdt liever alles zelf in de hand. Vandaar dat Jezus tot haar zegt: "U hebt de liefde van weleer opgegeven. Bedenk van welke hoogte u gevallen bent (phthora!). Breek met het leven, dat u nu leidt en doe weer als eerst. Anders kom Ik naar u toe en neem, als u geen berouw toont, de kandelaar van zijn plaats" (Op.2:4-5). "U zegt, dat u rijk bent, dat u alles hebt wat u wilt en niets nodig hebt. U beseft niet, hoe ongelukkig u bent, hoe armzalig, berooid, blind en naakt!" (Op.3:15-17, Nieuwe Vertaling).
Alleen, als wij luisteren naar de stem van de Heer en gehoorzaam doen wat wij horen, "zullen wij gezegend zijn boven alle volken der aarde en zal Hij ons verheffen tot een naam en een sieraad, tot een volk geheiligd aan de Heer" (Deut.7:14, 26:18-19).
Salomo’s rijk was daar een mooi type van. Deze vredevorst zei: "De Heer, Mijn God, heeft mij overal rust gegeven: er is nergens onheil of een tegenstander" (Hebr. satan, 1Kon.5:4). De koningin van Scheba moest erkennen: "Echt waar, de helft was mij niet aangezegd; u hebt in wijsheid en welvaart de roep overtroffen, die ik vernomen had" (1Kon.10:7).
Maar Salomo ’s koninkrijk was aards. Hij had het geërfd van zijn vader. Ook zijn rijk bleek te liggen op de brede, neergaande weg. Leiders en volk luisterden niet naar de stem van de Heer. Omdat God geen koning mocht zijn, viel het uiteen en ging het in ballingschap om van daaruit verstrooid te worden over alle koninkrijken van de aarde (Deut.28:15-25).
Zo gaat het met alles van deze wereldorde. Eens machtige beschavingen liggen nu onder het zand van de woestijn. En wat er nog van staat zijn ruines, interessant voor wetenschappers en toeristen. Zonder de Schepper gaat alles neerwaarts. Zelfs sterren in het heelal verbleken en sterven. "De ganse schepping zucht in al haar delen en wacht met reikhalzend verlangen op het openbaar worden van de zonen Gods" (Rom.8:19-23).
Waarom? Omdat zij gaan herstellen. Er komen tijden, waarin alle dingen weer worden opgericht (Hand.3:21). Voor alles komt er weer een opgaande lijn. De eerste Zoon van God, Jezus, maakt de kentering mogelijk. Hij is de Weg weer omhoog (Joh.1:52). Hij is de Opstanding en het Leven (Joh.11:25). Hij is dé Koning, die met koningen zal verschijnen in heerlijkheid (Col.3:1-4). Door hen komen er "naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont" (Op.21:1-5, 2Pet.3:13). Daarom wacht de hele schepping met reikhalzend verlangen op de "eindtijd" in alle zonen van God (Rom.8:19).
KONINGSCHAP OVER HET OUDE
Er is dus een neergaande weg, die tot verderf leidt. Velen wandelen erop, tot priesters aan toe (Luc.10:30-32, Mat.7:13). Het is de weg van de oude orde, van vlees en bloed.
De weg van de nieuwe orde is de opgaande weg, "die ten leven leidt en weinigen zijn er, die hem vinden", zegt Jezus (Mat.7:14). Op deze weg brengt God de nieuwe mens geestelijk tot volle groei. Nieuw betekent in de bijbel: geestelijk, van boven, uit God, hemels, in geest en waarheid, blijvend, onvergankelijk. Op die weg ga je dus naar "boven", naar "geest en waarheid", "naar de hemel".
Jezus kende dat als eerste (Col.1:18). Als Zoon des mensen wilde en dacht Hij als mens. Maar vanaf het begin liet Hij Zich gewillig leiden door Gods Geest (Luc.1:15, 80, 4:1,18). Hij aanvaardde volledig koningschap van de Heilige Geest over Zijn menselijke geest. Hij deed dus niet wat Hij wilde en dacht, maar wat de Vader wilde en zei (Joh.6:38). En omdat Hij dat altijd deed, werd Hij de volmaakte Zoon van God (vgl. Jes.42:19, Rom.8:14). Zo is Hij, zegt Hij Zelf, als eerste opgevaren naar de hemel (anabaino=opgeklommen, Joh.3:13).
Wat voor Zijn geest gold, betrof ook Zijn lichamelijke verlangens. Hij gehoorzaamde zo consequent aan Gods Geest, dat Hij nooit zondigde, terwijl Hij toch op gelijke wijze in alles als wij verzocht is geweest (Heb.4:15). Door Zijn onvoorwaardelijke gehoorzaamheid kon de Vader Hem macht geven over alle vlees (Joh.17:2). En van Zijn ziel staat er, dat Hij Zijn leven (Hebr. nephesh=ziel) uitgoot in de dood (Jes.53:12). Hij lette nooit op eigen, zielse gevoelens. Voor Hem telden alleen de gevoelens van de Vader (Ps.40:8). Hij richtte Zich zó op de wandel in het nieuwe, dat de wetten van het nieuwe die van het oude soms zichtbaar overstegen voordat Hij was verheerlijkt. Eens liep Hij bijvoorbeeld over water (Mat.14:25-26). En even later "veranderde Zijn gedaante voor hun ogen en Zijn gelaat straalde als de zon en Zijn kleren werden wit als het licht" (Mat.17:2). Ja, Jezus was in alles de Eerste (Col.1:18).
Maar nu! Wie in Christus is, is ook een nieuwe schepping! Voor hem is ook het oude voorbij en is het nieuwe gekomen (2Cor.5:17). Dat nieuwe is een nieuwe geest door de doop met de Heilige Geest. Het is ook een nieuw (geestelijk) lichaam, als wij op geestelijke en waarachtige wijze Zijn vlees eten (Mar.14:22-24, Joh.6:56) met zelfs een nieuwe ziel, als wij Zijn bloed drinken (want "het bloed is de ziel", Lev.17:14, Deut 12:23).
Daarom is het zo belangrijk te beseffen, wat en waar ons leven is. Als Christus ons verborgen leven in God is (Col.3:3-4) en alle prioriteit krijgt, dan kan in ons de nieuwe mens hoe langer hoe meer de overhand krijgen. Al het oude wordt dan hoe langer hoe meer onderworpen, totdat alles Hem onderworpen is (Heb.2:8). "Heer, Uw Koninkrijk kome. Laat het nieuwe komen en regeren over het oude! Laat dat oude verdwijnen, zodat wij in nieuwheid des levens kunnen wandelen" (Heb.8:13, Rom.6:4).
Dat wandelen in nieuw leven doen we nu nog in het verborgene. Door geloof hebben we een nieuwe geest, ziel en lichaam. Als ik met de geloofsbelijdenis zeg: "Ik geloof in de opstanding van het vlees", dan bedoel ik: "Ik geloof in de groei (hier en nu) van een (nieuw, geestelijk) lichaam, waarmee de Zijnen met Hem zullen verschijnen in heerlijkheid" (Col.3:4). Want de aardse tent, waarin wij wonen (=het stoffelijke lichaam) wordt afgebroken en keert weer tot stof (Gen.3:19). Maar in Christus hebben wij een nieuw, eeuwig huis van God in de geest (=een geestelijke lichaam, 2Cor.5:1). De nieuwe geest die Hij in ons gaf, wordt met dát lichaam "overkleed, opdat het sterfelijke door het leven verslonden zou worden" (2Cor.5:4). In dát nieuwe lichaam leven wij eeuwig met Hem voort.
Veel gelovigen denken, dat wij later een geestelijk lichaam krijgen. Of dat het natuurlijke lichaam veranderd moet worden in een geestelijk lichaam. Want dat staat er toch: "Ik deel u een geheimenis mee: allen zullen wij veranderd worden" (1Cor.15:51)? Ja, dat staat in onze Nederlandse vertalingen. In het Grieks staat allasso, wat niet veranderen betekent, maar ruilen, omruilen voor iets anders. Het grote geheimenis is, dat het oude zal worden ingeruild voor het nieuwe, een geheimenis, dat nu reeds door geloof in werking is. Daarom zegt Paulus: "Er is een natuurlijk lichaam en er is een geestelijk lichaam" (1Cor.15:44). Wij hebben een lichaam van vlees en bloed dat vervalt en tot stof weerkeert. En wie een nieuwe schepping is, heeft ook een nieuw, geestelijk lichaam.
Wij ruilen dus hoe langer hoe meer het oude in voor het nieuwe. Uiteindelijk zullen wij zó vernieuwd zijn, dat wij in de geest een volledige metamorfose hebben ondergaan (2Cor.3:18). Door Zijn kracht wordt alles van het oude verzwolgen in leven (1Cor.15:22, 50-54, 2Cor.4:16). Dat is de erfenis, die God ons wil schenken en waarvoor Hij ons Zijn Geest al als onderpand heeft gegeven (2Cor.5:1-5, Ef.1:14).
Wat is het evangelie van het Koninkrijk heerlijk! Jezus is de Weg tot de Vader. Hij is ons leven. In Hem staan wij op als nieuwe mensen (Joh.1:52), die "ontkomen aan de phthora, de neerwaartse spiraal, die door de begeerte in de wereld heerst" (2Pet.1:4).
Wij hoeven dus niet meer neer te gaan. Wij mogen opstaan en "ons aan de waarheid houdende in liefde in elk opzicht naar Hem toegroeien, die het Hoofd is" (Ef.4:15). Wij leren te denken als Christus (Fil.2:5) en laten ons als zonen tuchtigen (=tijgen, optrekken, Heb.12:7). Wij mogen "het goede woord Gods en de krachten van de komende eeuw van het Koninkrijk proeven" (Heb.6:5). Hij wekt ons op ten jongste dage (dat is nu), omdat wij Zijn vlees nieuw eten en Zijn bloed nieuw drinken (Joh.6:54, Mat.26:29). We leren met Hem koning te zijn over zonden en zwakheden, over ongeloof, angst en problemen van allerlei aard (Rom.8:37). We "leggen de oude mens met zijn praktijken af" en "doen de nieuwe mens aan, die naar de wil van God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid" (Col.3:9, Ef.4:24). We mogen dagelijks ervaren, dat "we door Zijn Geest aan het veranderen zijn naar Zijn beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid" (2Cor.3:18). We ontkomen aan het verderf (2Pet.1:4)!
Wat een vooruitzicht, als je "de Geest van het zoonschap ontvangt, door welke wij roepen: Abba, Vader. Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen én erfgenamen van God én mede-erfgenamen van Christus zijn, die in alles zó één met Hem zijn geworden, dat wij ook zullen delen in Zijn verheerlijking" (naar: Rom.8:15-17).
"Wie overwint, zal alles beërven, en Ik zal hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn" (Op.21:7).
"Onze Vader die in de hemelen zijt,
Uw naam worde geheiligd;
Uw Koninkrijk kome;
Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde ......"
(Mat.6:9-10).