Home page



Leren van het Lam



"Dit zijn zij, die het Lam volgen, waar Hij ook heengaat.

Zij zijn gekocht uit de mensen als eerstelingen voor God en het Lam"

(Op.14:4).





DE WEG VAN HET LAM

De weg van het Lam is de enige weg die tot heerlijkheid leidt. Want wie het Lam volgt, waar Hij ook heen gaat, komt waar Hij is: op de troon. Het Lam is immers "in het midden van de troon" (Op.7:17). Geen enkele andere weg komt dáár uit.

Wij weten, dat wij in Christus volledige verlossing hebben (Ef.1:7, Col.1:14). Maar wat is van deze in het geloof aanvaarde verlossing nu de praktische verwerkelijking, uur na uur? Het is "het Lam volgen waar Hij ook heen gaat" (Op.14:4). Wij doen de éne slag in de lucht na de andere, als wij het leven van het Lam en Zijn weg niet begrijpen. Dan lijken we op Petrus, die, hoe vurig en oprecht hij ook was, niet begreep, dat zijn Meester de weg van het Lam ging (Mat.16:21-25).

Wij moeten in de eerste plaats een Persoon volgen, niet onze ideeën. Hij is onze Voorloper (Hebr.6:20), ons Voorbeeld (1Pet.2:21). Door ideeën en leringen kunnen wij op een dwaalspoor komen en moe worden. Maar wie in Zijn voetstappen wandelen en van Hem leren, "lopen, maar worden niet moe; zij wandelen, maar worden niet mat" (Jes.40:31). Daarom roept Hij ons tot Zich, om Zijn weg te gaan. "Kom tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven; neem Mijn juk op u en leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen; want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht" (Mat.11:28-30). Hoe goed is het, om het Lam te volgen en van Hem te leren, opdat wij, als één van de "144.000", met Hem zullen staan op de berg Sion (Op.14:1).

We willen laten zien, hoe het Lam onze lamp kan zijn (Op.21:23). Licht ontvangen is leren. Als wij licht van het Lam ontvangen, gaan wij zien (=weten), wat de gezindheid van het Lam is. Laat Hij onze lamp zijn. Laten wij als heiligen (=aan God overgegeven en voor Hem apart gezette mensen) zitten aan Zijn voeten (Deut.33:3) en als een Maria aanvaarden, wat Hij ons wil leren (Luc.10:39).



HET LAM LEERT LIEF TE HEBBEN

Het Lam leert lief te hebben, zoals "Hij de Zijnen heeft liefgehad tot het einde" (Joh.13:1). Hij heeft hen meer liefgehad dan Zichzelf. Dat is "de liefde van Christus".

Natuurlijke liefde heeft lief uit instinct. De liefde, die de wet gebiedt, heeft de naaste lief als zichzelf, uit plicht (Luc.10:27). De liefde van Christus heeft anderen méér lief dan zichzelf (1Joh.3:16).

Wat moeten wij nog veel leren! Hoe vaak zijn wij begonnen lief te hebben en hoe snel bleek onze liefde uitgeput. Wij hadden in de leerschool van het Lam nog niet geleerd, om lief te hebben tot het einde!

Op geen enkel gebied is er zoveel schijn en onechtheid. Onechte liefde maakt meer kapot dan haat. Daarom maakte Jezus Zijn gelaat als een keisteen (Jes.50:7), niet voor de Romeinen, maar voor de Zijnen met onechte liefde. Het Lam "kwam tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen" (Joh.1:11). De oversten van het volk zelfs "namen Jezus gevangen en boeiden Hem" (Joh.18:12). En toen zij Hem voor Pilatus zagen staan, schreeuwden zij: "Kruisigen!" (Joh.19:6).

Liefde is blij met de waarheid (1Cor.13:6). Zij heeft bij de naaste eeuwige waarden voor ogen en wijst daarop met fijngevoeligheid (1Cor.13:5a), geduld (1Cor.13:4) en als het moet, met kracht. Vleselijke liefde is blind. Goddelijke liefde ziet met een zuiver oog. Zij is blij met echtheid, waarheid (1Cor.13:5-6).

Liefde is overgave. Zij heeft lief tot in de dood en volgt het Lam tot het kruis. "Hiertoe bent u geroepen. Christus heeft ook voor u geleden en heeft u een voorbeeld nagelaten, opdat u in Zijn voetstappen zou treden" (1Pet.2:21).

Vleselijke liefde stelt het eigen ik centraal. Zij leidt vaak tot geestelijk verderf, brengt wonden toe, die soms een leven lang niet willen genezen. Ter verduidelijking: onder vleselijke liefde verstaat de bijbel niet lichamelijke liefde (sex). Vleselijke liefde is onechte liefde. Waar die een kans krijgt, ontstaat op den duur verwijdering, verwarring, ook onder gelovigen. Liefhebben op Gods wijze leert men alleen van het Lam.

Liefde is gehoorzaamheid. Voor velen is het een brandende vraag: "Wanneer en hoe heb ik lief op Gods wijze?" De bijbel geeft ons een treffend antwoord: "Hieraan weten wij, dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben en Zijn geboden volbrengen" (1Joh.5:2,Vert. Brouwer). Johannes de Doper was blij, toen twee van zijn discipelen hem verlieten en Jezus gingen volgen. Waarom? Hij had God lief en gehoorzaamde Zijn gebod: hij moest op Jezus wijzen. Zo stond hij zijn discipelen, die Jezus wilden volgen, door zijn gehoorzaamheid dan ook niet in de weg. Zo bewees hij hen liefde. Deze liefde overwint tenslotte en zal als ware liefde worden erkend, ook al wordt zij, soms een leven lang, voor hardheid aangezien en uitgemaakt.

Liefde is leven. De liefde van Christus is een vrucht van de Heilige Geest. Als wij ons door die Geest laten leiden, groeit zij in onze harten als een goede vrucht en is zij de band der volmaaktheid tussen gelovigen onderling (Col.3:14). De Heer Jezus zegt: "Een nieuw gebod geef Ik u: dat u elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad" (Joh.13:34). "Hieraan zullen allen weten, dat jullie discipelen van Mij zijn, als je liefde hebt onder elkaar" (Joh.13:35). Dan wandelen wij met elkaar "in nieuwheid des levens" (Rom.6:4) en sterft de duistere tiran, het oude ik, hoe langer hoe meer af.

Hoe komt het toch, dat er onder gelovigen zo'n gebrek aan ware liefde is? Omdat zo velen wandelen naar hun eigen begeerten (2Pet.3:3), "met meer liefde voor genot dan voor God, die met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochend hebben" (2Tim.3:4-5). Zij laten zich meeslepen door de begeerten van het vlees en jagen naar allerlei ervaringen. Daardoor zijn zij innerlijk mager (Ps.106:15, letterlijk), geestelijk arm. Ze hebben, net als veel Joden in Jezus' dagen, de ware liefde Gods niet in zich (Joh.5:42).

Wat een andere weg wees Paulus aan de Corinthiërs. Hij schreef: "De liefde verdraagt alles!" "Zij gelooft alles!" "Zij hoopt alles!" "Zij duldt alles!" Niet iets, maar álles! Is dat niet bijzonder! De Heilige Geest leert ons om zó te leven. De weg begint met geloof en eindigt in echte liefde (1Cor.13:13). Laten wij daarom het Lam tot lamp nemen, om te leren wat ware liefde is. Hij had lief tot het einde!



HET LAM LEERT TE DIENEN

Jezus was de Meester en Heer van de discipelen (Joh.13:13). Hij was "rijk" en daalde af als aller dienaar. Hij stond "wetende, dat de Vader Hem alles in handen had gegeven van de maaltijd op, legde Zijn kleren af en nam een linnen doek en omgordde Zich daarmee en begon de voeten van de discipelen te wassen" (Joh.13:14). "Ik ben in uw midden als dienaar" (Luc.22:27). "Als nu Ik, uw Heer en Meester, u de voeten gewassen heb, behoren ook jullie elkaar de voeten te wassen; want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook jullie doen wat ik bij jullie gedaan heb. Voorwaar, een slaaf staat niet boven zijn heer, noch een gezant boven zijn zender. Als jullie dit weten, zalig zijn jullie, als je het ook doet" (Joh.13:14-17).

Vaak had de Heer Jezus hierover gesproken met Zijn discipelen. "De Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en Zijn leven te geven als losprijs voor velen" (Mat.20:28). "Wie onder u groot wil worden, moet dienaar zijn" (Mat.20:26), "de állerlaatste, áller dienaar" (Marc.9:35). Dit leert men in de leerschool van het Lam.

Er zijn twee aspecten aan dienen. Het hoogste aspect is de Heer te dienen: "Toen zonderde Hij de stam van de Levieten af om de ark van het verbond te dragen, voor de Heer te staan om Hem te dienen, en in Zijn naam te zegenen tot op deze dag" (Deut.10:8). Dat is wat Maria koos, toen zij aan Jezus' voeten ging zitten. Zij had "het goede deel uitgekozen, dat van haar niet zou worden weggenomen" (Luc.10:42).

Daarmee onlosmakelijk verbonden is het dienen van de medemens. Het vloeit daaruit voort: "Om Hem te dienen en in Zijn naam te zegenen tot op deze dag" (Deut.10:8).

De Heer Jezus diende allereerst de Vader. Hij richtte Zich in alles op Hem, van jongs af aan (Luc.2:49). Hij deed niets "van Zichzelf, of Hij moest het de Vader zien doen" (Joh.5:19). Hij deed alleen de wil van Hem, die Hem gezonden had (Joh.6:38). Hij sprak het Woord van God. "Wat Ik gezien heb bij de Vader, dat spreek Ik" (Joh.8:38). Hij diende eerst de Vader. En vandaar uit zegende Hij in Zijn naam.

Hij diende dus met "woorden van eeuwig leven" (Joh.6:68). Daarmee werden vermoeiden verkwikt, treurenden getroost, zelfverzekerden geschokt, zieken genezen, onoprechten bestraft, gebondenen bevrijd en dwalenden onderricht.

Wat voor woorden hebben wij? Kunnen wij na een gesprek zeggen: "Vader, zegen, wat ik gezegd heb". Of: "Heer, vergeef mij, wat ik gezegd heb". Zijn onze woorden dodend of levenwekkend? Alle woorden zullen vroeg of laat in één of andere vorm ontkiemen, bij ons, of bij anderen.

Eén voorbeeld. Mirjam sprak met Aäron over haar broer Mozes. Toen spraken zij tégen hem. Eerst spreken wij óver een naaste, dan tégen hem. O, die tong voert zo de boventoon (Jac.3:5). Die helse praatzucht is als een vuur (Jac.3:6), als een dodelijk venijn (Jac.3:8). Mirjam werd melaats. In Gods ogen is onwaarheid spreken over een ander als een afschuwelijke, stinkende ziekte. Dáárom hebben zoveel kinderen Gods een kwijnend geloofsleven, liggen zij als doden neer. Het gif van roddel en oordeel heeft hen geveld!

Hoe anders was het Lam. Toen Judas Hem uitleverde, zei Hij: "Vriend! Waarom ben je hier?" (Mat.26:50). Toen Petrus het oor van Malchus had afgehakt, zei Hij: "Breng je zwaard weer op zijn plaats, want allen, die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen" (Mat.26:52). "Hij raakte het oor aan en genas hem" (Luc.22:51). Zo te dienen kunnen wij alleen leren op de weg van het Lam.

Het Lam diende ook met Zijn heiligheid van leven. Hij liet een voorbeeld achter. "Christus heeft voor u geleden en u een voorbeeld nagelaten, opdat u in Zijn voetstappen zou treden" (1Pet.2:21). Niemand zou om het evangelie kunnen lijden, als de Heer Zelf niet het grootste lijden had gedragen. Wat heeft aan het christendom van onze tijd zo geheel en al de glans en het aantrekkelijke ontnomen? Dat de levens van gelovigen in liefde en zelfverloochening zo weinig verschillen van die van ongelovige mensen. Het leven is het licht voor de mensen, niet de woorden (Joh.1:4). Onze daden geven aan onze woorden leven. Sommigen praten over licht, anderen geven licht. "Geloof, dat niet met werken gepaard gaat, is, op zichzelf genomen, dood" (Jac.2:17). Wat Jezus geloofde, kon men zien in Zijn leven. Wat Paulus leerde, was waarheid in zijn leven. Daarom kon hij zeggen: "Wordt mijn navolgers, zoals ook ik Christus navolg" (1Cor.11:1).

God gebruikt twee onafscheidelijke dingen "opdat Zijn heil reike tot het einde der aarde" (Jes.49:6): Zijn heilig Woord én heilige levens, in wie dat Woord gestalte heeft gekregen. In ons christendom hebben wij in ieder huis het geschreven Woord. Maar het zegt de meeste mensen weinig of niets, totdat een heilig mens het Woord spreekt. Dan wordt het volgende waar: "Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien" (Joh.7:38). De woorden van zo'n gelovige zijn dan, net als Jezus' woorden, geest en leven. Ze zijn als levengevend water voor dorstige zielen. Want, zegt Jezus, "wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven" (Joh.4:14).



HET LAM LEERT TE DRAGEN

Het Lam droeg ongerechtigheden en zonden (Jes.53:11-12), ziekten (Mat.8:17) en smarten (Jes.53:4). Onder dit dragen verstaan wij niet alleen het moment, waarop Hij als offerlam alle zonden op Zich nam en wegdroeg aan het kruis, maar Zijn draagkracht, zoals die tot uiting kwam in Zijn dagelijks leven als Lam van God.

Want wat getuigde Jezus van Zichzelf? Dat Hij sprak, zoals geen ander mens had gesproken? Dat Hij met vijf broden en twee visjes vijfduizend mensen had gevoed? Dat Hij veel zieken had genezen en zelfs doden had opgewekt? Nee, Zijn eigen getuigenis was: "Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik Mijn leven afleg" (Joh.10:17). Hij had macht Zijn ware leven af te leggen en "Zijn ziel uit te gieten in de dood" (Jes.53:12, letterlijk). Niet pas aan het kruis. Zijn hele mens-zijn was een voortdurend leven-afleggen en een ziel-uitgieten in alle dagelijkse situaties en moeilijkheden. Zo werd Hij rijp om het grote offer aan het kruis te brengen. Wat een draagkracht had Hij als Lam: door Zijn volk niet aangenomen, door Zijn discipelen niet begrepen, door Zijn familieleden voor waanzinnig gehouden en door de leiders van het volk als verleider gebrandmerkt! En "gelijk Hij zijn ook wij in deze wereld" (1Joh.4:17). Het Lam leert ons dragen, verdragen.

Daarom zegt Hij: "Wie overwint, hem zal ik maken tot een zuil in de tempel van Mijn God" (Op.3:12). Waarvoor heeft men zuilen nodig? Niet voor de sier, maar om te dragen. Wie een sieraad wil zijn en bewonderd wil worden, wordt nooit een zuil. Maar wie overwint gelijk ook het Lam heeft overwonnen, zal met Hem zitten op Zijn troon en een steunpilaar zijn in Gods tempel. Zulke mensen zijn nodig, mensen, op wie de geest van ik-gerichtheid, lichtgeraaktheid, verwarring, dwaling en partijschap te pletter loopt.

In de ekklesia (=de Gemeente) is veel draagkracht nodig. In "de tempel Gods" geldt: blijven staan! "Ieder van hen zal zijn als een beschutting tegen de wind en als een toevlucht tegen de stortbui, als waterstromen in een dorre streek, als de schaduw van een machtige rots in een dorstig land" (Jes.32:2). Zo was Jezus, het Lam. Hij bleef staan als een rots! Ook al werd Hij geslagen, toch gaf Hij water (Num.20:11). En toen men de Rots Christus sloeg, sloeg tot de dood, stroomde er louter liefde en leven uit Hem.

Wat stroomt er uit ons als wij geslagen worden? Water des levens of bitter water? Toen Stefanus door zijn volksgenoten werd gestenigd, riep hij: "Heer, reken hun deze zonde niet toe!" (Hand.7:60). En toen Paulus door hen werd verstoten, zei hij: "Ik zou wel wensen van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders naar het vlees" (Rom.9:3). Dat is draagkracht, christendom in de praktijk! "Dat is genade, als iemand leed verdraagt, dat hij ten onrechte lijdt" (1Pet.2:19). Stefanus en Petrus waren in de leerschool van het Lam geweest.



HET LAM LEERT NEDERIG TE ZIJN

Niets is ons van nature vreemder en onbegrijpelijker dan ootmoed, nederigheid. De Heer Jezus zei: "Leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart" (Mat.11:29).

Het beste bewijs, dat wij echt nederig zijn, is, als wij vernederingen niet meer uit de weg gaan. "Zeer gaarne zal ik in zwakheden roemen" (2Cor.12:9b) betekent: "Ik verblijd mij over alles, wat mij vernedert". Ik herinner mij nog goed, dat ik voor het eerst dankte voor het feit, dat ik door medebroeders werd vernederd. Daarvoor verdroeg ik dat alleen maar. Het was nu eenmaal zo. Maar nu dankte ik God ervoor! Ook als Paulus werd vernederd als volgeling van het Lam, verheerlijkte hij God (vgl. 1Pet.4:16). Hij geeft de nederigen immers genade (1Pet.5:5). Wie de vernederingen van het Lam schuwt, mist dan ook veel genade.

Het Lam zei tegen wie tot Hem kwamen, dat zij vooral één ding van Hem moesten leren: Zijn nederigheid. Nederigheid leidt tot zelfontlediging, totdat wij niets meer zijn en God alles is. Wie nederig is, zoekt en accepteert geen eer voor zichzelf. Hij wijst alle eer af. Wat hij doet, laat hij eerder als kleiner voorkomen dan als groter. Nederigheid baart nooit opzien. Zij vestigt de aandacht nooit op zichzelf.

Jezus deed dat dan ook nooit. Hij verbood zelfs "ten strengste Hem bekend te maken" (Mat.12:16). Niemand zou "op de pleinen Zijn stem horen" (Mat.12:19). Hij wilde geen opzien baren. "Eer van mensen hoef Ik niet" (Joh.5:41).

Wie ware nederigheid heeft geleerd, gaat er niet prat op nederig te zijn. Hij doet steeds een bewuste stap terug. Hij is ondergeschikt, afhankelijk. "De Zoon kan niets doen van Zichzelf", zei Jezus herhaaldelijk (b.v.Joh.5:19). En: "Wat Mijn Vader Mij gegeven heeft, gaat alles te boven" (Joh.10:29). Zelfs als verhoogde Heer, die alle macht heeft in hemel en op aarde, brengt Hij Zijn afhankelijkheid van de Vader tot uiting: "Dit is de openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft" (Op.1:1). Wat een voorbeeld was Hij!

Daarom kan alleen het Lam ons leren wat ware nederigheid is. Zijn eenvoudige discipelen waren Zijn vrienden (Joh.15:15). Hij schaamde Zich niet hen broeders te noemen (Hebr.2:11), ondanks het feit, dat ook zij Hem in het moeilijkste uur in de steek lieten. De opgestane Heer zei tot Maria van Magdala: "Wees niet bevreesd. Ga heen en bericht Mijn broeders, dat zij naar Galiléa gaan en daar zullen zij Mij zien" (Mat.28:10). Hij bleef hen tot het einde accepteren. Petrus had Hem tot drie keer toe verloochend. De jongeling in het lege graf zei tot de ontstelde vrouwen: "Wees niet ontsteld, zegt Zijn discipelen en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galiléa, daar zullen jullie Hem zien" (Marc.16:7). En wat een verootmoediging in Petrus toen hij Hem zag! (Joh.21:15-23). Mensen komen niet tot ootmoed, als men zich van hen terugtrekt, maar wel als men hen liefheeft tot het einde toe. Het Lam leert ons zachtmoedig te zijn en nederig van hart.

Nederigheid is de schoonheid van het Lam. Laten wij toch geen andere schoonheid zoeken. Laten wij zonder zelfzucht of ijdel eerbejag, maar in ootmoedigheid elkaar uitnemender achten dan onszelf (Fil.2:3). Ieder lette daarbij niet op eigen belang, maar op dat van anderen. Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was (Fil.2:4-5).



HET LAM LEERT ONS ZELFVERLOOCHENING

"Hij ontledigde Zichzelf" (Fil.2:7). De diepste betekenis van het kruis is de verlossing van het eigen-ik-leven. "Hij is voor allen gestorven, opdat zij, die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem" (2Cor.5:15). Wij hebben pas dan het kruis begrepen en de kracht van het kruis ervaren, als wij met Paulus kunnen zeggen: "Niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij" (Gal.2:20). Wie het Lam wil volgen, leeft niet meer voor zichzelf, maar voor Hem!

Overal waar de mens zichzelf tot middelpunt maakt, is zonde het gevolg. Zolang wij ons oude leven voeden, houden wij onszelf vast onder de vloek. Zichzelf zoeken betekent tegen God zijn. De bijbel noemt het ik: vlees. En vleselijk-gezind-zijn: vijand zijn van God (Rom.8:7).

"Vlees" is het diepgewortelde egoďsme, dat alleen maar begeert voor zichzelf. "En de vrouw zag, dat de boom goed was om van te eten, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden, en zij nam van zijn vrucht en at" (Gen.3:6), uit begeerte. Het "vlees" wil nooit volhardend wachten, totdat Jezus "zal geven te eten van de boom des levens, die in het paradijs Gods is" (Op.2:7). De egoďstische mens wil hébben, zich in alles tot middelpunt maken. En waar hem dit niet lukt, trekt hij zich beledigd en gekwetst terug.

Dit "eigen-ik" of het "ego" wordt ons in de bijbel in verschillende gedaanten getoond: vertrouwen op eigen kracht, zichzelf-willen-helpen, zelfbehagen, zelfzucht, eigenwilligheid, zelfverheerlijking. We zullen ze nu alle nader bespreken.

Vertrouwen op eigen kracht

Wij hebben er geen notie van, hoe diep het vertrouwen op het vlees in ons zit. Daarom neemt God alles weg, waar wij bewust of onbewust op steunen. Waarom bracht God de Israëlieten in de woestijn? Opdat zij zouden leren omhoog te zien en alles van Hem te verwachten. Het land Gosen had alles voortgebracht, wat zij nodig hadden voor het "vlees". Maar na de exodus hadden zij onder hun voeten niets dan droog, heet zand. Zij moesten tegen zichzelf zeggen: "Willen wij hulp ontvangen, dan moet het van boven komen!" En ja hoor: er kwam manna uit de hemel en er stroomde water uit de rots. Zo haalt God ook bij ons alles onder onze voeten weg, totdat ons niets overblijft dan Hij alleen. Gods doel is: verlossing van "Egypte", het "vlees", het eigen-ik.

Alles heeft ten doel Jezus te kennen en Hem te leren vertrouwen. Daartoe gebruikt God "woestijnervaringen" en zelfs nederlagen. U strijdt bijvoorbeeld met al uw kracht tegen een zonde, die u maar niet kunt laten en u bidt: "O, Heer, help mij". Maar God doet alsof Hij niet wil luisteren. U blijft roepen om hulp. Maar God doet, alsof Hij geen hart voor u heeft. Is Hij werkelijk onbarmhartig? Nee! Juist omdat Hij barmhartig is, kán Hij u niet helpen. Want anders zou u niet verlost worden van uw "Egypte". U zou de goede strijd des geloofs niet leren en de behaalde overwinning van de Heer niet aanvaarden als van de Heer alleen. Dan leert u niet zeggen: "Jezus alleen!". Dan blijft het: "Jezus en ik!"

Wij zien dat gebeuren in het leven van de zelfverzekerde, onafhankelijke Petrus. Als jongeman omgordde hij zichzelf en ging, waar hij wilde. Hij kon alleen van zijn vertrouwen op het vlees worden verlost door een nederlaag (Joh.18:25-27). Door Jezus te verloochenen zou hij "Egypte" in zichzelf herkennen. Hij zou ouder (=wijzer) worden, zijn handen uitstrekken (naar Jezus) en een ander (het Lam) zou hem omgorden en hem brengen, waar hij niet wilde (Joh.21:18). Hij zou de wil van het Lam leren doen.

Men zegt vaak van Jakob, dat hij met God heeft geworsteld. Maar er staat: "Een man worstelde met hem" (Gen.32:24). En toen Jakob uiteindelijk ontwricht op de grond lag, riep hij uit: "Ik laat u niet gaan, tenzij u mij zegent" (Gen.32:26). Toen onderging hij een naamsverandering, een wezensverandering. "Hoe is uw naam? En hij zei: Jakob. Uw naam zal niet meer Jakob luiden, maar Israël" (Gen.32:27). Waarom die verandering? Omdat "je hebt gestreden met God en mensen, en je hebt het aangekund, het goed gedaan" (niet: overmocht, want de Engel van de Heer is niet te overwinnen, Gen.32:28, Vert. Dr.M.Reisel).

De Heer streed ook met Saulus (Hand.9:3-5). Toen Hij hem verscheen op de weg naar Damascus als een licht uit de hemel, bleef hij blind en hulpeloos achter. Hij bad en vastte drie dagen lang, totdat Ananias bij hem kwam. Deze zei: "Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden, Jezus, die u verschenen is op de weg, waarlangs je gekomen bent, opdat je weer zou zien en met de Heilige Geest vervuld zou worden" (Hand.9:17-18). Daarvoor had hij gewerkt in eigen kracht. Later zou hij zeggen: "Ik vermag alle dingen in Hem, die mij kracht geeft" (Fil.4:13).

Het is niet voldoende dat wij ons aan God toevertrouwen; Hij moet Zich ook aan ons kunnen toevertrouwen. Er staat: "Jezus vertrouwde Zichzelf hun niet toe, omdat Hij hen allen kende" (Joh.2:24). Maar toch vertrouwt Jezus Zich wel toe aan wie Hem volgt naar het kruis. Het gaat zo'n discipel niet meer om Zijn zegeningen, maar "om Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap aan Zijn lijden" (Fil.3:10). Johannes volgde als enige discipel Jezus tot het kruis. En aan hem vertrouwde het stervende Lam het dierbaarste toe wat Hij op aarde achter liet: Zijn moeder, die Hem ook gevold was tot aan de voet van het kruis (Joh.19:26).

Zichzelf-willen-helpen

Niets schijnt voor onze natuur moeilijker te zijn dan te wachten. Het "vlees" wil altijd actie. "Willen wij met het zwaard erop slaan?" (Luc.22: 49), zeggen wij met Petrus. "Heer, wilt U dat wij zeggen, dat vuur van de hemel zal neerdalen?" (Luc.9:54), zeggen wij met Jacobus en Johannes.

Het Lam leert ons het vlees te kruisigen. "Laat af en weet, dat Ik God ben" (Ps.46:11). Voor wie het initiatief uit Gods hand haalt, zijn de gevolgen desastreus. Omdat Saul niet kon wachten op Gods tijd, verloor hij al in het tweede jaar van zijn regering Gods zegen op zijn koningschap (1Sam.13:5-14).

Zelfs Abraham kon op een gegeven moment niet wachten. Ondanks Gods belofte, dat hij en Sara een zoon zouden krijgen als erfgenaam (Gen.15:4), deed hij, wat zijn vrouw voorstelde: hij nam haar "Egyptische" slavin en verwekte bij haar een kind: Ismaël (Gen.16:1-16). Daarom zweeg God dertien jaar lang (vgl. Gen.16:16 met 17:1). Hij had God de leiding uit handen genomen. Hij wilde de tijd van wachten verkorten.

Niemand van ons is beter dan Abraham of Saul. Talloze keren hebben ook wij initiatieven genomen, die tegen Gods wil ingingen. Zodoende kwamen ook wij vaak in grote moeilijkheden en hebben we de Almachtige bedroefd.

Wij moeten leren wachten. "Wentel uw weg op de Heer en vertrouw op Hem en Hij zal het maken" (Ps.37:5). "Wees stil voor de Heer en verbeid Hem" (Ps.37:7). Maan uw ziel tot stilte en zeg: "Waarlijk, mijn ziel, keer u stil tot God, want van Hem is mijn verwachting" (Ps.62:6).

Wie het Lam volgen waar Hij ook heen gaat, weten, met Hem te zijn gekruisigd (Gal.2:20). Zij zijn te herkennen aan het kruisdragen. "Wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd" (Gal.5:24). "Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, dat is, niet meer mijn eigen ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven" (Gal.2:20).

Maar als wij het eigen ik nog voeden, gaan wij het kruis met al zijn moeilijkheden liever uit de weg. Of wij proberen van het kruis iets af te halen om het lichter te maken. Dat deed het Lam nooit. Hij droeg dag in dag uit Zijn kruis. "Hij liet Zich verdrukken" (Jes.53:7). Hij trok Zich nooit beledigd terug, als Hij niet werd begrepen. Hij ging wéér naar Judéa terug, ondanks het feit, dat de Joden Hem daar kort geleden nog hadden willen stenigen. En toen de discipelen Hem verbaasd vroegen: "Gaat U daar wéér heen?", zei Hij: "Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld kan zien" (Joh.11:8-9).

Onze eerste zorg als volgeling van het Lam, is met Hem te wandelen in het licht en te roemen "in het kruis van onze Here Jezus Christus, door wie de wereld mij gekruisigd is en ik der wereld" (Gal.6:14). Wring u niet los uit ruwe handen. God gebruikt ze om ons bij te schaven en ons geestelijk volwassen te maken. Wij lezen van Jezus: "Mijn rug heb Ik gegeven aan wie sloegen en Mijn gelaat heb Ik niet verborgen voor smadelijk speeksel" (Jes.50:6). Hij had Zichzelf best kunnen helpen. Hij had de macht om het lijden te ontlopen. Maar Hij bleef, Zijn leven lang, gehoorzaam aan de Geest van God. Het Lam, "in Zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood van het kruis" (Fil.2:8).

Zelfzucht

Het woord spreekt voor zich: zelfzucht is zoeken voor zichzelf. Dit gebeurt niet alleen in de wereld. Ook ikgerichte gelovigen, die de weg van het Lam niet gaan, zijn egoďstische dieven en rovers (vgl.Joh.10:1). De andere schapen van Gods kudde gaan hen niet ter harte (Joh.10:13). Zelfs jegens God is hij zelfzuchtig: "hij heeft in zijn kudde een mannelijk dier en belooft dat wel, maar brengt de Heer toch een ondeugdelijk dier ten offer!" (Mal.1:14).

Onbaatzuchtigheid! Hoe kan een wijnstok vruchtbaar zijn? Alleen door onzelfzuchtig sappen aan de ranken door te geven, die de vruchten doen rijpen. O, hoeveel vruchten blijven onrijp door zelfzucht! Hoeveel werken van de Geest komen niet tot volheid door zelfzucht!

Zelfzucht zit diep in het oude ik. Het openbaart zich, als wij medelijden van mensen willen opwekken, als wij ons beledigd of gepasseerd voelen of als wij dank van mensen verwachten. Het eigen-ik hangt wel graag de onzelfzuchtige uit, als ieder oog hem maar wél ziet en ieder oor hem hoort.

Het geheim van Abrahams leven op dit punt was: "Niets van het uwe zal ik nemen, opdat u niet kunt zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt" (Gen.14:23). Hij weigerde ieder aards loon. Vandaar, dat wij pal daarna lezen: "Hierna kwam het woord van de Heer tot Abram in een gezicht: Vrees niet, Abram, Ik ben uw schild; uw loon zal zeer groot zijn" (Gen.15:1). "Ik zal uw naam groot maken" (Gen.12:2). "Met u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden" (Gen.12:3).

Waarom beloofde God dit? Omdat niet alleen Abrahams geloof groot, maar zijn onbaatzuchtige liefde nóg groter was. Hij zocht niets voor zichzelf. Hij was los van zijn ik! Hij zocht zichzelf niet. Hij ging de weg van de Heer en had gerechtigheid lief, rechtheid (Gen.18:19).

Als deze liefde in ons ontwaakt, sterft de zelfzucht. Dan heerst niet meer de wet van het vlees, maar de wet van de Geest: "Ik kan alleen nog maar voor U leven!" Dan vragen wij niet meer: Hoeveel moet ik opgeven voor Jezus? Of: Hoeveel kan ik opgeven voor Hem? Maar: Hoeveel mag ik opgeven voor Hem, Die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven?

Eigenwilligheid

Het grootste offer, dat een mens aan God kan geven, is de neiging, zijn eigen wil te doen. In alle andere offers had God geen behagen, zo lang Zijn volk haar eigen wil bleef doen (Jes.1:10-20). "In brandoffers en zondoffers hebt U geen welbehagen gehad. Toen zei Ik: Zie, hier ben Ik, om Uw wil, o God, te doen" (Hebr.10:6-10).

Wie het Lam volgt, heeft, net als Hij, besloten om niet alleen tijd en geld aan God te geven, of één of ander werk voor Hem te doen, maar om in alles Zijn wil te zoeken en te doen.

Hoeveel eigenwilligheid is er in het werk voor de Heer! Zelfs in gebeden klinkt het door! Er worden talloze plannen gemaakt en aan God voorgelegd: "Heer, zegent U ons werk". Nee! Laat Hem de plannen maken. Hij wil ons leiden in Zijn wegen (Ps.16:11). "Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde".

Jacobus wees al op die vleselijke plannenmakerij. Hij schreef: "Jullie zeggen: Vandaag of morgen gaan wij op reis naar die en die stad, wij zullen er een jaar doorbrengen, zaken doen en winst maken" (Jac.4:13). Als jullie nu eens zeiden: Als de Heer het wil, zullen wij dit of dat doen" (Jac.4:15). Hoort u het goed? Niet: "Als de Heer het toestaat", maar: "Als de Heer het wil". Dat is heel wat anders.

Het is ook heel iets anders of ik mij aan Gods wil onderwerp, of dat ik Zijn wil met blijdschap doe. Het Lam leert ons Gods wil te doen met blijdschap. Van Hem staat er: "Ik heb lust om Uw wil te doen" (Ps.40:9). "Uw welbehagen te volbrengen, Mijn God, dat is Mijn lust" (Ps.40:9, Leidse Vert.). De Heer Jezus Zelf zei: "Ik ben van de hemel neergedaald, niet om Mijn wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft" (Joh.6:38). En: "Ik zoek niet Mijn wil, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft" (Joh.5:30). Dat was Zijn vreugde, Zijn dagelijkse spijze (Joh.4:34).

Gethsemané was het dieptepunt en tevens het hoogtepunt van Zijn leven. Ook daar zei Hij: "Vader, niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede!" (Luc.22:42). In alle dingen zei Hij: "Ja, Vader, zo is het U welbehagelijk; Ik vind het goed, omdat U het goed vindt". Het Lam leefde volkomen in overeenstemming met de wil van Zijn Vader. Dat was Zijn "juk". Dáárom kende Hij een onafgebroken, volmaakte rust. En nu nodigt Hij ook óns uit, Zijn juk op te nemen, opdat ook wij rust zouden vinden voor onze zielen (Mat.11:28-30). Wij moeten nu niet denken aan een juk van een Hollands melkmeisje, maar aan een ossenjuk: je laat je door Iemand leiden en vormt met Hem samen één span.

De uit Egypte getrokken Israëlieten zouden niet ingaan tot die rust (Hebr.3:11). Zij kenden Zijn wegen niet (Hebr.3:10). Altijd dwaalden zij met hun hart (Hebr.3:10) en begeerden steeds iets, wat God niet wilde. Maar als wij wel Zijn wil doen en onze harten niet verharden (Hebr.4:7), zullen wij wél ingaan (Hebr.4:6) en volkomen tot rust komen van de werken van het eigen ik (Hebr.4:9-10).

Beseften wij maar, dat onze eigen wil een verschrikkelijke tiran is, die als maar brokken maakt. Het doen van onze eigen wil leidt tot eigenzinnigheid en staat gelijk aan de zonde van toverij en afgoderij (1Sam.15:23). Dat wordt gezegd in een hoofdstuk, waarin Saul zijn eigen wil deed en niet die van God. God sprak daarover tot Samuël: "Saul heeft zich van Mij afgekeerd en Mijn bevelen niet uitgevoerd". Hierop ontroerde Samuël hevig, hij riep tot de Heer de hele nacht" (1Sam.15:11). De volgende morgen vroeg "kwam Samuël bij Saul en deze zei tot hem: Wees gezegend door de Heer; ik heb het bevel van de Heer uitgevoerd" (1Sam.15:13). Door deze eigenzinnige houding en die leugenachtige woorden werd Saul verworpen en verloor het koningschap.

Zelfbehagen

"Wij, die sterk zijn, moeten de gevoeligheden van de zwakken verdragen en niet onszelf behagen. Want ook Christus heeft Zichzelf niet behaagd" (Rom. 15:1-3).

Volgens deze verzen kan zelfbehagen voortkomen uit een gevoel van sterk te zijn. Petrus had zijn netten prijsgegeven en kon zeggen: "Wij hebben alles verlaten!" Maar zijn zelfbehagen had hij niet verlaten. Dat begreep hij pas na zijn verloochening.

Begrepen Gods kinderen maar, dat één van hun grootste vijanden zelfbehagen is! Beseften de geestelijke leiders maar, dat het de grootste belemmering is om goede vruchten voort te brengen! Gods kracht openbaart zich pas ten volle, als wij zwak zijn (2Cor.12:9), als wij het "zwakke van God" zijn geworden (1Cor.1:25). David zei: "Hij heeft op de weg mijn kracht gebroken" (Ps.102:24) én "mij aangegord met (Zijn) kracht tot de strijd" (Ps.18:33,40). God leidt wie Hij wil gebruiken altijd tot zwakheid, tot afhankelijkheid aan Hem.

Hoe los het Lam Gods was van zelfbehagen, zien wij het best, als wij twee teksten naast elkaar leggen: Hij is "de afstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht" (Hebr.1:3) en: "Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt" (Jes.53:3). Hij was in de gestalte Gods, maar Hij legde alles af. Hij heeft Zichzelf niet behaagd, maar de smaad kwam op Hem neer (Rom.15:3). Daarom kon Hij zeggen: "Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik Mijn leven afleg"(Joh.10:17-18).

Zelfbehagen komt dus altijd voort uit een gevoel van eigen kracht en superioriteit. Waar onmacht is, is geen zelfbehagen. Waarom oordeelt u uw broeder? Waarom geeft u uw broeder op? Waarom beklaagt u zich over hem? Waarom zoekt u waardering? Waarom bent u veeleisend? Waarom schaamt u zich om eenvoudig werk te doen? Waarom praat u altijd over uzelf? U hebt behagen in uzelf!

Jozef vertelde steeds zijn dromen aan zijn broers. "Zij haatten hem om zijn droom en om zijn woorden" (Gen.37:8). Hij sprak met welbehagen over zijn voorrechten, die zeker niet ongerechtvaardigd waren. Hij moest eerst daarvan verlost worden, voordat God hem kon gebruiken als onderkoning van Egypte. Daartoe kwam hij in de gevangenis, waar God hem louterde van alle zelfbehagen.

Zelfverheerlijking

De Heer Jezus was er duidelijk over. Hij zei: "Ik zoek niet Mijn eer" (Joh.8:50). "Eer van mensen hoef Ik niet" (Joh.5:41). "Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar wie de eer zoekt van zijn zender, die is waar en er is geen onrecht in hem" (Joh.7:18).

Simson deed vaak, wat hij wilde om te laten zien hoe sterk hij was."Eens, toen hij naar Gaza ging, zag hij daar een hoer en kwam tot haar" (Richt.16:1). Allereerst dit: wat had een nazireeër Gods in een Filistijnse stad te zoeken? En waarom gaf hij zijn kracht aan "vrouwen", waar "Lemuëls" (=nazireeërs, die God toebehoren) nadrukkelijk voor worden gewaarschuwd? (Spr.31:3). God had hem kracht gegeven om Israël te verlossen van de Filistijnen. In plaats daarvan liet hij zien, hoe sterk hij was. "Simson bleef slapen tot middernacht. Te middernacht stond hij op, greep de deuren van de stadspoort en de beide posten, rukte ze met grendel en al los, legde ze op zijn schouders en bracht ze naar de top van de berg, die tegenover Hebron ligt" (Richt.16:3). Op welke berg? Die tegenover Hebron (=vereniging, gemeenschap) ligt. De "berg" (=macht), die eenheid met God tegenstaat, is het "vlees", dat eigen eer zoekt.

Hoe vaak komt het voor, dat het eigen ik "eer van anderen behoeft en de eer, die van de enige God komt, niet zoekt"? (Joh.5:44). Hoe vaak hebben wij onszelf met wat van God was en wat in Zijn heiligdom neergelegd had moeten worden, opgesierd en groot gemaakt! Wij zijn soms net als Achan (Joz.7:20-21), die voor zichzelf "goud van vijftig sikkelen gewicht" en een "Babylonische mantel" begeerde om zich ermee te tooien. Laten wij toch eerlijk zijn! De realiteiten van Gods Heilige Geest (vgl. "goud", "vijftig") worden toch gegeven om Hem te verheerlijken (Joh.16:14). Ze zijn toch niet ter meerdere eer en glorie van ons ego! En waarom hadden wij dan toch behoefte aan eer van mensen? Omdat wij nog niet wisten, dat Gods heerlijkheid verborgen is, alleen zichtbaar voor het oog, dat God heeft geopend. Hij verborg Zijn Zoon in de gedaante van een dienstknecht. De tabernakel was bedekt met eenvoudige dassenhuiden. De heerlijkheid van de mens is uitwendig. Gods heerlijkheid is in het verborgene.

"Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid" (Joh.1:14). Waar zag Johannes Zijn heerlijkheid? Waar zag hij de volheid van genade en waarheid? In het Lam Gods. Hij zag Gods heerlijkheid in "de door God geslagene en verdrukte". Daarom kon hij Jezus volgen tot aan het kruis, terwijl alle andere discipelen waren weggevlucht.

Petrus trok graag vergelijkingen tussen zichzelf en anderen. Hij zei bijvoorbeeld: "Wij hebben alles prijsgegeven" (Marc.10:28). "Heer, hoeveel keer kan mijn broeder tegen mij zondigen en moet ik hem vergeven?" (Mat.18:21). Daar sprak eigengerechtigheid doorheen. Daarom trok Jezus bij de ontmoeting met Petrus aan het meer óók vergelijkingen, toen Hij hem vroeg: "Hebt je Mij lief, meer dan dezen?" (Joh.21:15). Méér lief dan de anderen? Petrus ging er niet meer op in. Hij had afgeleerd vergelijkingen te maken. Hij wilde niets meer weten, noch over zichzelf, noch over anderen, dan "Christus en die gekruisigd" (1Cor.2:2). Hij kon nu tot Hem zeggen: "U weet, dat ik U liefheb" (Joh.21:17). Alle schoonheid van het vlees was bij hem verdord: de adem van de Heer had hem aangeraakt (Jes.40:7).

Als wij ons openstellen voor de zegeningen van de Heilige Geest, zoals deze beschreven zijn in Ezechiël 36:24-31, dan verdort niet alleen het "grove vlees", maar ook het "vrome vlees", ook eigen eer. Dan wordt zelfs waar, wat God aan het einde van dat hoofdstuk zegt: "Dan zult u terugdenken aan uw boze wandel en aan uw handelwijze, die niet goed was, en u zult van uzelf walgen om uw ongerechtigheden" (Ez.36:31). Dat is precies het tegenovergestelde van zelfverheerlijking!



HET LAM LEERT STIL TE ZIJN

"Hij werd mishandeld, maar Hij liet Zich verdrukken en deed Zijn mond niet open" (Jes.53:7).

Eén van de eerste dingen, die wij leren in de leerschool van het Lam, is stil te zijn. De Schrift spreekt over een stil zijn voor God, over een stil zijn tot God en over een stil zijn in God.

Voordat God met ons kan spreken, moeten wij stil geworden zijn voor Hem. Toen Abraham zich voor God neerboog en zweeg, begon God na een lange tijd weer tot hem te spreken (Gen.17:3). Daarvóór had God dertien jaar lang gezwegen (Gen.16:16, 17:1). Dat moet een moeilijke periode geweest zijn in het leven van Abraham. Er is niets moeilijker voor een kind van God, dan wanneer God zwijgt. Maar nu zwijgt Abram. Hij laat God spreken.

In het stil zijn voor God leren wij stil te zijn tot God. "Waarlijk, mijn ziel keert zich stil tot God", zei David (Ps.62:2). Het betekent Hem in alles vertrouwen, van Hem alles verwachten, alles aanvaarden uit Zijn hand, in alles de hand van de Vader zien.

Maria van Bethaië had dat geleerd. Toen haar zus Martha zich over haar beklaagde, was zij stil tot haar Meester. Hij zou voor haar antwoorden. Zij dacht: "Doe mij recht, Heer en voer mijn rechtsgeding (Ps.43:1). Als U geen excuus voor mij hebt, dan heb ik het ook niet".

Zij begreep het Lam beter dan al Zijn discipelen. Dat bleek, toen zij Hem voor Zijn begrafenis zalfde (Joh.12:1-11). Zij wist het: "Mijn Heer moet sterven. Hij is het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt". En als "de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf" (vgl. Joh.12:24). Ze wíst het. En door Hem te zalven, versterkte zij Hem en zei als het ware: "Heer, ik begrijp Uw weg". Wat een verkwikking om zó begrepen en bemoedigd te worden!

Maar wat zei Judas? "Waarom is deze mirre niet voor driehonderd schellingen verkocht en aan de armen gegeven?" (Joh.12:5). En "toen de discipelen dit zagen, waren zij verontwaardigd en zeiden: Waartoe die verkwisting?" (Mat.26:8). Verkwisting? Was dat verkwisting? Wat zou Maria dáárop zeggen? Zij zweeg! Zij was stil tot haar Meester. En weer nam Hij het voor haar op en zei: "Waarom vallen jullie deze vrouw lastig. Want zij heeft een goede daad aan Mij verricht. Voorwaar, Ik zeg jullie, overal waar dit evangelie verkondigd zal worden in de gehele wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft" (Mat.26:6-16).

Niemand is zó stil tot God geweest als het Lam Zelf. Hij was stil tot God, toen Hij niets had om Zijn hoofd neer te leggen. Hij was stil tot God, dat Hij een Judas onder Zijn discipelen moest verdragen; stil tot God in de hof Gethsemané; stil tot God aan het kruis.

Tenslotte stil zijn in God. Wie stil is in Hem, is "tot Zijn rust ingegaan" (Heb.4:6-10). Dan is hij "zelf tot rust gekomen van zijn eigen werken" (Heb.4:10). Dan is hij "in Christus", in het huis van de Vader, waar alle wensen en verlangens samengesmolten zijn met de wensen en verlangens van Christus. Dan is zijn ziel de ware sabbathsrust ingegaan. "Kom tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven; neem Mijn juk op u en leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen" (Mat.11:28-29). Dat is een rust, die door niets meer kan worden verstoord.



HET LAM LEERT TE LIJDEN

God wilde, "om veel zonen tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman van hun behoudenis door lijden heen vervolmaken" (Hebr.2:10). In andere woorden: door lijden heen werd Hij een volkomen Verlosser. Niet door woorden, door werken of door wonderen. Hij werd het door te lijden.

Ook hier mogen wij het Lam volgen. "Want hiertoe bent u geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat u in Zijn voetstappen zou treden" (1Petr.2:21). Want een discipel, die het Lam volgt, heeft niet alleen een geopend oor en is door God onderwezen (Jes.50:4). Hij geeft ook zijn rug aan wie slaat en verbergt zijn gelaat niet voor smadelijk speeksel (vgl.Jes.50:6). Hij gaat het lijden niet uit de weg.

Het vlekkeloze Lam Gods leed als geen ander. In de hof van Gethsemané gaf Hij Zich gehoorzaam gewonnen aan de dood aan de voet van de Olijfberg (=de macht van de dood). Maar ná Zijn opstanding stond Hij, met in Zijn hand de "sleutels van de dood en het dodenrijk" (Op.1:18), als triomfator op de Olijfberg (Mat.28:16). Toen had Hij de macht van de dood onder Zich, overwonnen. Nu had Hij alle macht (Mat.28:18). Omdat Hij gehoorzaam werd tot de dood aan het kruis, "heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken" (Fil.2:9).

De Schrift spreekt van vier soorten van lijden: lijden als straf, ter beproeving, ter loutering en lijden terwille van Christus.

De melaatsheid van Mirjam was een straf en moest ertoe dienen haar te bevrijden van de oordeelsgeest (Num.12:1-16).

Israëls trekken door de woestijn diende ter beproeving. Er moest openbaar worden wat er in hun hart was (Deut.8:2). "Geliefden, laat de vuurgloed, die tot beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkomt. Integendeel, verblijdt u naarmate u deel hebt aan het lijden van Christus (door beproevingen en verzoekingen), opdat u zich ook met vreugde zult mogen verblijden bij de openbaring van Zijn heerlijkheid" (1Petr.4:12-13).

Het lijden van Jozef in de gevangenis en dat van Daniël in de leeuwenkuil was voor hen geen straf of beproeving. Dit lijden overkwam hun, omdat zij trouw waren. Trouw bracht Jozef in de gevangenis; trouw bracht Daniël in de leeuwenkuil. God voert Zijn trouwe kinderen door een louteringsproces. "Hij zal zijn als het vuur van de smelter en als het loog van de blekers. Hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend. Hij zal de zonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver, opdat zij de Heer in gerechtigheid offer brengen" (Mal.3:2-3).

Als een medebroeder wordt getroffen door lijden, zeg dan niet te haastig, zoals de eerste drie vrienden van Job: "Wat voor kwaad zou hij gedaan hebben?" Misschien is hij wel verder dan u. Van het Lam Gods lezen wij: "Het behaagde de Heer Hem te verbrijzelen" (Jes.53:10). Gods plan "zal door Zijn hand voortgang hebben en om Zijn moeitevol lijden zal Hij het (=de realisering van het plan van God) zien tot verzadiging toe. Door Zijn kennis zal Hij velen rechtvaardig maken en hun ongerechtigheden zal Hij dragen" (Jes.53:10-11). God verhoorde Hem in alles (Ps.116:1-9). Niet in de de zin van: dit of dat heb ik van God gevraagd en ik heb het ook gekregen. Maar: God heeft antwoord gegeven op mijn vragen, ook op de vraag: Waartoe lijd ik? Wat voor lijden is het, dat ik momenteel doormaak?

Tenslotte: wat is "lijden om de gerechtigheid" (1Petr.3:14), "lijden voor Christus" (Fil.1:29)?

Dat lijden onderga je niet omdat je iets verkeerds hebt gedaan, maar juist omdat je Gods wil doet. Dat is verwijten krijgen van medebroeders en -zusters, omdat je het beste kiest. Dat is gehaat worden, omdat je de waarheid lief hebt. Dan word je beschuldigd van hardheid en liefdeloosheid, omdat je de waarheid durft zeggen. Dan word je beschuldigd van dingen, die je niet hebt gezegd of gedaan. Dan word je verworpen, omdat je tracht te vergaderen in geest en waarheid (vgl. Mat.23:37). Dan word je gemeden, omdat je de dingen die boven zijn, zoekt. Dat is lijden, omdat je de meerderheid niet volgt, maar het Lam. Dat is lijden, omdat je de smalle weg bewandelt, die voert naar buiten de legerplaats om daar Zijn smaad te dragen (Hebr.13:13). Dit lijden brengt intense smart met zich mee. Dat kende de Heer, als man van smarten als geen ander (Jes.53:3).

Lijden maakt het hart ruim: het leert mee te lijden. Niemand kan met armen meevoelen, als hij zelf niet weet wat armoede is. Wie nooit ziek is geweest, kan niet begrijpen wat een ander doormaakt in een ernstige ziekte. Onder meelijden verstaan wij dus niet een medelijdend gevoel te hebben, maar innerlijk mee te kunnen dragen, de nood en moeite van de ander te ondergaan als de betrokken persoon zelf.

Zulk medelijden kende het Lam. "Hij heeft Zich vernederd" (Fil.2:8) en is "in alle opzichten" (Hebr.2:17) "aan de mensen gelijk geworden" (Fil.2:7), "opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen" (Hebr.2:17). Zulk medelijden betoonden mannen als Mozes, Ezra en Nehemia. Zij stelden zich niet boven het volk. Zij maakten de schuld van het volk tot de hunne en beleden die voor God. "Met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden" (Rom.8:19) van zulke mensen. Ook zij zullen door lijden heen worden volmaakt. Zij worden immers "als in een oven gloeiend gemaakt" (Op.1:15).



HET LAM LEERT TE GEHOORZAMEN

"Hij heeft Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood" (Phil. 2:8). Met deze woorden vat de Heilige Geest het leven van het Lam samen. Groot waren Zijn wonderen, onvergelijkelijk Zijn woorden. Maar wat een gehoorzaamheid! God kon het moeilijkste van Hem vragen en Hij deed het met blijdschap(Joh.4:34).

Maar wie wil daarvan horen? De religieuze mens luistert véél liever naar de stem van het vrome vlees om godsdienst ziels te beleven. Hij spreekt over ervaringen, die hij heeft beleefd, van wat hij heeft bereikt, van werk dat hij nog steeds voor God doet. Maar ware levensheiliging door de Heilige Geest doet alle zielse en vleselijke aantrekkelijkheden verdorren (Jes.40:6-8) en laat slechts één verlangen overblijven: God te bevredigen, door gehoorzaam zijn leven te heiligen.

Gehoorzaamheid is eigenlijk niets anders dan heiliging. Vlak voor Zijn kruisdood sprak de Heer Jezus daar nog over. Hij zei: "Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in (Grieks: en=door) de waarheid" (Joh.17:19). Als wij ons zó heiligen en ons stellen "tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer" (Rom.12:1), dan zullen ook zij, die óns gegeven zijn, geheiligd zijn door de waarheid. Niets zet mensen zó tot nadenken dan gehoorzaamheid aan God. Het is het beste, wat wij anderen kunnen geven.

Er zijn zoveel christenen, die altijd maar willen genieten. Zij zijn altijd op zoek naar bevrediging. Zij hebben nog niet geleerd, dat alleen gehoorzaamheid aan God mensen gelukkig maakt. David zei: "Eén ding heb ik van de Heer gevraagd, dit zoek ik: te verblijven in het huis van de Heer al de dagen van mijn leven, om Zijn liefelijkheid te aanschouwen, en om te onderzoeken (te zoeken naar Zijn wil) in Zijn tempel" (Ps.27:4). Het doen van Gods wil maakt sterk en is ware spijze, veel meer nog dan het nadenken erover en het begrijpen ervan.

Waarom hebben zoveel kinderen Gods geen standvastig geloofsleven? Waarom is hun ziel niet verzadigd van Gods vrede? God Zelf geeft ons het antwoord: "Och, luisterden jullie maar naar Mijn geboden, dan zou uw vrede zijn als een rivier" (Jes.48:18). Maar velen zeggen: "Ik heb te weinig geloof; daarom ben ik zo onzeker en heb ik geen vrede!" Wel nee! In de meeste gevallen ligt het niet aan het geloof. Men kan ook met een bevende hand een gave van goud ontvangen. Het ligt meestal aan de gehoorzaamheid. Er is iets in hun leven, wat zij niet willen opgeven. Daardoor kan het werk van de Heilige Geest in hun leven geen voortgang vinden. Het is niet voldoende om te geloven, dat wij verlost zijn. Wij moeten ook de weg gaan, waarop die verlossing kan worden verwerkelijkt. Deze weg is die van gehoorzaamheid. Zij is een voortgaand proces, een opstandingsproces. "Het pad van de rechtvaardigen is als het glanzende morgenlicht, dat steeds helderder straalt tot de volle dag" (Spr.4:18).

Wij blijven vaak steken bij afzonderlijke gebeurtenissen: bij bekering als eerste stap, bij de doop als daad van gehoorzaamheid, bij de doop met de Heilige Geest als een volgende gebeurtenis. Dat is een kardinale denkfout. Zoals een halm niet bestaat uit afzonderlijke knopen, net zo min kan ons leven met de Heer uit afzonderlijke handelingen of ervaringen bestaan. De knopen dienen slechts tot het aanzetten van een nieuw stuk groei, om te komen tot volle wasdom. Ons vlees maakt de gebeurtenissen graag tot hoofdzaak en negeert de weg, die daarop moet volgen. Men is bang voor die weg, want het impliceert gehoorzaamheid. Op die weg wordt het vlees gekruisigd, het eigen-ik verloochend. Het is de weg van het Lam, waarop we goede vruchten voortbrengen (vgl.Mat.3:8,10)

In het denken van David waren de weg kennen en de weg gaan nauw aan elkaar verbonden. Wat de smalle weg betreft bidt hij: "Heer, maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden" (Ps.25:4). En later stelt hij: "Hij leert ootmoedigen Zijn weg" (Ps.25:9). Maar het is niet voldoende, dat wij de weg weten. Wij moeten Gods weg ook gaan in gehoorzaamheid, elk uur van de dag. Daarom bidt David ook: "Leid mij in uw waarheid en leer mij, want U bent de God van mijn heil, U verwacht ik de ganse dag" (Ps.25:5). Wij hebben goddelijk onderricht nodig om op de smalle weg te kunnen wandelen in de voetsporen van het Lam.



HET LAM LEERT TE VERTROUWEN

"Hij heeft Zijn vertrouwen op God gesteld!" riepen de spotters, toen Jezus aan het kruis hing (Mat.27:43). Inderdaad: tijdens Zijn leven als mens had Hij de Vader in alles vertrouwd (Ps.40:5b). En waar leek het op uit te lopen? Vandaar dat men tot Hem riep: "Hij heeft Zijn vertrouwen op God gesteld; laat die Hem nu verlossen, als Hij een welgevallen in Hem heeft" (Mat.27:43).

Zo kan het gebeuren, dat juist daar, waar wij Gods wil op de meest volmaakte wijze vervullen, Gods welbehagen het minst zichtbaar is. Kijk bijvoorbeeld ook maar naar Jozef in de gevangenis. Of naar Daniël in de leeuwenkuil, of naar zijn vrienden in de brandende oven. Alleen zo kan openbaar worden of het ons om Hem alleen gaat of om Zijn gaven.

Het is heerlijk om de Heer te volgen in de zonneschijn. Maar het heeft veel meer waarde, als wij Hem blijven vertrouwen als alles donker wordt. Abram vertrouwde God volkomen. God sprak tot Hem en deed hem heerlijke beloften (Gen.15:4-5). "En hij geloofde in de Heer en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid" (Gen.15:6).

Maar wat gebeurde er toen? Toen kwam de beproeving! Hij zocht Gods aangezicht, maar "hem overviel een angstwekkende, dikke duisternis" (Gen.15:12). Hij had de offers klaargelegd, zoals God had bevolen. Hij wachtte op Hem, dat Hij zou komen om ze te aanvaarden. Maar in plaats daarvan kwamen er roofvogels, die op de offers neerstreken (Gen.15:9-11). En pas "toen de zon was ondergegaan en er dikke duisternis was" (Gen.15:17a), verscheen de Heer. En hoe? Als "een rokende oven met een vurige fakkel" (Gen.15:17b). Hij kwam tot hem in de shekinah-wolk van Zijn heilige heerlijkheid. En God beloofde Abram alles te geven, van "Egypte" tot "Babel" toe (Gen.15:18-21). Het was een zware proef geweest. Abram had stand gehouden: hij achtte God getrouw.

Volgelingen van het Lam krijgen soortgelijke ervaringen. Zij vertrouwen ten volle op Hem. Zij brengen zichzelf voortdurend ten offer en "verwachten Hem de ganse dag". Het lijkt, alsof God het offer niet wil aannemen. Er komen allerlei aanvechtingen. Kan het Hem niet schelen, dat Hij wordt vertrouwd? Maar toch! Als "de zon is ondergegaan en er dikke duisternis is" gaat de Heer op niet mis te verstane wijze antwoorden. Laten wij daarom Abrams houding in gedachten houden, "opdat wij niet traag worden, maar navolgers mogen zijn van hen, die door geloof én geduld de beloften beërven" (Hebr.6:12).

Wanhoop daarom niet, als u in duisternis bent. Ook in het donker woont God (1Kon.8:12). Eer God door Hem te vertrouwen! "Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want U bent bij mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij" (Ps.23:4).

Ja, Hij had Zijn vertrouwen op God gesteld. Dat betekent ook: Hij had aan Hem genoeg. Als wij dát toch eens zouden leren! Dan zouden wij bevrijd zijn van zorgen, angst en stress. God alles, ik niets! Wat heb ik nog meer nodig? "De Heer is mijn herder, mij ontbreekt niets" (Ps.23:1). Wat kan mij deren? Wat mij verontrusten? "Wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen" (Rom.9:33).



HET LAM LEERT TE WERKEN

"Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien en verzadigd worden" (Jes.53:11 St.Vert.).

Er is een arbeid van de ziel, die vooral het Lam heeft verricht. God toonde Hem dingen, waar Hij in Zijn ziel onder tranen mee bezig was. Er staat van Hem: "Hij gaat al wenende voort, die de zaadbuidel draagt" (Ps.126:6, het zaad is het Woord). "Mijn ogen vloeien als waterbeken, omdat men Uw wet niet onderhoudt" (Ps.119:136). Hij weende over Jeruzalem (Luc.19:41) en zei: "Och, begreep je maar wat tot uw vrede dient!" (Luc.19:42). En "toen Hij de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, omdat zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben" (Mat.9:36). Dit soort arbeid mogen wij leren in de leerschool van het Lam.

Als Paulus spreekt over zijn werk, begint hij met de woorden: "Als medewerkers vermanen wij u ....."(2Cor.6:1). Medewerkers van wie? Van God! En hoe is Gods werkwijze? Hij zegt het in het laatste vers van het vorige hoofdstuk: "Hij heeft Hem, Die geen zonde gekend heeft, voor ons tot zondoffer gemaakt" (2Cor.5:21). Kunt u aanvoelen (want begrijpen kunnen wij het nooit), wat het voor Hem moet hebben betekend, Zijn Zoon tot offerdier te maken? Kunt u aanvoelen, wat het voor het Woord Gods is geweest, om tot Lam Gods te worden gemaakt, ook voor wie Hem tegenwerkten en doodmartelden? Zo werkt God. En als Paulus zegt: "Ik ben een medewerker Gods", geeft hij aan, dat het hem ook álles mag kosten. Lees maar, wat hij er zelf over schrijft:

"Wij doen onszelf in alles kénnen als dienaren Gods: in veel dulden, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, in slagen, in gevangenschappen, in oproeren, in moeiten, in nachten zonder slaap, in dagen zonder eten, in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in rechtschapenheid, in de Heilige Geest, in ongeveinsde liefde, in de prediking van de waarheid, in de kracht Gods; met de wapenen der gerechtigheid in de rechterhand en in de linkerhand; onder eer en smaad, in kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders en toch betrouwbaar; als niet bekend en toch wel bekend; als stervend en toch levend; als getuchtigd, maar niet ten dode; als bedroefd, maar altijd blij; als arm, maar velen rijk makend; als niets hebbend en toch alles bezittend" (2Cor.6:4-10).

Zeg daarom niet te haastig, dat u een werker in Gods Koninkrijk bent! Bent u een medewerker Gods? Werkt u met Hem mee of werkt u Hem tegen? Houdt plicht u gaande of liefde? Werkt u, omdat u bereid bent uw leven te verliezen? Of werkt u, omdat u dingen en status voor uw ego zoekt? Doet u de werken Gods (Joh.6:28)? Of probeert u iets godsdienstigs van de grond te krijgen en zijn uw werken babylonisch?

De schrift toont ons de Heer Jezus hoofdzakelijk in twee gedaanten: als dienstknecht en als lam. Hij kwam om te dienen, maar Zijn dienen werd hoe langer hoe meer een dragen. In de dienstknechtsgestalte werd de lamsgestalte steeds duidelijker zichtbaar. Wij zien verschillende kruispunten op Zijn weg van dienen en daar werd iedere keer de weg steiler en smaller. De kring van discipelen werd steeds kleiner, naarmate het doel duidelijker werd (Joh.6). Ook de twaalf begrepen er niets van, toen Hij zei: "We gaan naar Jeruzalem en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden aan de overpriesters en schriftgeleerden en zij zullen Hem ter dood veroordelen. En zij zullen Hem overleveren aan de heidenen om Hem te bespotten, te geselen en te kruisigen" (Mat.20:18-19). De Dienaar konden zij nog wel begrijpen, het Lam niet meer. Gods Geest leidde Hem stap voor stap verder. Iedere stap leek een stap omlaag, tot de dood aan het kruis. En hoe dichter Hij bij het kruis kwam, des te duidelijker kwam de gestalte van het Lam te voorschijn uit die van de dienstknecht. Zo leidt de Heer ieder, die het Lam volgt, waar Hij ook heen gaat. Ook hun dienen wordt steeds meer een dragen.



HET DOEL VAN DEZE WEG

Wat is het doel van deze weg? Als wij daar geen zicht op hebben, zullen wij nooit met blijdschap leren van het Lam en Hem volgen, waar Hij ook heengaat. Het is: volkomen vereniging met Hem. Wie de leerschool van het Lam doorloopt, vormt één "lichaam" met het Lam Gods: "En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion en bij Hem 144.000, op wier voorhoofden Zijn naam en de naam van Zijn Vader geschreven stonden. En zij zongen een nieuw gezang en niemand kon het gezang leren dan de 144.000, de losgekochten van de aarde. Dat zijn zij die het Lam volgen waar Hij ook heengaat. Ze zijn gekocht uit de mensen als eerstelingen voor God en het Lam. En in hun mond is geen leugen gevonden; zij zijn onberispelijk" (Op.14:1-5).

Deze eerstelingen voor God en voor het Lam worden "losgekocht van de aarde" om mee te werken aan de verlossing, als medewerkers Gods. "Verlossers zullen de berg Sion bestijgen om over het gebergte van Esau (=de macht van het vlees) gericht te oefenen; dan zal het koningschap zijn aan de Heer" (Ob.21). En wat is gericht oefenen? Dat is rechtzetten! Want wie iets richt, zet iets dat scheef staat, recht.

Deze rechtzetting en verlossing betreft niet alleen de verloren mensheid, maar de gehele in barensnood zijnde schepping (Grieks: kosmos, Rom.8:19). Als Paulus spreekt over de verkondiging van het evangelie, sluit hij alle mensen in. Maar als hij spreekt over verlossing, dan breidt hij de kring nog verder uit en sluit hij de hele zuchtende schepping in (Rom.8:19-23). "Met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden van de zonen Gods" (Rom.8:19). Er wordt gewacht op hen, die de weg van het Lam gehoorzaam zijn gegaan. Want "elk schepsel in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem, die op de troon gezeten is, en het Lam zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden" (Op.5:13). Dat is immers Jezus' doel: alles aan de Vader te onderwerpen, opdat God alles is in allen (1Cor.15:20-28).

Volgens de bijbel is de hoofdtaak van de Heilige Geest in deze "eeuw der genade" "een volk voor Zijn naam te vergaderen" (Hand.15:14). Als dit volk voltallig is, wordt Jezus mét hen openbaar (Col.3:4). Zij zullen "het licht verkondigen én aan het volk (=Israël) én aan de heidenen" (Hand.26:23, St.Vert.). Het gaat om een volk van "eerstelingen onder Zijn schepselen" (Jac.1:18), "eerstelingen voor God en voor het Lam" (Op.14:3-5). Zij allen dragen de naam (=wezen) van het Lam en de naam van de Vader (Op.14:1b). Het tot stand brengen van dát volk is Gods prioriteit.

Het is daarom niet voldoende dat wij mensen alleen tót Christus brengen ter bekering. Net als Paulus moeten wij besluiten, niets "te weten dan Jezus Christus én die gekruisigd" (1Cor.2:2). D.w.z.: niets te beogen dan de Heer te volgen in de voetstappen van Zijn lijden (vgl. 1Petr.2:21). Hij wees de gelovigen nadrukkelijk op de weg én de leerschool van het Lam. Zo werkte hij als medewerker Gods, volgens de richtlijnen van de Heilige Geest. Daarom had zijn werk waarde voor de voortgang van het Koninkrijk Gods. Als een bekeerling de weg van het Lam niet gaat, heeft zijn leven alleen waarde voor hemzelf: zijn zonden zijn vergeven.

Ieder kind van God is dus gered van zonden. Maar er is iets, wat veel dieper gaat dan dat. Dat is het weten één te worden gemaakt met het Lam door de Heilige Geest, die "zowel het willen als het werken in ons werkt" (Fil.2:13), te weten te zijn geroepen "als eersteling voor God en voor het Lam" (Op.14:4), te weten vóór de grondlegging der wereld door God te zijn uitverkoren voor het zoonschap (Ef.1:4). Jezus zegt: "Alles, wat de Vader Mij gegeven heeft, komt tot Mij" (Joh.6:37,39). Wie tot Jezus is gekomen, is één van de begenadigden, die de Vader aan de Zoon heeft gegeven. "En wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen" (Joh.6:37).

Wie deze roeping ziet en het Lam volgt, waar Hij ook heen gaat, doet drie dingen. Ten eerste dankt hij God uit het diepst van zijn hart, dat hij als mens is geboren en is uitgekozen om de weg van het Lam te mogen gaan om van Hem te leren.

Ten tweede gaat hij door het leven als iemand, wiens "leven is verborgen met Christus in God" (Col.3:3). Hij is in de wereld, maar niet van de wereld. Het Lam is zijn lamp (Op.21:23). Zijn Woord is een lamp voor zijn voet en een licht op zijn pad (Ps.119:105).

En ten derde beperkt hij de bijbel niet meer tot zijn eigen opvattingen en ervaringen. Paulus, die aan de voeten van Gamaliël was onderwezen in de schriften en héél veel wist, zei: "Eén ding doe ik: vergetende wat achter mij ligt en mij uitstrekkende naar wat voor mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs van de roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus" (Fil.3:14). Wie het Lam volgen, waar Hij ook heengaat, komen bij het Lam op de berg Sion (Op.14:1), bij Hem op de troon (Mat.19:28, Op.7:17).


Home page