Home page



Gedenk de sabbatdag



"Gedenk de sabbatdag, dat u die heiligt;
zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen;
maar de zevende dag is de sabbat van de Heer, uw God;
dan zult u geen werk doen, noch uw zoon, noch uw dochter,
noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee,
noch de vreemdeling die in uw steden woont.
Want in zes dagen heeft de Heer de hemel en de aarde gemaakt,
de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag;
daarom zegende de Heer de sabbat en heiligde die"
(Ex. 20:8-11)




INLEIDING

Er zijn veel gelovigen, die niet zeker weten, wat ze aan moeten met het gebod om de sabbat te gedenken en te heiligen. Hoe moeten wij dat doen? Hoe wordt die dag geheiligd? Wat houdt het vierde gebod voor ons in?

In Israël nemen orthodoxe Joden het gebod net zo natuurlijk en letterlijk als de schriftgeleerden in de dagen van Jezus. Zij laten bijvoorbeeld in gebouwen de lift automatisch op elke etage stoppen, als op vrijdagavond de sabbat (=de zaterdag) begint. Niemand hoeft dan op een knop te drukken.

Ik ben opgevoed in een christelijk gezin, dat dit gebod ook zeer letterlijk nam. Die dag (nu dus de zondag) mocht in geen geval worden ontheiligd. Wij tuinierden dan niet en reisden niet met het openbaar vervoer. Mijn vader liet zijn kinderen beslist niet op zondag buiten fietsen of voetballen.

De meesten van ons gaan niet meer zo ver. Maar toch heeft menigeen wel eens een vaag gevoel van onbehagen gehad, als van een zondag een gezellige uitgaansdag werd gemaakt. Mag dat wel? Mag je op zondag in de tuin werken? Of in huis een klus doen? Of boodschappen doen?

Onder de wet van Mozes kon dat inderdaad niet. "Ieder zal Mijn sabbatten houden: Ik ben de Heer, uw God" (Lev. 19:3). "Zes dagen mag men werken, maar op de zevende dag zal er een volledige sabbat zijn, de Heer geheiligd: ieder die op die dag werk verricht, zal zeker ter dood gebracht worden" (Ex. 31:15).

Daarom werd er eens een man gestenigd, omdat hij op sabbat hout gesprokkeld had (Num. 15:32-36). En later waarschuwde Jeremia: "Hoed u ervoor, om uws levens wil, dat u op de sabbatdag geen last draagt en door de poorten van Jeruzalem binnen brengt" (Jer. 17:21).

Latere profeten wijzen op de grote zegen, die het houden van de sabbat met zich meebrengt: "Dan zult u zich verlustigen in de Heer en Ik zal u doen rijden over de hoogten der aarde en u doen genieten het erfdeel van uw vader Jakob" (Jes. 58:13-14). En: "Dan zullen door de poorten van deze stad koningen en vorsten, die op de troon van David zitten, binnen komen, rijdende op wagens en op paarden" (Jer. 17:24-25) en zij zullen "brengen brandoffer, slachtoffer, spijsoffer, wierook, en ook lofoffer in het huis van de Heer" (Jer. 17:26).

Nu komen wij tot de volgende vragen: Wat is de sabbat eigenlijk? Hoe geldt het gebod "Gedenk de sabbatdag, dat u die heiligt" voor óns? Wat bedoelt de bijbel met: "Er blijft een sabbatsrust voor het volk van God" (Heb. 4:9)? Gáát het eigenlijk wel om een bepaalde dag van de week, om een vrijdag, zaterdag of zondag?



DE ZONDAG

In het oude testament was de sabbat de zevende dag van de week, de zaterdag. Maar al vroeg in de kerkgeschiedenis werd de zondag aangewezen als rustdag. Jezus werd immers op de eerste dag van de week opgewekt (Mat. 28:1, Marc. 16:9, Luc. 24:1, Joh. 20:1). En daarom zouden de eerste gemeenten op de eerste dag van de week hun samenkomsten hebben gehad. Maar is dat zo?

Er wordt namelijk op geen enkele tekst van het Griekse nieuwe testament gesproken over een samenkomst op de eerste dag van de week. Wel in de Nederlandse vertaling ervan: "Toen wij op de eerste dag van de week samengekomen waren om brood te breken, hield Paulus een toespraak" (Hand. 20:7). Maar dat staat niet in de Griekse tekst. Daar staat: "Toen wij "op de eerste van de sabbatten samengekomen waren....".

Waar heeft dat betrekking op? Het heeft te maken met de komst van het Joodse pinksterfeest, het "feest der weken": "U zult tellen vanaf de dag waarop u de garve van het beweegoffer gebracht hebt zeven volle weken; tot de dag na de zevende sabbat" (Lev. 23:15-16). Vanaf het pascha telde men zeven sabbatten af tot het feest der weken. Er staat in Handelingen 20 vers 7 niet: "Toen wij op de eerste dag der week samengekomen waren". Maar: "Toen wij op de eerste van die (zeven) sabbatten samengekomen waren". Het was dus op een zaterdag.

Verder worden de woorden de eerste dag van de week alleen nog genoemd door Paulus in: "Elke eerste dag van de week moet ieder van u naar vermogen thuis iets wegleggen en dat opsparen, opdat er niet pas na mijn komst inzamelingen moeten gehouden worden" (1Cor. 16:2).

Ook deze tekst bevat geen aanwijzing, dat de kerkelijke zondag in de plaats zou zijn gekomen voor de Joodse sabbat. Het houden van de zondag kwam in de kerk ná nieuwtestamentische tijden. Het werd overgenomen, samen met andere heidense gebruiken, uit bestaande godsdiensten uit die tijd.



DE DAG DES HEREN

"Maar de zondag is toch de dag des Heren?" zeggen sommigen meteen.

Is dat wel gegrond op de bijbel? Of ook op traditie? Want het is niet zo logisch. Bijna alle profeten spraken over de komende dag des Heren. Zij spraken niet over een dag van de week, maar over een "eeuw" (=periode) van komend oordeel over de onrechtvaardigen en verlossing voor het volk van God. Voor Babel geldt op die "dag": "Jammert, want de dag van de Heer is nabij; hij komt als een verwoesting van de Almachtige" (Jes. 13:6). En voor de Zijnen geldt: "Nabij is de dag van de Heer; Hij heeft een offermaal bereid; Hij heeft Zijn genodigden geheiligd" (Zef. 1:7).

Ook Paulus schrijft over de dag van de Heer, als hij het heeft over de komst van de Heer Jezus (bv. in 1 Thes. 5:2). En in Openbaring komt de term maar één keer voor: "Ik kwam in vervoering des geestes op de dag van de Heer" (Op. 1:10).

Wat gebeurde er met Johannes? Hij werd in de geest meegevoerd naar de dag, die genoemd wordt "groot en zeer geducht" (Joël 2:11,31). In die geestelijke sferen werd hem de heilige stad Jeruzalem getoond, die aan het neerdalen was uit de hemel van God (Op. 21:10). De bijbel spreekt hier niet over een bepaalde dag van de week, maar over de komende dag des Heren.



SCHADUW EN WERKELIJKHEID

Nu een vraag: hoe dacht Paulus, die over zóveel onderwerpen schreef, over het houden van de sabbat? Hij zei: "Laat niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, dingen, die slechts een schaduw zijn van wat komen moest, terwijl de werkelijkheid van Christus is" (Col. 2:16,17). We lezen dit ook in de Hebreeënbrief: "De wet heeft slechts een schaduw van de toekomstige goederen, niet de gestalte van die dingen zelf" (Heb. 10:1).

Uit deze verzen blijkt, dat de sabbat, net als elke andere oudtestamentische inzetting, een schaduw is van een geestelijke realiteit. We moeten dus weten wat schaduw is en wat realiteit. Voor een natuurlijk mens geldt alles wat hij ziet en voelt als werkelijkheid. Geestelijke zaken zijn voor hem onrealistisch. Maar voor geestelijke mensen is het geestelijke de blijvende realiteit.

Het zichtbare (het vlees, het oude) is schaduw, het geestelijke (de geest, het nieuwe) is realiteit. De wet is schaduw; het levende Woord van God is realiteit. Gods volk Israël is schaduw; het uit Geest geboren volk is realiteit.

Het is duidelijk, dat een realiteit altijd meer is en beter dan de schaduw ervan. Alle oude offers, rituelen en wetten zijn van voorbijgaande aard. Het nieuwe moet komen (Heb. 8:13). Jezus maakt alles nieuw. (Op. 21:5). In Hem is de waarheid, de realiteit van de Geest.

Het is net als met een fantastische foto. Maar wat is een foto, vergeleken met de realiteit zelf? Je gaat toch niet uren lang naar een foto van je verloofde zitten kijken, als ze naast je op de bank zit. Zo ongeveer is de relatie tussen het oude en het nieuwe. "De wet (met prachtige "foto's") is door Mozes gegeven, de waarheid (Grieks: aletheia=realiteit) is door Jezus Christus gekomen" (Joh. 1:17).

Dat de wet een schaduw is van een komende realiteit in Christus geldt natuurlijk ook voor de sabbat, als deel van de wet. Zij is een overeenkomst en een teken tussen God en Israël. Zij "zullen de sabbat onderhouden, als een altoos durend verbond. Tussen Mij en de Israeliëten is deze een teken voor altoos, want in zes dagen heeft de Heer de hemel en de aarde gemaakt, en op de zevende dag rustte Hij" (Ex.31:16-17).

We komen nog even terug op Paulus. Wat raadde hij zijn volgelingen aan? Om zich uit te strekken naar de geestelijke betekenis van de sabbat. "Zoek de dingen, die boven zijn" (Col.3:1), "niet die op de aarde zijn" (Col.3:2). "Dagen, maanden, vaste tijden en jaren nemen jullie waar. Ik vrees, dat ik mij tevergeefs voor jullie ingespannen heb" (Gal.4:10,11).

Natuurlijk is het goed om één dag in de week niet te werken. Gods wet is volmaakt. Zo'n dag zou voor iedere gelovige een verlustiging moeten zijn, een belangrijke dag (Jes.58:13). Maar het ging God niet om een dag alleen. Het gebod "Gedenk de sabbatdag en heilig die" heeft een veel hogere bedoeling. Wij moeten "zes" dagen lang de goede werken Gods doen, opdat wij tot Zijn rust ingaan (vgl. Heb.4:6). Hij had Zijn werken en Zijn rust op het oog. Als teken daarvan gaf Hij Israël het gebod zes dagen te werken en de sabbat te houden. "Want in zes dagen heeft de Heer de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag" (Ex.20:11)



GODS SCHEPPINGSWERK

Wij lezen, dat "God alles zag, wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed" (Gen.1:31). "Toen God op de zevende dag het werk voltooid had, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag (7=volmaaktheid) van al het werk, dat Hij gemaakt had" (Gen.2:2).

Het is merkwaardig, dat God zou moeten rusten. Want Hij, de Schepper van de einden der aarde, wordt nooit moe of mat (Jes.40:28). Het Hebreeuwse werkwoord, dat in Genesis gebruikt wordt (shabbath), betekent eigenlijk niet rusten, omdat men moe is geworden. Het betekent zich onthouden van inspanning. God onderbrak Zijn werk. Na deze shabbath (onderbreking) zou Hij verder werken. Jezus zegt: "Mijn Vader werkt tot nu toe" (Joh.5:17). God werkt nog wel degelijk, tot op de dag van heden.

Alles wat God op aarde en aan het firmament schiep, was bedoeld als afbeelding van iets hogers. Hij sprak: "Er zij licht". "En er was licht; en God noemde het licht dag" (Gen.1:3-4). De dag wás het licht niet. De dag was maar een beeld van hemels licht. Het ware licht is bij God. Het Licht, dat ieder mens verlicht, zou later in de wereld komen: de Zoon van God (Joh.1:9, 8:12). En "God noemde het uitspansel hemel" (Gen.1:8). Het wás de hemel niet, maar een heenwijzing naar de hemel. Op de zesde scheppingsdag (6= getal van de mens) schiep Hij de mens, met als hoogtepunt de mens naar Zijn beeld en gelijkenis (Gen.1:27).

In het scheppingsverhaal zien wij dus het begin van de genesis (=wording) van alle dingen. En wat een begin was het! Alles wat God gemaakt had kwam als beeld volmaakt overeen met het hemelse. Het klopte perfect. Hij zag hoe goed het was, wat Hij "scheppende tot stand had gebracht" (Gen.2:3). Daarom hield Hij op de zevende dag met voldoening in Zijn hart een shabbath (=een onderbreking).

Wij vinden in het oude testament verschillende heenwijzingen naar het feit, dat God Zijn scheppingswerk nog steeds voortzet op een hoger plan. Bijvoorbeeld in het leven van Henoch (=ingewijde). Zes geslachten waren hem voorgegaan. Hij was de zevende na de schepping. Hij wandelde met God, driehonderd jaar lang (300=algehele overwinning). En daarna "was hij niet meer, want God had hem opgenomen" (Gen.5:24). God had in Henoch Zijn scheppingswerk voltooid op een grootse, heerlijk reële wijze.

Ook in Noach (=rust) deed God iets heel bijzonders. Toen hij vijfhonderd jaar oud was, verwekte hij drie zonen (Gen.5:32). Hij was zeshonderd jaar oud, toen hij in de ark ging. Toen, in zijn "zevende dag", brak er voor hem en de zijnen een nieuwe periode aan. De lange tijd van werken aan de ark was voorbij. Hij mocht een sabbat ervaren na alle werken die God hem had opgedragen. Na de zondvloed plantte hij een nieuwe "wijngaard" (Gen.9:20) en beleefde hij een nieuw tijdperk, driehonderdvijftig jaar lang (=7x50, 7=volheid, 50=Gods Geest).

Ook Abraham werd uitgekozen, om véél betere dingen te zien dan aardse schaduwbeelden. God toonde hem hemelse realiteiten, een "stad met fundamenten, waarvan Hij de ontwerper en bouwmeester" was. Zelfs in het beloofde land voelde hij zich niet thuis. Hij was er als een vreemdeling. Hij bleef uitzien naar het hemelse Kanaän, dat zou stromen van melk en honing en bleef naar dát land zoeken (Hebr.11:9-10).



DE NIEUWE SCHEPPING

Het duidelijkst zien wij de voortgang van Gods scheppingswerk in geest en waarheid in Jezus van Nazareth als Zoon des mensen.

Hij werd verwekt door de Geest van de Allerhoogste, werd geboren uit een mens en was onderdanig aan Jozef en Maria. Van jongs af aan was Hij bezig met de dingen van Zijn Vader (Luc.2:49). Met Zijn hele wezen verlangde Hij ernaar, de wil van God te doen (Ps.40:9). De Vader wekte Hem elke morgen het oor. Wat was Hij een gewillige leerling (Jes.50:4)! Hij leerde in alle omstandigheden eerst naar Hem te luisteren. God had Zijn "oor" geopend. Nooit was Hij weerspannig. Hij deinsde nergens voor terug (Jes.50:5).

Zo "nam Hij toe in wijsheid en grootte en genade bij God en mensen" (Luc.2:52), dertig jaar lang (30=6x5, "zes dagen" van 5=genade). "En zo leerde Hij, hoewel Hij de Zoon was, te horen in alles wat Hij onderging" (Heb.5:8, letterlijk vertaald). Hij werd Adam (=mens), Zoon van God (Mat.3:17), na een groei- en vormingsproces van 30 jaar. In die periode liet Hij de Vader tot Hem spreken, in Hem blijven en Zijn scheppingswerken doen (vgl.Joh.14:10). Hij deed nooit iets op eigen initiatief, maar alleen als Hij het de Vader eerst had zien doen (Joh.8:28). Toen brak er na die 30 jaar een jarenlange shabbath in Hem aan. Vandaar dat Hij kon zeggen: "Kom tot Mij en Ik zal u rust geven" (Mat.11:28). Tijdens Zijn bediening wandelde Hij als Zoon des mensen (=als wezen van vlees en bloed) volkomen in de rust van God. Hij was de rust van God ingegaan (vgl. Hebr.4:3-6).

Wel werd steeds geprobeerd die rust te verstoren. Dat kwam niet alleen van tegenstanders, maar ook van familie en vrienden. Zijn moeder vroeg Hem, het "wijn tekort" op de bruiloft te verhelpen, maar vóór Gods tijd (Joh.2:3-4). Zijn broers wilden, dat Hij naar het loofhuttenfeest in Jeruzalem ging, om Zich aan het volk bekend te maken (Joh.7:4). Petrus probeerde Hem van de weg van lijden en sterven af te houden (Mat.16:22). Maar altijd ging Hij rustig door met het doen van de wil van Zijn Vader. En toen Hij wist, "welke dood Hij sterven zou" (Joh.12:33), liet Hij die rust niet verstoren. Zelfs in Gethsemané bad Hij: "Vader, niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede!" (Luc.22:42). In alle dingen zei Hij: "Ja, Vader, zo is het U welbehagelijk; Ik vind het goed, omdat U het goed vindt".



DE NIEUWE SCHEPPING IN CHRISTUS

Bij het gedenken van de sabbat moeten wij niet alleen terugzien op wat God heeft gedaan. Niet alleen terugdenken, hoe Hij, na zes dagen te hebben gewerkt, Zijn werken onderbrak op de zevende dag (Ex.20:8-11). Zelfs niet alleen bedenken, hoe dat bewaarheid werd in Jezus van Nazareth. Wij moeten vooral denken aan wat God nu doet en uitzien naar wat Hij gaat doen. Alles wordt nieuw gemaakt (Op.21:5). Er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (Op.21:1). Er komt een shabbath die zijn weerga niet kent!

Gods nieuwe schepping werd dus eerst voltooid in Jezus van Nazareth. In Hem brak de "zevende dag" als eerste aan. Hij was immers de eerstgeborene van de hele schepping (Col.1:15). Daarna zal dat scheppingsproces zijn climax bereiken in de zonen (2Cor.5:17), dan in de bruid (Op.21:2), dan in de volkeren (Op.21:24-26), dan in de hele schepping (Rom.8:19). Want de Heer maakt alles nieuw (Op.21:5). Er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (Op.21:1). Maar nu zien wij uit naar de openbaring van de zonen Gods.

Wat zijn dat, zonen Gods? Zij hebben God lief boven alles en zijn, volgens Zijn plan, geroepen tot zoonschap (Rom.8:28). Hij heeft hen tevoren gekend en tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon. Zij laten zich volkomen leiden door Zijn Geest (Rom.8:14). Jezus is de eerste onder hen, het Hoofd (Rom.8:29).

Alle leden van dat zonenlichaam "volgen het Lam, waar Hij ook heengaat" en worden "gekocht uit de mensen als eerstelingen voor God en voor het Lam" (Op.14:4). Ook zij laten de Vader "zes" dagen werken in hun leven om daarna tot Zijn rust in te gaan (Heb.4:6).

Zij zijn in Christus eerstelingen van de nieuwe schepping (vgl. 2 Cor.5:17). Zij staan (dat duidt op rust) bij de voleinding van deze "eeuw van genade" bij het Lam, op de berg Sion, "met op hun voorhoofden Zijn naam en de naam van de Vader" (Op.14:1). Jezus had immers gezegd: Ik zal hun "geven met Mij te zitten (duidt ook op rust) op Mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en zit bij Mijn Vader op Zijn troon" (Op.3:21).

"De sabbat gedenken" is dus ook uitzien naar wat God gaat doen op de grote "dag des Heren", op de "sabbat" van "duizend" jaar (Op.20:1-6). Op die "dag" vindt op grote schaal een bevrijding plaats van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid. De hele kosmos zal bevrijd worden tot de vrijheid in God. Daarom wacht zij met smart op het openbaar worden van de zonen Gods (Rom.8:19). Door hun bediening zal zij bevrijd worden (Rom.8:20). Overal zal dan opnieuw de paradijselijke "vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God" worden ervaren (Rom.8:21). Betwijfelt u dat? Gaat dit ooit plaatsvinden? Het is inderdaad nog niet geopenbaard (Rom.8:18). Maar dat het zal gebeuren, staat duidelijk in de schrift.

Nu nóg een vraag: wanneer zal dat gebeuren? In een verre toekomst? Of is de komst van de "dag des Heren" nabij? Zijn er aanwijzingen in de schrift, wanneer die dag komt?

Nergens in de bijbel vinden wij daar directe heenwijzingen naar. Het is trouwens niet onze zaak "de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft" (Hand.1:7). Maar toch heeft God wat dit betreft een toezegging gedaan aan Daniël. Deze had allerlei wonderlijke visioenen gezien en woorden gehoord. En daarna schreef hij: "Ik hoorde het wel, maar begreep het niet en zei: Mijn heer, waarop zullen deze dingen uitlopen? En hij zei: Ga heen, Daniël, want deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot de eindtijd. Velen zullen zich laten reinigen en zuiveren en louteren, maar de goddelozen zullen goddeloos handelen; en geen der goddelozen zal het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan" (Dan.12:8-10).

Welnu, de Heilige Geest heeft de laatste tijd Zijn licht laten schijnen over de chronologie (=tijdsrekening) van de bijbel. Heel bijzondere dingen werden geopenbaard. Net zoals de Heer "in zes dagen de hemel en de aarde heeft gemaakt, de zee en al wat daarin is, en rustte op de zevende dag" (Ex.20:11), blijkt de heilsgeschiedenis te bestaan uit zes "dagen" van elk duizend jaar, gevolgd door een "sabbat" van duizend jaar. God rekent van Adam tot Abraham exact 2000 jaar, van Abraham tot Jezus exact 2000 jaar. Ook van Jezus tot heden is ongeveer 2000 jaar.

Petrus schrijft: "Dit mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als één dag" (2Pet.3:8). "Zes dagen" kan dus heenwijzen naar "zes duizend jaar", de "zevende dag" naar "het duizendjarig rijk" als shabbath (onderbreking). De "zes dagen" sinds Adam worden gevolgd door de "sabbatdag van de Heer, uw God". Hoe dicht is die dag dan nabij!

Het rijk van Salomo is een heenwijzing naar deze "dag van de Heer", die gekarakteriseerd wordt door vrede, wijsheid, rust en voorspoed. Salomo zei zelf: "Nu heeft de Heer, mijn God, mij overal rust gegeven: er is geen tegenstander en generlei onheil" (1 Kon.5:4). Voor er is geen tegenstander staat er in het Hebreeuws letterlijk er is geen satan.

Dit komt opmerkelijk overeen met wat er gebeurt in het komende vrederijk: "En ik zag een engel neerdalen uit de hemel met de sleutel van de afgrond en een grote keten in zijn hand; en hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan, en hij bond hem duizend jaren, en hij wierp hem in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem, opdat hij de volkeren niet meer zou verleiden, voordat de duizend jaren voleindigd waren" (Op.20:1-3). Er zal geen satan zijn op "de dag des Heren".

Er zijn dus "dagen" als van "duizend jaar" (2 Pet.3:8), "eeuwen", "tijden", waarin God Zijn scheppingswerk doet met de schepping. Maar bij de Heer is een dag niet alleen als duizend jaar. Duizend jaar is ook als één dag (2 Pet.3:8). Met andere woorden: God doet Zijn werk niet alleen in zeven dagen van "duizend" jaar met Zijn schepping. Hij doet hetzelfde in individuen, in menselijke schepsels.

Hoe doet Hij dat in u en mij? Om dat te begrijpen, is het belangrijk te weten, wat God bedoelt met een "dag". Want Hij kende al "dagen" (Gen.1:5,8,13), vóórdat "er lichten aan het uitspansel waren om scheiding te maken tussen de dag en de nacht, die dienden tot aanwijzing van vaste tijden als dagen en jaren" (Gen.1:14).

Voor Hem is een "dag" geen periode van 24 uur. Een dag is, als "het avond is geweest en het morgen is geworden" (Gen.1:5,8,13, enz). Hij ziet "dagen", als wanorde door Zijn Woord orde wordt, duisternis tot licht, dood tot leven, enz. Dat geldt voor de scheppingsdagen in Genesis, maar ook voor de "eeuwen" (aionen, bedelingen). En dat geldt ook voor ons persoonlijk. In alle facetten van ons mens zijn doet God Zijn scheppingswerk van "dag", tot "dag", tot "dag", tot "dag", tot "dag", tot "dag", tot sabbat, enz. enz., totdat "wij Hem gelijk zullen wezen, want wij zullen Hem zien (=kennen), gelijk Hij is" (1 Joh.3:2). Zo leidt Hij ons van "week" tot "week", van "shabbath" tot "shabbath", door het gehele "jaar van Zijn verlossing" (Jes.63:4).

Redding is een begin: "Er zij licht". Verlossing is het totale scheppingsproces. "Ook wij, die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam" (Rom.8:23), "dag", na "dag". In dat proces horen "nachten" erbij. Dat zijn tijden van duisternis en moeilijkheden. Schuil dan bij de Schepper. "Wie in Zijn schuilplaats zit, overnacht in de schaduw van de Almachtigen" (Ps.91:1). "Onder Zijn vleugelen vindt u een toevlucht" (Ps.91:4). Daar hoeft niemand "te vrezen voor de verschrikking van de nacht" (Ps.91:5).



DE EERSTE EN DE LAATSTE

Velen van ons hebben geen notie van de grootsheid van Gods scheppingsplan. Wij hebben Hem altijd onderschat. Wij hebben nooit begrepen, dat "er wordt gezaaid in vergankelijkheid en opgewekt in onvergankelijkheid" (1 Cor.15:42), dat "er wordt gezaaid in oneer en opgewekt in heerlijkheid" (1 Cor.15:43), dat wij allemaal zijn gezaaid "in Adam" en worden opgewekt "in Christus".

God deed het zaaiwerk voor Zijn doel in Genesis. Hij schiep Adam (=mens), "zoon van God" (Luc.3:38), geschapen als "beeld van de komende" (Rom.5:14). Deze "liet zich niet verleiden" (1 Tim.2:14), maar nam de zonde van "de vrouw" aan (Gen.3:6b). Zodoende liet hij zich vrijwillig zaaien in vergankelijkheid en oneer. Hij werd toen al "onder de overtreders geteld" (Jes.53:12). Hij kwam zo in de sfeer van de dood, als "de eerste, die dood geweest is" (Op.2:8).

Omdat Adam de zonde van het vlees (gesymboliseerd in "de vrouw") op zich nam, werd het bewerken en bewaren van Gods tuin verruild met een bestaan buiten het paradijs. Al zwoegende zou hij "het gewas van het veld eten en met zweet op zijn gezicht brood eten" (Gen.3:17-19). Later ging Jezus dezelfde weg. Hij was "in de gestalte Gods", "aan God gelijk", "heeft Zichzelf ontledigd", "nam de gestalte van een dienstknecht aan", "is aan de mensen gelijk geworden" en "is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood van het kruis" (Fil.2:6-8). Velen van ons beseffen niet, wat Gods Zoon heeft doorstaan, eerst als eerste Adam, later als Jezus van Nazareth. De kruisdood was een straf voor criminelen. Hij heeft, vanaf het begin, en zeker aan het eind, alle menselijke moeiten en verdriet doorgemaakt. Hij kan in alle dingen met iedereen meevoelen.

Velen, die dit lezen, zullen nu het hoofd schudden en denken: "Ja, maar, het was toch allemaal het werk van die slimme slang. Die strooide toch roet in het eten!" Gelooft u dat echt? Is de waarheid niet, dat er bij "de Vader der lichten geen verandering is of zweem van ommekeer" (Jac.1:17)? Is Hij niet almachtig, alwijs en alomtegenwoordig? Weet Hij niet alles? Had Hij bij toeval het Lam apart gesteld, "dat geslacht was sedert de grondlegging (=terneerwerping) der wereld"? (Op.13:8). Is satan niet een instrument in Zijn hand? Weet u, satan is geen partij voor God, de Almachtige. God had hem alleen nodig, omdat ook in Genesis geldt: "Indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort" (Joh.12:24).

Alle middelen voor dat zaai- en groeiproces had God klaarliggen vóór de grondlegging van de wereld: satan (die de terneerwerping zou veroorzaken, de zaaiing), het Lam (het zaad), ook de zonen Gods, de eerstelingen van de oogst (Job 38:7, Rom.8:29a). Na het scheppingwerk door het Woord was inzaaien de volgende, logische stap.

Wat stond Hem een machtig doel voor ogen: "Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen" over alle creatuur en over de gehele aarde (Gen.1:26). Toen Hij dat zei, "juichten de morgensterren samen en al de zonen Gods jubelden" (Job 38:7). God had gezaaid, in vergankelijkheid en oneer, maar met een geweldig vooruitzicht! Want de schepping werd wel "aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig dus, maar om de wil van Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, in hope" (Rom.8:20). Wat een geweldige oogst zou er opkomen: "de opstanding der doden. Want er wordt gezaaid in vergankelijkheid en opgewekt in onvergankelijkheid" (1 Cor.15:42). "Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij Zijn komst. Daarna het einde (Grieks: telos=einddoel), wanneer Hij het koningschap aan God de Vader overdraagt, wanneer Hij alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben. Want Hij moet als koning heersen, totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten gelegd heeft" (1 Cor.15:23-26).

Zo is "door één mens de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood" (Rom.5:12). Maar dat gebeurde met een doel. "Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden" (1 Cor.15:22). Allen zijn gezaaid. Allen zullen verrijzen. Jezus "heeft Zich gegeven tot een losprijs voor allen" (1 Tim.2:6). En door die éne "daad van gerechtigheid komt het voor álle mensen tot rechtvaardiging ten leven" (Rom.5:18). Dat is in een notendop het volledige scheppingsplan van de Almachtige God.

Wat een telos! Wat een plan! "In de naam van Jezus zal zich alle knie buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zal belijden: Jezus Christus is Heer, tot eer van God, de Vader!" (Fil.2:10-11). "Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen" (Rom.11:36).



GODS WERKEN EN DODE WERKEN

Overal in de wereld doen religieuze mensen pogingen om God te behagen door dingen te doen.

Orthodoxe Joden nemen het Woord, dat God op Sinaï gaf (=de wet), met uiterste plichtsbetrachting in acht. En niet alleen dat. Zij hebben er talrijke wetjes aan toegevoegd. Op grond van bijvoorbeeld "U mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder" (Ex.23:19) zullen zij nooit melk drinken tijdens een maaltijd met vlees, of binnen drie uur daarna. Ze houden nauwgezet de wet. Zij doen, wat de wet zegt.

Moslims vasten jaarlijks een maand lang tussen zonsopgang en zonsondergang. Zij hopen één keer in hun leven een lange pelgrimstocht naar Mekka te maken, die vroeger zonder modern vervoer maanden, soms jaren, kon duren. Door dat te doen hopen zij op Gods gunst.

Streng katholieke gelovigen leggen de nadruk op het doen van bepaalde goede werken. Zij gaan dagelijks naar de kerk, laten ontelbare keren de kralen van de rozenkrans door hun vingers gaan en zeggen daarbij voortdurend gebeden op.

Al deze activiteiten zijn werken van de religieuze mens. Zijn dit wat de bijbel noemt goede werken (Mat.5:16, Ef.2:10)? Of dode werken (Heb.6:1, 9:14)? Welke werken leiden tot Gods rust?

Ieders innerlijke houding is alles bepalend. Het gaat in de eerste plaats om een aan God volkomen toegewijd hart. Hij ziet immers het hart aan (1 Sam.16:7).

En ten tweede gaat het om geloof, dat Hij Zijn werken in ons leven doen kan. "Zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn" (Heb.11:6). "U zult de Heer zoeken en Hem vinden, als u naar Hem vraagt met uw ganse hart en met uw ganse ziel" (Deut.4:29, Jer.29:13). Zo gaan Zijn "ogen over de aarde, om krachtig bij te staan hen, wier hart volkomen naar Hem uitgaat" (2 Kron.16:9).

Wie zo gericht is, hoe onwetend hij ook mag zijn, doet goede werken. Hij laat namelijk God scheidend ordenen in zijn leven (het Hebreeuwse woord voor scheppen is bara en betekent ook ordenen, scheiden). Hij laat Zijn scheppingswerk toe. Want, zegt Jezus, "Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook" (Joh.5:17)."Zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen" (Ef.2:10). Dan ziet Hij in elke fase van ons geestelijk leven, dat "het goed was": "avond" geweest en "morgen" geworden, weer een nieuwe "dag". Dan geldt: "Wie overwint en Mijn werken tot het einde toe bewaart" zal ook Gods rust ervaren (Op.2:26).

Hoe anders is het met boze werken (Joh.3:19), werken der duisternis (Rom.13:12), werken van de wet (Gal.2:16), dode werken (Heb.6:1). Die leiden alle tot niets en daarvan moeten wij ons bekeren (Heb.6:1). Er zijn werken van het vlees (Gal.5:19), werken uit begeerte (Gen.3:6), werken door kracht en geweld, maar niet door Gods Geest (Zach.4:6), werken uit sleur en traditie, die met lauwheid worden gedaan, of met een van God afgekeerd hart.

Dat laatste was het geval met het volk Israël in de tijd van Jesaja. Vanwege de weerspannigheid van het gehele volk haatte God hun godsdienstige feesten (Jes.1:13-14). Hij had geen welgevallen aan de menigte offers, die zij brachten (Jes.1:11). Hij wendde Zich af als er tot Hem werd gebeden (Jes.1:12,15). Men gehoorzaamde niet aan Zijn stem en wandelde niet op Zijn wegen (Jer.7:23). Men handelde in het vlees. Men bracht geen goede vruchten voort (vgl. Jes.5:2, Mat.3:10). Na zulke werken kan de rust van God niet volgen. Dan volgt er oordeel (Jes.1:21-31), loutering, correctie.

Ook wij kunnen bidden, vasten, bijbelstudie doen, trouw naar de kerk gaan, tienden geven, enz. enz. Maar als wij de stem van de Goede Herder in ons leven negeren en Zijn Woord niet bewaren, kunnen wij Zijn werken niet doen. Dan blijven wij in het vergankelijke en in oneer steken. Dan kan Jezus in ons niets nieuw maken. Wat wij aan godsdienstige activiteiten ontplooien, is dan niets meer dan dode werken. Laten ook wij ons daarvan bekeren (Heb.6:1) en "op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken" (Heb.10:24).

Iedere godsdienstige activiteit kan dus een daad van levend geloof zijn of een dood werk. Mozes vastte veertig dagen en ontving geweldige openbaringen. De farizeeën vastten hun leven lang twee keer per week en het leverde niets op.

Jezus zei tot Zijn discipelen: "Waar twee of drie vergaderd zijn (geworden) in Mijn Naam (door de Heilige Geest), daar ben Ik in hun midden" (Math.18:20). Maar Paulus schreef aan de Corinthiërs: "Uw samenkomsten zijn niet tot zegen, maar tot schade" (1Cor.11:17). Er zijn samenkomsten, die bruisen van leven door de aanwezigheid van God. Want "het woord Gods is levend en krachtig" (Heb.4:12). Maar helaas overheerst in veel samenkomsten menselijk enthousiasme en/of starre traditie (vgl.Mat.15:6).

Alles wat voortkomt uit de menselijke natuur en wat gedaan wordt met menselijk enthousiasme, is niet Gods werk, maar mensenwerk. Wij doen Gods werken en ervaren leven, als wij gelovig handelen uit liefde tot Hem, op Zijn initiatief en onder Zijn leiding. "Ik weet uw werken en liefde, en geloof en dienstbetoon, en uw volharding en uw laatste werken, die meer zijn dan de eerste" (Op.2:19). Wie handelt op eigen initiatief en op eigen kracht, ervaart, als zijn enthousiasme eenmaal is bekoeld, alleen maar dorheid en dood.

Hoe kunnen we weten wat wat is? Door, net als Jezus, te "horen in alles wat wij ondergaan". Door het levende Woord van God rijkelijk in ons te laten wonen , dat "ziel en geest scheidt en overleggingen en gedachten des harten schift (Col.3:16). (Heb.4:12). Dat Woord moet ons oordelen en ons genezen. Dat Woord moet zowel het willen als het werken in ons werken (Fil.2:13). Zonder dat Woord ontstaat er niets wezenlijks (vgl. Joh.1:2-3). Door dat Woord worden wij een nieuwe schepping in Christus.



TENSLOTTE

Menselijke ideeën en dogma's maken moe en mat. Maar als wij Jezus als Persoon volgen, worden wij Zijn beelddragers. De Schepper wordt "niet moe of mat" (Jes.40:28). Ook wij "lopen dan, maar worden niet moe; wandelen, maar worden niet mat" (Jes.40:31).

Daarom roept Hij ons tot Zichzelf, om Zijn weg te gaan. "Kom tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rustgeven; neem Mijn juk op u en leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen; want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht" (Mat.11:28-30).

Jezus' juk was de wil van de Vader. Dat juk is zacht (Mat.11:30). Gods geboden zijn niet zwaar (1 Joh.5:3). Hij droeg dat juk van ganser harte (Ps.40:9). Hij deed Gods wil met blijdschap.

En nu nodigt Hij ook óns uit om dat juk op ons te nemen, om het levende Woord te horen en het te bewaren. Dan vinden ook wij Gods rust voor onze zielen. Destijds "zei Jezus tot Zijn discipelen: Als iemand achter Mij wil komen, dan moet hij zichzelf verloochenen en zijn kruis opnemen en Mij volgen" (Mat.16:24). Hoe goed is het, om de Lamsgestalte te volgen en van Hem te leren, opdat wij, als één van de "144.000", met Hem zullen "staan" op de berg Sion (Op.14:1), in fijn linnen (duidt ook op rust).

Wij weten, dat het gros van de Israëlieten, die uit Egypte trokken, niet zouden ingaan in het land van rust (Hebr.3:11). Zij kenden Zijn wegen niet (Hebr.3:10). Altijd dwaalden zij met hun hart (Hebr.3:10). Ze begeerden altijd wel iets, wat Hij niet wilde. Paulus zegt, dat hun ongehoorzaamheid ons ter waarschuwing is (1 Cor.10:11).

Allen die nu wél Zijn wil doen en hun harten niet verharden, zullen wél ingaan (Hebr.4:6-7). Zij komen volkomen tot rust (Hebr.4:9-10). Zij worden "gekocht uit de mensen als eerstelingen voor God en voor het Lam" (Op.14:4b). Zij zijn "verlosten van de Heer" (Jes.62:12), "losgekocht van de aarde" (Op.14:3). Zij bereiken "allen de éénheid van het geloof, allen de volle kennis van de Zoon, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus" (Ef.4:13).

We hebben al eerder gezegd, dat niet alleen zij, maar uiteindelijk iedereen "in Christus" zal leven (Op.21:24, 22:2). Niet alleen de eerstelingen gaan "tot Zijn rust in" (Heb.4:6-10). Ook de bruid zal stralen van de heerlijkheid Gods (Op.21:11), van Zijn licht, Zijn waarheid, Zijn vrede, Zijn rust. Ook de natiën zullen toestromen om "goede werken" te doen: zij zullen eten van de bladeren van het geboomte des levens. Ook zij worden genezen (Op.22:2). Er is dan niets vleselijks meer, niets onreins (Op.21:27), niets vervloekts (Op.22:3), geen "nacht" (Op.22:5a). Alles is dan nieuw!

Is die rust dan toch voor later, niet voor nu? Zij geldt alleen voor nu, als wij weten, dat het niet kan door mensenwerk of door inspanning, maar alleen door Gods Geest(Zach.4:6). Zij geldt voor wie zich laat leiden door Zijn Geest, opdat in ieder persoonlijk God een scheppingswerk kan doen in "het jaar van Zijn verlossing" (Jes.63:4). Zo verrijzen wij die in dood en duisternis zijn gezaaid nu al op tot nieuw leven in de rust die God geeft.

Helaas gaat er doorgaans heel wat aan vooraf, voordat wij eindelijk gaan beseffen, dat wij geroepen zijn om God te laten werken ten einde Zijn rust te ervaren. Begrepen wij maar, dat wij ons moeten bekeren van alle "dode werken" in het vlees. Eerst moeten wij zó moe worden van alles, zó teleurgesteld zijn in anderen en in onszelf, of zó overladen zijn met menselijke lasten, voordat wij willen inzien, dat wij "Zijn maaksel zijn, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen" (Ef.2:10).

Wanneer mogen wij dus ingaan tot Zijn rust? God stelt opnieuw een dag vast. Dat is heden, als wij Zijn stem horen. Dat is: als wij gehoorzamen. Want dat zijn de voorwaarden: als wij Zijn stem horen, moeten we die wel gehoorzamen (Heb.4:7). Jezus zegt: "Ieder, die Mijn woorden hoort en ze doet, lijkt op een verstandig man, die zijn huis bouwde op de rots"(Mat.7:24). Wie de stem van de goede Herder hoort en Hem gehoorzaam volgt, doet Gods werken en vindt Zijn rust aan "stille wateren".

Van hem of haar zegt de Christus: "Ik ken uw werken: zie, Ik heb een open deur voor uw aangezicht gegeven, die niemand kan sluiten; want u hebt kleine kracht, maar u hebt Mijn woord bewaard" (Op.3:8).

Die deur is "open in de hemel" (Op.4:1a). Hij geeft toegang tot het hemelse Jeruzalem, waar alles straalt van de heerlijkheid Gods (Op.21:11). Allen, die dáár zijn, "boven" (vgl.Joh.8:23), leven in Zijn rust, tijdens hun leven.

Ziet u een poort wijd open staan? Klim dan op. Jezus zegt, met een stem als van een bazuin: "Klim hierheen op" (Op.4:1).



Home page