Home page



Uw Naam
worde geheiligd



"Zie, Ik zend een engel om u te bewaren op de weg
en om u te brengen naar de plaats die Ik u bereid heb.
Luister naar Hem. Mijn naam is in Hem".
(Ex.23:20-21)



INLEIDING

Ieder mens krijgt een naam. Meestal kiezen ouders ze voor hun kinderen, omdat ze die mooi vinden klinken. Ze vragen zich bijna nooit af wat ze betekenen. Maar in bijbelse tijden was dat anders. Het ging toen vooral om de betekenis. Namen waren dan ook meestal gewone woorden of zinsdelen, die iedereen begreep.

Vaak gaven namen een bepaalde ervaring van de ouders weer. Mozes kreeg een zoon in ballingschap: hij noemde hem Gersom, Een vreemdeling hier. Jozef betekent: Hij zal bijvoegen. Dat was het gebed van zijn moeder Rachel bij zijn geboorte: "Moge de Heer mij er nóg een zoon bijgeven" (Gen.30:24).

Namen waren soms ook profetisch. Hosea noemde zijn zoon Lo-Ammi, Niet mijn volk. Want de Heer had gezegd: "Jullie zijn Mijn volk niet meer" (Hos.1:9). Ook de kinderen van Jesaja kregen profetische namen (Jes.7:3,8:3). En ook Jezus, wiens naam betekent Redder, "want Hij is het, die zal redden van zonden" (Mat.1:21).

Ook bovennatuurlijke wezens hebben vaak een naam: engelen als Gabriël, Man Gods, en Michaël, Wie is als God?, of Legioen, Wij zijn talrijk. Het boek Openbaring noemt machten als Appollyon, Vernietiger, en Satan, Tegenstander. En bij het uitdrijven van machten maken ze wel eens hun aard bekend door een naam te zeggen als Lust, Achterdocht, Jaloezie, of iets dergelijks. Maar nu God. Door welke naam maakt Hij Zich bekend?



DE NAAM VAN GOD

Toen God aan Mozes verscheen als een vlam in een braamstruik, zei Hij dit: "Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob" (Ex.3:6). Menselijkerwijs gesproken zou je verwachten, dat Hij zou hebben gezegd: "Ik ben de almachtige, alwetende, alwijze God, Mijn naam is JHWH".

Nee! God geeft geen beschrijving van Zichzelf en Hij geeft Zich geen naam! Als Hij wil zeggen wie Hij is, zegt Hij: Ik ben de God van die en die. Hij identificeert Zich met mensen, waarin Hij Zijn wezen in een zekere mate heeft kunnen openbaren. Namen en beschrijvingen kunnen nooit weergeven, wie Hij is. Hij zei dus: "Ik ben de God van je vader, en van Abraham, en van Isaäk en Jakob. Wil je weten wie en hoe Ik ben, kijk dan naar de levens van wie Mijn wil doen of hebben gedaan. Dan weet je wie Ik ben. Dan weet je Mijn naam!"

Dat geldt in de allereerste plaats voor Jezus. Hij, het Woord, heeft onder ons gewoond en wij hebben de heerlijkheid van de Vader gezien (vgl. Joh.1:14). Hij zei: "Ik heb Uw naam geopenbaard aan de mensen" (Joh.17:6). "Ik heb hun Uw naam bekend gemaakt" (Joh.17:26). "Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien". Hij hoefde de Vader niet te beschrijven in een preek. Hij was zelf de beschrijving. In Hem woonde de volheid van God lichamelijk (Col.2:9). En als Gods Geest in u woont, hoeft niemand Hem te beschrijven. U hebt iets veel beters: u kent Hem omdat Hij in u is. Dan maakt u met uw leven Zijn naam bekend.

We gaan terug naar Mozes. Nadat God had gezegd, dat Hij de God van zijn vader en van Abraham, Isaäk en Jakob was, werd hij naar farao gestuurd om Israël op te eisen en het uit Egypte te leiden. Hij had twee identiteitsproblemen. Allereerst zei hij: "Wie ben ik, dat ik naar farao zou gaan?" (Ex.3:11). En: "Wie bent U? Als ik bij de Israëlieten kom en zeg: De God van uw vaderen heeft mij gezonden en ze mij vragen: wat is Zijn naam, wat moet ik dan zeggen?" (Ex.3:14).

Om het antwoord van God te begrijpen, moeten we de achtergrond van die vraag bekijken. Mozes was opgegroeid in een polytheïstische cultuur. De Egyptenaren geloofden in veel goden. Elke god had een eigen naam. Maar heeft de God van Israël een naam? Mozes dacht kennelijk van wel. Het antwoord lezen we in Exodus 3 vers 14: "Hij zei tot Mozes: Ik ben die Ik ben". Of: Ik blijk er altijd te zijn. Eigenlijk zei Hij: "Je vraag is verkeerd, Mozes. Ik ben geen Egyptische god die een naam nodig zou hebben. Ik ben de Ene die er altijd blijkt te zijn (vgl Ps.46:2). Noem Mij dan maar JHWH: Ik ben die Ik ben. Dat moet je aan de Israëlieten zeggen: DIE-ER-ZAL-ZIJN heeft mij tot u gezonden (Ex.3:14, Naardense Bijbel), de Paraatblijkende (Dr. M.Reisel)".



ZIJN NAAM NIET IJDEL GEBRUIKEN

Niet lang daarna ontmoette Mozes de Heer opnieuw, op Sinaï. Hij ontving daar de tien geboden, waarvan het vierde gebod is: "Jullie zullen de naam van de Heer uw God niet ijdel gebruiken, want de Heer zal niet onschuldig houden, wie Zijn naam ijdel gebruikt" (Deut.5:11).

Op grond van dat gebod spreken Joden tot op de dag van vandaag de naam JHWH niet uit. Als ze die bij het lezen in het oude testament tegenkomen, zeggen ze iets anders: adonai (Heer), of ha-shem (de Naam). En christenen denken meestal, dat het hier om een vloekverbod zou gaan. Natuurlijk gebruikt een vloeker de naam van God ijdel, maar ook zonder te vloeken kan men de naam van God ijdel gebruiken. Want het Hebreeuwse woord nasa (dat als gebruiken is vertaald) betekent eigenlijk "nemen", "dragen". De vertaling zou dus zó moeten zijn: "Jullie moeten de naam van de Heer niet ijdel aannemen, niet oneervol dragen". Net zoals God Zijn naam verbond aan Mozes' vader, aan Abraham en later aan Jezus, omdat ze Hem dienden, zo wilde Hij Zijn naam verbinden aan het volk, dat Hij uit Egypte zou leiden.

Het is net als met een zoon: hij krijgt de naam van zijn vader en draagt die zijn leven lang. Dat kan hij met eer doen, tot vreugde van zijn vader. Maar hij kan de naam van de familie ook ernstig schaden. God beschouwde Israël als zoon (Ex.4:23). Het mocht Zijn naam dragen, zó dat Hij Zich niet voor Zijn volk hoefde te schamen (vgl. Hebr.2:11).

Wat betekent dat voor ons? Nou, een parallel naar nu is niet zo moeilijk. God heeft ook ons Iemand gestuurd om ons uit te leiden uit "Egypte": Jezus (Ex.23:20-21). Wij mogen ook Hem dienen en zó Zijn naam dragen, dat Hij Zich niet voor ons hoeft te schamen. Weet u wat er in Antiochië gebeurde? Daar gingen nieuwgelovigen zó op Christus (=de Gezalfde) lijken, dat men hen christussen ging noemen (=gezalfden, Hand.11:26). Ze waren een "volk" voor Zijn naam geworden! Wat zal God dáár blij mee geweest zijn! Want dát was van meet af aan het plan: om een volk voor Zijn naam bijeen te brengen, dat, net als Jezus, Zijn wezen aan de wereld bekend zou maken (Hand.15:14).



DE NAAM VAN JEZUS

Wat een afdaling was het, toen Hij die boven alle naam verheven is, een naam aannam in menselijke taal: JHWH. Maar er kwam een nog veel grotere afdaling. Het Woord dat God was kwam in een lichaam, dat aan de zonde gelijk was (Rom.8:3). Hij werd mens (Joh.1:1). En die moest Jezus heten. Dat had de engel Gabriël duidelijk aan Maria gezegd en aan Jozef in een droom laten zien. Jezus! Redder!

Wie is Hij voor ons, als wij die naam horen? Een historische figuur? De profeet die 2000 jaar geleden in Palestina leefde en waarover wij in de bijbel kunnen lezen? Veel christenen kennen Hem alleen maar zo, als stichter van een nieuwe religie. Als ze iets over Hem horen, denken ze aan Hem zoals Hij was, toen.

Weet u ook Wie Hij is? Nu! Hij is nu Geest! (2Cor.3:17). Nu kunnen wij door Zijn Geest een levende relatie met Hem hebben. Dan gaan we zien, dat Hij voor ons de Zoon van God is, de Redder van onze zonden, onze Bevrijder van gebondenheden en Geneesheer, onze Koning en Heer, Helper en Doper met de Heilige Geest. En net zoals Jezus een toonbeeld was van Gods naam en wezen, zo mogen ook wij Zijn beeld- en naamdrager zijn: christenen (1Cor.15:49). Als Zijn Lichaam zijn wij geroepen om een afdruk te zijn van Zijn wezen en om Zijn naam te openbaren aan de wereld. Deze gedachte wekt misschien weerstand op. "Staat dat wel in de bijbel?", denkt u misschien.

Met andere waarheden hebben we doorgaans veel minder moeite. Wij zijn zó gewend aan bijvoorbeeld de gedachte, dat wij het Lichaam van Christus kunnen zijn of de tempel van de Heilige Geest. Maar omdat wij zó vertrouwd zijn met die waarheden, nemen wij ze maar al te vaak té lichtzinnig. Toch is het waar: God roept de Zijnen op, om behalve het Lichaam van Christus en de tempel van de Heilige Geest, ook Zijn naam te dragen! En dan gaat het er niet om, om een naam te hebben, maar om een naam te zijn. Ook dus een "Ik ben ....". Net als Jezus die vele malen zei: "Ik ben.........". Zo zei de Heer ook tot Zijn discipelen: "Jullie zullen Mijn getuigen zijn" (Hand.1:8). "Jullie zijn het zout van de aarde", "het licht van de wereld" (Mat.5:13-14). En wat belijdt een beeld- en naamdrager dan? "Ik ben een getuige van Jezus", "Ik ben een ........".



DOPEN IN ZIJN NAAM

De term dopen in komt vaak voor in het nieuwe testament. Het Griekse woord voor in is eis (Engels: into). Er staat dus eigenlijk "dopen Zijn naam in". We lezen ook van het dopen tot één lichaam, ook met eis, dus "dopen één lichaam in" (1Cor.12:13). Zijn lichaam en Zijn naam zijn identiek met elkaar! Beide woorden duiden op een hechte éénheid van Jezus met de Zijnen.

De doop is niet alleen een ceremonie met water. Dat is slechts een symbool, dat vervuld wordt op een geestelijk vlak en dat is de doop met de Heilige Geest. Beide, de doop met water en de doop met de Heilige Geest, leiden tot de doop in een Persoon, tot een steeds meer sterven aan het "ik" en opgaan in de Zoon, dat wij volmaakt één met Hem worden. Zo worden wij Zijn naam en Zijn Lichaam. Deze waarheid hebben wij uitgebreid behandeld in "Gedoopt in Christus Jezus" elders op deze site.

De doop Zijn naam in is een diepgaand proces: het is het kruisigen van het "vlees" en een steeds verder vernieuwd worden door de Geest om in waarheid en in nieuwheid te gaan leven, zoals ook Jezus dat deed. Het is een zaak van consequent nee-zeggen tegen het ik en een dagelijks opnemen van het kruis. De Heer zegt hierover dit: "Wie niet zijn kruis op zich neemt en Mij volgt, is Mij niet waard. Wie zijn leven probeert te behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, die zal het behouden" (Mat.10:38). Zo iemand is niet alleen "met Hem begraven door de doop in de dood", maar die zal "ook in nieuwheid des levens wandelen" (Rom.6:4). Hij wordt geheiligd om in waarheid een drager te zijn van de naam van God en van het Lam.

In Openbaring 14 leest u over eerstelingen, die dragers geworden zijn van de naam van Jezus en van de naam van God. Ze staam bij het Lam op Sion en zingen daar een nieuw lied. Ze zijn losgekocht van de aarde en volgen het Lam waar Hij ook heen gaat. Ze zijn, als eerstelingen voor God en het Lam, zonder leugen, onberispelijk".

Deze eerstelingen dragen dus Zijn naam. De naam is "het Lichaam van Christus". De naam is het geheiligde volk van God, dat apart is gesteld, om "de ark van het verbond van de Heer te dragen, vóór Hem te staan om Hem te dienen, en om in Zijn naam te zegenen" (Deut.10:8). Door díe geheiligden zal de Vader en de Zoon bekend gemaakt worden aan de gehele wereld (Jes.49:6, Rom.8:19-21).



UW NAAM WORDE GEHEILIGD

De Heer Jezus leerde Zijn discipelen om te bidden: "Onze Vader in de hemel, Uw naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome". Dagelijks wordt dit gebed ontelbare keren opgezegd, maar er zijn maar weinig mensen, die begrijpen, wat ze zeggen. Nu zien we misschien iets meer van de betekenis ervan. Zijn naam moet worden geheiligd in "het Lichaam van Christus". "Uw naam worde geheiligd" is gelijk aan "Maak hen, net zoals U dat met Mij hebt gedaan, een beeld van U".

In Johannes 17 lezen wij, wat de Heer Jezus bad voordat Hij werd gearresteerd. We noemen dat hoofdstuk het hogepriesterlijk gebed. En toen Hij bad voor Zijn discipelen, zei Hij: "Heilig hen in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid" (vers 17). En in vers 19: "En Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid". Beide verzen komen perfect overeen als een gebed om heiliging in Zijn Lichaam, in de Zijnen.

Dus toen de Heer Jezus het "Onze Vader" bad, was Zijn allereerste vraag: "Vader, heilig de zonen, zet ze apart in heiligheid, laten zij Uw naam zijn". Maar wat is er gebeurd? We gingen dingen heiligen. We spreken van heilige plaatsen en sacramenten, geheiligde gebouwen, van zondagsheiliging. Dat alles heeft wel een functie voor een bepaalde tijd, maar het blijven schaduwen voor geestelijke realiteiten. Jezus doopt alleen mensen met de Heilige Geest om hen apart te zetten voor Gods naam.



VERHOGING VAN ZIJN NAAM

Filippenzen hoofdstuk 2 bespreekt de weg die Jezus is gegaan, een weg van vernedering tot verhoging. "God heeft Hem uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam gegeven, opdat in de naam van Jezus alle knie zou buigen" (Fil.2:9). Zou "Zijn naam" in deze context ook identiek kunnen zijn met "Zijn Lichaam"?

Laten we eens naar Openbaring hoofdstuk 1 kijken. Daar zag Johannes in een visioen het voltallige Lichaam van Christus: het Hoofd én het Lichaam. Zijn stem was niet alleen die van Jezus, die Johannes zo vaak gehoord had. Hij hoorde nu een stem als een geluid van veel wateren. Johannes zag niet alleen Jezus van Nazareth die hij had gekend. Hij zag het Lichaam van Christus in volheid. En toen hij dát zag, viel hij als dood voor Zijn voeten.

De tijd is nabij, dat de Christus zo zal worden geopenbaard, als voltallig Lichaam dat bestaat uit "losgekochten van de aarde", uit "onbevlekte" en "maagdelijke" leden. Zij zijn "het volk, dat God van meet aan heeft vergaderd voor Zijn naam" (Hand.15:14). Het zijn de "eerstelingen voor God en voor het Lam". Als onberispelijke priesters zijn ze volmaakt één met de Hogepriester. Zij dragen in heiligheid Zijn naam. Dat Lichaam is de naam waarvoor elke knie zich zal buigen!

Er zijn tal van bijbelgedeelten die daarop wijzen. "Ik zal maken, dat zij zullen komen en zich neerwerpen voor uw voeten, en erkennen, dat Ik u heb liefgehad" (Op.3:9). En "ze zullen zich voor u neerwerpen en u smeken: Alleen bij u is God" (Jes.45:14). Deze gedachte vindt u ook in Jesaja 49:23 en in Jesaja 60:14. Dit neerbuigen is natuurlijk niet het voorover buigen, zoals bijvoorbeeld moslims dat doen in hun moskeeën. Uiteraard gaat het hier om een buigen in geestelijke zin, als mensen oog in oog komen te staan met de heerlijkheid van God, die openbaar wordt in het Lichaam van Christus.

Hoe dat zou kunnen zijn, lezen we in 1 Koningen, toen de koningin van Scheba Salomo ontmoette. Ze hoorde zijn wijsheid aan, zag zijn rijkdom en zijn huis, at van zijn tafel en zag de offers die hij in het Huis van de Heer bracht. Toen "was zij buiten zichzelf". De Statenvertaling zegt: "Zo was er in haar geen geest meer". Ze was volkomen overweldigd door bewondering en verwondering, door ontzag en eerbied voor deze Vredevorst.

Als wij het hoge doel zien waartoe God ons roept, kunnen wij alleen maar tot de erkenning komen, dat de mens het verkeerde materiaal is. Van nature zijn wij totaal ongeschikt om Zijn naam te zijn, om Zijn Lichaam te zijn en om in de wereld te wandelen, zoals Jezus dat deed. Maar Hij vergiste Zich niet, toen Hij Zijn discipelen zei: "Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook jullie" (Joh.20:21).

God weet natuurlijk, dat wij uit ons zelf nooit Zijn naam kunnen zijn. Daarom "werkt Hij nog steeds" (Joh.5:17). Daarom vernieuwt Hij ons door de Heilige Geest. Dat is nu Zijn scheppingswerk. Dat doet Hij nu in mensen. Hij maakt ons een beeld van Jezus, als wij tenminste het Lam willen volgen waar Hij ook heen gaat. Als wij maar dagelijks ons kruis opnemen en het ik kruisigen. Elke dag moeten we kiezen! Voor Hem! Wij moeten zijn geheel voor Hem, in Zijn lichaam gedoopt. Dan hoeven we niet verrast te zijn, als Hij een dieper en radicaler werk in ons begint. Dan gaan we van Hem dingen leren, die geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord. Dat werk dat Hij in het verborgene doet, zal ons scheiden van Babel en zal ons in de geest steeds vaster hechten aan Hem.

Daarom begint het oordeel bij ons. Voordat wij in geest en waarheid Zijn vertegenwoordigers kunnen zijn op aarde en Zijn naamdragers mogen zijn, moet er volledig afgerekend worden met onze oude, vleselijke natuur. Gods naamdragers zullen onberispelijk zijn: vrij van Babel, vrij van Egypte. Onbevlekt, onberispelijk! (Op.14:4-5).

De leden van het Lichaam van Christus volgen dus het Lam. Dat betekent, dat ook zij deel krijgen aan lijden en aan vernedering. Zij zijn tot Hem uitgegaan buiten de "legerplaats" en dragen Zijn smaad. Maar na het lijden komt de verhoging. Dan mogen zij met "de leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids, die heeft overwonnen", zitten op de troon om met Hem als koningen te heersen. Paulus zegt: "Ik beeld me niet in dat ik het al heb bereikt, maar één ding is zeker: ik vergeet wat achter me ligt en richt me op wat voor me ligt. Ik ga recht op mijn doel af: de hemelse prijs waartoe God mij door Christus Jezus roept" (Fil.3:12-14). Hij zegt ook: "Moge uw hart verlicht worden, zodat u kunt zien waarop u hopen mag......." (Ef.1:18). "Uw naam worde geheiligd ....".



Home page