Home page


De
zevende bazuin



"Het koningschap
over de wereld is gekomen
aan onze Heer en Zijn Gezalfde.
Hij zal als koning heersen
tot in alle eeuwigheden"
(Op.11:15).


INLEIDING

Na "zes" bazuinen komt er nu een "engel" (=boodschapper) met de laatste bazuin. Die proclameert, dat de zonen Gods openbaar zijn geworden en dat de Heer met hen gaat regeren tot in "de aioon der aionen" (Op.11:15).

Openbaar wording! De "tempel die in de hemel is" gaat open. De "ark van Gods verbond" wordt zichtbaar! (Op.11:19). "Een vrouw in de hemel" baart een koninklijk "mannelijk wezen" (Op.12:1-2, 5).

Van "Gods akker" zijn de eerstelingen nu "rijp" en geoogst (Op.14:15-16). Uit "de persbak" van "de wijngaard van de aarde" stroomt een geweldige opbrengst (Op.14:18-20). "Het onkruid" is ook "rijp" en de zaaier ervan wordt nu ontmaskerd en totaal overwonnen (Op.12:7-12, 13:1-18, vgl.Mat.13:24-30, Col.2:15).


DE GEMEENTE

IN GEEST EN WAARHEID

De "vrouw", die het "mannelijk wezen" van "144000" eerstelingen baart, zijn niet de talloze aardsgerichte kerken, gemeenten en religieuze bewegingen. Ze is de Gemeente in geest en waarheid, in het "hemelse", "met de Zon bekleed" en "met de maan onder haar voeten" (Op.12:1-2,5). Johannes "ziet" hier niet "zeven" gemeenten op "aarde" die "zorgen baren" (Op.2 en 3). Zij is de Gemeente, "de vrouw in de hemel", die "een mannelijke wezen" baart voor God en voor de "troon", voor koningschap (Op.12:1,5).

Uit "de Gemeente" komen de "zonen Gods" voort, naar wie de hele schepping zo verlangend uitgezien heeft, aionen lang (Rom.8:19-21). Als zij hen "baart", begint het koningschap van onze Heer en Zijn gezalfde zonen over de ganse schepping en worden alle dingen "nieuw" gemaakt. Het worden tijden van een wederoprichting (=herstel) en een vernieuwing van alle dingen, overal en voor altijd (Hand.3:21, Op.11:15, 21:5).


DE ZONEN

MET KONINGSCHAP OVER DEZE WERELD

Zonen Gods worden dus gebaard door een vlekkeloze maagd: Jezus uit een "aardse", de vele broeders uit een "hemelse" (Rom.8:29, Op.12:1-5).

Eerst iets over Jezus, de Zoon. Hij kwam uit de hemel, werd geboren uit Maria en klom in de geest als eerste op naar de hemel om als "Zoon des mensen" (=mens) ook Zoon Gods te zijn (Joh.3:13, Col.1:18).

Toen Hij Zich op Zijn dertigste (30=geestelijke volwassenheid) liet dopen, daalde er een "duif" op Hem neer en een stem zei: "Dit is Mijn Zoon, in wie Ik welbehagen heb" (Mat.3:17, vgl.Joh.5:20). Johannes de Doper concludeerde toen: "De Vader heeft Hem nu alles in handen gegeven" (Joh.3:35).

Ja, Jezus was toen geestelijk volgroeid! (vgl.Luc.2:40). Daarom nam de Vader Hem aan als de Zoon, aan wie Hij alles kon toevertrouwen. Hij gaf Hem de volmacht om namens Hem te spreken en te handelen. "Hem werd gegeven alle macht in de "hemel" en op de "aarde" (vgl.Joh.14:7-11, Mat.28:18).

Hij was toen als mens "van boven", "hemels", met "de volheid van God in Zich" (Joh.18:23, Col.2:9). Vandaar, dat Hij kon zeggen: "Ik ben niet van deze wereld" (Joh.8:23). En: "Mijn koninkrijk (basileia= koningschap, koninklijke waardigheid) is ook niet van "deze wereld" (Joh.18:36).`Wat bedoelde Hij met "deze wereld"?

Niet deze aardbol, deze planeet. Er staat kosmos (=ordening). "Deze wereld" is alles, wat is "geordend" door de natuurlijke mens, door het "vlees". Het is alles wat "uit de oude mens" is, religieus, politiek, economisch. Jezus staat daar boven (vgl.Joh.17:2). Hij is Hemelkoning! Zijn koningschap is veel verhevener.

En nu baart de Gemeente, de "hemelse maagd", zonen die ook zo zijn. Ook zij worden "koningen" op de "troon" in de "hemel" (Op.14:1, 3:21, 12:5). Ook hun koningschap is niet "van deze wereld" (Op.5:10). Ook zij zijn "30 jaar lang" opgeklommen naar "boven", tot op "Sion" en zijn verlossers geworden (Ob.1:21). Ook zij krijgen, net als Jezus, macht over "alle vlees" "tot in de allerheerlijkste aioon" (vgl.Joh.17:2,14-16, Op.12:10-11, 11:15, 14:1-5). Koningschap Gods over deze wereld is nu gekomen aan onze Heer en aan Zijn gezalfde, aan de Zoon en de zonen (Op.11:15).

Daarom hoorde Johannes een luide stem zeggen: "Nu is verschenen het heil en de kracht en het koningschap van onze God en de macht van Zijn Gezalfde. Want de aanklager, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God, is neergeworpen. En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis" (Op.12:10-11, NBV).

Jezus overwon de "zielse-vleselijkheid" van het mens zijn (Joh.17:2). En bij de "zevende bazuin" wordt openbaar, dat ook de zonen Gods dat hebben overwonnen (Op.3:21, 12:7-11). Ze zijn de hele weg van zoonschap gegaan en komen nu als overwinnaars met "kronen des levens" te voorschijn (Op.15:2, 2:10). Ze worden koninklijke priesters, goede herders, richters, bevrijders (Op.5:10, Ob.1:21). Zij brengen overal het evangelie van verzoening, met als gevolg, dat iedereen wordt gericht (=rechtgezet) en Jezus een Heiland voor hen wordt (1Tim.4:10). En nog meer dan dat! Want niet alleen alle mensen, maar ook de ganse schepping zal worden bevrijd en zal volkomen "nieuw" worden gemaakt. Openbaring van de zonen Gods, van Jezus en de Zijnen, dát is de hoop van de ganse schepping (Rom.8:19-21)


DE TEMPEL IN DE HEMEL GAAT OPEN

Johannes ziet van deze open-baring nóg een prachtig semeion: de "tempel van God, die in de hemel is" gaat open en de "ark" wordt zichtbaar (Op.11:19).

Onze Vader in de hemel woont in een hemelse "tempel", in een hemels "huis" (Joh.14:2). Zo'n "tempel" was de Heer Jezus Christus, de Zoon van God (Joh.2:19-21). Zo'n "tempel" worden ook zij die daartoe tevoren gekend, bestemd en geroepen zijn, de zonen Gods, de volheid van Christus, Zijn Lichaam (Rom.8:29-30).

Het voor ons "open zien gaan" van de "tempel" is de Weg, die leidt tot zoonschap. Eerst door "de Deur" (Joh.10:7). Dan door "de voorhof", waar alles is van "koper" (=louterend oordeel, correctie). Vervolgens door "het heilige" met attributen van "acaciahout", dat met "goud" (=het goddelijke) is bekleed om uiteindelijk "het heilige der heiligen" binnen te gaan (Hebr.6:19-20, 9:3).

Dat "opengaan" gaat gepaard met imposante "woorden" als van "bliksemstralen en stemmen, donderslagen en aardbeving en zware hagel". Dat zijn allemaal uitingen van "het levende Woord van God", dat "uitwerkt" wat Zijn hand begon in de Zijnen (Op.11:19, vgl.1Cor.3:16-17).

Dit alles voltrekt zich "nieuw", in de geest. Jezus is de "nieuwe weg", met het "nieuwe" verbond in Zijn bloed (Luc.22:20, 1Cor.5:7, 11:25). Wie Hem navolgt, gaat door "de Deur", op "de Weg" van "de Waarheid" (=licht) tot de volle waarheid (Joh.14:6, 16:13). Hij leert dan "Zijn Leven" kennen, in het hemelse heiligdom (Hebr.10:19-20).


EN DE ARK WORDT ZICHTBAAR

In dit allerheiligste heiligdom staat alleen een "ark", een kist van "acaciahout", die van binnen en van buiten met "goud" is overtrokken (Ex.37:1-9). Het is een prachtig beeld van Christus als Zoon des mensen: van "hout" (=mens), bekleed met "goud" (=God), "van binnen" en "van buiten" (Joh.14:9, Col.2:9).

Op de ark ligt een deksel van "massief goud" (=puur goddelijk). Het wordt verzoendeksel genoemd, verwijzend naar Jezus, het Lam van God, dat voor ons is geslacht en ons verzoent met de Vader (1Tim.4:10b, 1Cor.5:7). Dat wordt openbaar!

Maar er is meer. Op het massief gouden verzoendeksel staan "twee" massief gouden "cherubs", samengesmeed met het "verzoendeksel". Het is een prachtig teken van de zonen Gods, die één zijn met het Lam. Samen met het verzoendeksel symboliseren ze "de volheid van Christus", de Zoon met de zonen, Jezus met de Zijnen. Ze worden zichtbaar! Samen! (Col.3:4).

Waarom twee cherubs, twee "hemelse" wezens?

Toen de profeet Zacharia de hemel open zag, verscheen hem een "gouden kandelaar" met een "oliehouder" (=Jezus) en links en rechts ervan "twee olijfbomen" (Zach.4:1-3). Uit die "twee" stroomde "goud"! (Zach.4:12). En een engel zei: "Dat zijn de twee gezalfden" (letterlijk: de "twee zonen van olie", Zach.4:14). Zacharia mocht "de volheid van Christus" zien.

"De twee" worden ook Gods "twee getuigen" genoemd. Waarvan zouden de "twee", waaruit "goud" stroomt, getuigen? Welk "licht" (=waarheid) stralen zij, die één zijn met het verzoendeksel, uit? Het kan niet anders zijn dan de "gouden" boodschap van verzoening. Wereldwijd laten ze horen, dat de Vader Zich al voor de "grondlegging der wereld" met alles en iedereen heeft verzoend door het bloed van het Lam (Op.13:8).

Het is duidelijk, dat de verzoening van Gods kant nog lang niet door iedereen is aanvaard (vgl.Col.1:19-23). Dat gaat wel gebeuren, als de "ark" met "de twee" openbaar wordt (Rom.8:19). Zij zijn samen levende, heilige, voor God welgevallige offers, die overal het woord van verzoening gaan brengen (Rom.12:1, Op.6:9, 2Cor.5:18-19). Het gevolg is, dat "voor de HEER alle knie zich buigen zal en alle tong Hem zal danken en loven" (Jes.45:23, Rom.14:11).


DE VROUW EN DE DRAAK

Maria, een "aardse" maagd, zou zwanger worden door overschaduwing van de Geest van de Allerhoogste (Luc.1:26-38). Toen ze dat van een engel hoorde, zei ze: "Als u dat wilt, Heer, laat dan met mij gebeuren wat u hebt gezegd" (v.38). Ze baarde Jezus, die Zoon van God genoemd zou worden en die eeuwig Koning zou zijn (v.33,35).

Nu de "Vrouw in de hemel", de ware Gemeente van alle tijden. Zij is bekleed met de Zon (Op.12:1). Omdat ze in alles de wil van de Vader doet, is ook zij moeder van de Zoon (Mat.12:50). Dat zei Jezus: "Wie de wil doet van Mijn Vader die de hemelen is, .... die is Mijn moeder" (Mat.12:50, Mar.3:35). Zij baart hen, die zonen Gods genoemd zullen worden en die ook "als koningen zullen heersen" (Op.22:5).

Behalve het "teken van de vrouw in de hemel" ziet Johannes nog een teken: een grote, rossige draak (Op.12:3). Het duidt op "de oude slang" die eens Eva verleidde en die is uitgegroeid tot "een grote draak" (Op.12:9). Hij blijft bij de "Vrouw" om, "zodra ze haar kind gebaard heeft, dit te verslinden" (Op.12:4b). Maar het kind, "de zonen Gods", blijken na de "baring" meteen bij God te zijn, op Zijn "troon", onaantastbaar, als "koningen" (Op.12:5). Er zijn "zonen Gods" "geboren", openbaar geworden.

Wat doet God met "de Moeder van de volheid van Christus"? Hoe wordt er voor de Gemeente gezorgd?

Ze krijgt een door "Hem bereide plaats" in "het hemelse". Ze vindt die toevlucht "met de twee vleugels van de grote arend" (Op.12:6,14). Ze is daar bij God, in de geest, maar nog wel op "aarde". Dat voelt als "in een woestijn", waar niets is om van te leven behalve het "brood", dat uit de mond van God komt (Mat.4:4). Zo wordt ze "onderhouden" (=gevoed en gekoesterd) buiten het gezicht van "de slang", "drie en een half jaar" lang, in het "tijdelijke" op "aarde" (Op.12:6,13-14).

Zij "valt" niet, als Eva. Ze blijft staan in alle verzoekingen en is bestand tegen de gemene woordenstroom die de draak haar nog naspuwt (Op.12:15, Jac.1:2-18). Ze wordt niet weggesleurd van haar zuivere toewijding aan de Heer (vgl.2Cor.11:3).

En de draak? Hij en "zijn engelen" (=boodschappers) worden overwonnen door "Michaël" (=die is als God: Jezus) en "Zijn krachtige helden", de zonen Gods die zijn "als de engelen" (Op.12:7, vgl.Ps.103:19-22, Mat.22:30). "De draak en zijn engelen" worden neergeworpen uit het "hemelse", in het "stof" van de "aarde" (Op.12:7-9).

Toen hoorde Johannes: "Nu is Gods bevrijding (soteria) begonnen! Nu is Zijn kracht (dunamis) openbaar geworden! Nu komt "van Hem het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid" op aarde (vgl.Mat.6:13). Nu is alle macht (exousia) gekomen aan Zijn Gezalfde! Ja, zij (meervoud!) hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis" (Op.12:10-11).

"Daarom, verheugt u, gij "hemel" en wie daarin wonen. Maar wee de "aarde" en de "zee", want de duivel is tot u neergedaald in grote grimmigheid, wetende, dat hij weinig tijd heeft" (Op.12:10-12). En ja hoor. "De draak ging van de vrouw weg om oorlog te voeren tegen de overigen van haar nageslacht, die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben" (Op.12:17).


DE DRAAK ONTMASKERD

De zaaier van het "onkruid" wordt ontmaskerd als "beest uit de zee" en als "beest uit de aarde" (Op.13). Dat zijn vanzelfsprekend geen natuurlijke dieren, een nijlpaard of een krokodil (Job 40:10,20, NBG). Het zijn de werkingen van het kwaad (Grieks: beesten=therion=verscheurende dieren). God zegt, dat die "beesten" alles te maken hebben met de aard van de gevallen mens.

Het "beest uit de zee" symboliseert namelijk de begeerten van de "oude mens". Het "beest uit de aarde" zet dat begeren om in daden, in de werken van het "vlees" (666, Op.13:18).


HET BEEST UIT DE ZEE

Johannes ziet, dat het "beest uit de zee" opkomende is (Op.13:1). Dat gebeurt continu, in het nu van alle tijden.

Er zit een "vrouw" op met deze "naam": "Het grote Babylon, moeder van de hoeren en van de gruwelen der aarde" (Op.17:1-18). Het is het geestelijke Sodom en Egypte, waar men de Heer heeft gekruisigd en waar Zijn "twee getuigen" worden gedood, in het nu van alle tijden (Op.11:8).

De "zee" is het rusteloze, instabiele, zielse bestaansniveau. Daaruit verrijst een "beest", dat zijn kracht krijgt van "de draak" (=de aloude slang) om God, Zijn naam, Zijn tempel en hen die in de "hemel" wonen, te lasteren (Op.13:2,5-6). Die "draak" maakt mensen tot "adderengebroed", tot "slangen", vol venijn en slechtheid (Mat.23:33, Luc.11:39, Ez.34:1-10). Dat gebeurde destijds met de wet- en schriftgeleerden, die "van beneden" waren (Joh.8:23). Jezus zei, dat "ze de duivel tot vader hadden en dat ze de begeerten wilden doen van die leugenaar en mensenmoordenaar van den beginne" (Joh.8:44).

En ook nu probeert het "beest uit zee" gelovigen zo te beïnvloeden, dat hun denken van de eenvoudige, zuiver toewijding aan Christus wordt afgetrokken (Gal.3:1, 2Cor.11:3). Hij wil, dat je verlangt naar religieuze riten, traditie, sentiment, sensatie, enz. Dit alles geeft geen leven (vgl.Op.20:13). Het is alleen maar namaak, schijn! (2Tim.3:5).

Johannes zag de ware aard van dit "zeemonster". Het heeft "zeven" "gekroonde koppen", wat erop duidt dat het de mens helemaal wil beheersen (Op.13:1). Het is leep als een luipaard, sterk als een beer en brullend als een leeuw (Op.13:2, 1Pet.5:8). Zo bewerkt het de begeerten van hen die op "de aarde" wonen (Op.13:2-8). "Wee, wee, wee hun" (Op.8:13, 13:8). Wee de "aarde" en de "zee" als dit "beest" macht over u krijgt ...... (vgl.Op.12:12).


HET BEEST UIT DE AARDE

Dan ziet Johannes "een ander beest" opkomen, vanuit de "aarde" (Op.13:11). Het spreekt als de "draak" en "oefent alle macht van het eerste beest voor diens ogen uit" (Op.13:11-12). Begeerten worden daden.

Een ander beest. Dit Griekse woordje voor ander (allos) betekent een andere verschijning van dezelfde. We zien dat bij voorbeeld ook, toen Jezus, de Parakletos (=Helper), een andere Helper beloofde te zenden (Joh.16:7). Dat was Hijzelf, maar dan als Geest: "de Heer is nu de Geest" (2Cor.3:17). Eerst ziet Johannes "het beest uit de zee", dan "het andere beest uit de aarde": twee verschijningen van hetzelfde kwaad.

Waar het "beest uit de zee" je naar laat begeren, dat laat het "beest uit de aarde" je "aards" uitwerken. Maar het moet wel echt lijken en daarom doet het zich voor als het Lam, maar spreekt als de draak (Op.13:11-12). Met grote tekenen tracht het hen, die op de "aarde" wonen, te verleiden (Op.12:9,13:14, vgl.2:20). Het laat zelfs een beeld maken van "het beest uit de zee" om dat te aanbidden in plaats van de Vader in de "hemel" (Op.13:12-17). Zo worden gelovigen gemaakt tot vijanden van God (Jes.63:10, Gal.5:17).

Het is duidelijk, dat God wordt gekwetst door de werken van het "vlees", door "hoererij, onreinheid, losbandigheid, afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarstingen van toorn, zelfzucht, tweedracht, partijschappen, nijd, dronkenschap, brasserijen en dergelijke" (Gal.5:16-26). Maar hier gaat het om de subtielere "werken van het vlees", waarmee de Vader in de hemel het diepst gekrenkt wordt. Dat zijn de vele (religieuze) "zonden" waartoe de "vrouw" op het "beest" gelovigen verleidt (Op.18:5, 12:9, 13:14). Haar "naam" (=wezen) "op haar voorhoofd" (=in haar denken) is: "Het grote Babylon, moeder van de hoeren en van de gruwelen der aarde" (Op.17:1-18).

Die "werken" zijn bijvoorbeeld religie bedrijven in clubverband, in gebouwen van steen, met goedklinkende maar lege woorden, riten, formele gebeden, enz. Al in Jesaja zegt God, dat Hij dat verafschuwt. "Wie heeft verlangd om voor Mij te verschijnen? Waarom treden jullie Mijn voorhoven plat? Ga toch niet door met het brengen van huichelachtige offers. Het is gruwelijk reukwerk voor Mij. Jullie feestdagen, sabbatten en samenkomsten kan Ik niet verdragen. Het is feestelijke boosdoenerij. Jullie feesten haat Ik met heel Mijn ziel. Ze zijn Mij een last. Ik ben moede ze te dragen. Wanneer jullie je handen uitbreidt (om te bidden), verberg Ik Mijn ogen voor jullie ....." (Jes.1:12-15).

Hoe onderscheiden we die subtiele werkingen van het kwaad? Door te leren van de Heer (Mat.11:29-30). Alleen door wijs te worden in de leerschool van Christus. We leren alleen onderscheiden door Zijn Geest, niet door ons verstand, niet door het doen van alles en nog wat.

Het getal van "het beest uit de aarde" is 666. Ook "hier komt het aan op wijsheid. Laat ieder die inzicht heeft, het getal van het beest ontcijferen: want er wordt de mens mee aangeduid. Het getal is zeshonderd zesenzestig" (Op.13:18). Zes! Het bijbelgetal van de "oude mens", van zijn "ziels-vleselijke natuur". Daar komt in wezen al dat kwade begeren en vleselijke werken uit voort. 666!


DE TOORN VAN GOD

Bij de laatste bazuin klinken er luide stemmen in de "hemel", die zeggen, dat nu het Koninkrijk Gods over "deze wereld" is begonnen om er altijd te blijven (Op.11:15). De vierentwintig oudsten danken God daarvoor en voor Zijn toorn die is gekomen (Op.11:16-18). Toorn? Hoe is dat te rijmen met onze hemelse Vader, die liefde is?

Het is een kwestie van vertaling. Voor "toorn" staat hier het Grieks woord orge. Het betekent hartstocht, passie, verlangen, warmte, gloed. Het is afgeleid van oregomai, dat zich uitstrekken om iets aan te raken betekent, verlangend naar iets reiken. God is dus niet wraakzuchtig en kwaad, maar verlangend en liefdevol. Hij gaat niet slaan om te straffen, maar aanraken om te genezen. Zijn "toorn" is gekomen, Zijn hartstocht, Zijn passie. Zijn passie is lief hebben! (Joh.3:16). Want God is immers liefde (1Joh.4:8).


DE TOORN VAN DE VOLKEN

Er staat ook, dat de vierentwintig oudsten de HEER niet alleen danken, dat "Zijn toorn" is gekomen, maar ook voor het "toornig" worden van de volkeren (Op.11:16-18). Welke volken zijn dat?

Het zijn nog niet alle volkeren van de wereld, maar de volken van Gods akker die van Zijn liefde weten, maar Hem niet kennen, van rooms tot protestants, van orthodox tot evangelisch, van anglikaans tot baptist, enz. enz. Het zijn "de overigen van het nageslacht van de Vrouw, die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben" (Op.12:17, 14:6-13). Ze zijn nog "op de aarde gezeten" (Op.14:6).

Die mensenzee hoort nu het ware evangelie en wordt massaal "toornig" (=met passie verlangend) om ook gereinigd te worden met het bloed van het Lam (Op.14:6). We hebben van hen een vooruitblik gezien in Openbaring 7 als van "een grote schare, die niemand tellen kan, uit alle volk en stammen en natiën en talen" (Op.7:9-17). Ze komen voor de troon en voor het Lam, bekleed met witte gewaden en met palmtakken in hun handen" (Op.7:9). Ja, God is liefde (Op.7:15-17).

Die "aardse" gelovigen moesten wel door "een grote verdrukking" en "hun gewaden wassen in het bloed van het Lam" (Op.7:13-17). Zo krijgen niet alleen "douloi", profeten en heiligen "loon naar werken", maar ook zij die Hem eren met ontzag, kleinen en groten (Op.11:18). "Voor de troon" juichen ze: "We zijn gered door onze God, die op de troon gezeten is, en door het Lam" (Op.7:10). Ook zij worden uitgeleid uit "Egypte" en "Babel". Ook voor hen is het afgelopen met het "verderven" van Gods "akker" (Op.11:18).

Wat betekent dat? Het Griekse woord voor verderven is phtheiro en betekent te gronde richten. Dat geestelijk te gronde richten gebeurt mondiaal dus in "Egypte" en in "Babylon". Daar wordt "Gods hemelse akker" "vertrapt" en "verontreinigd" door ongeestelijk denken, vanuit menselijk initiatief en "zielse" beleving. Zo worden "hemelse" realiteiten "aards" gemaakt, "te gronde gericht", vervleselijkt, verdorven, ontkracht (Op.11:2, vgl.1Cor.3:9, Mar.4:2-7, Mat.15:6). Dat moet allemaal weg! "Egypte" moet zijn achtergelaten, "Babel", die grote berg (=macht), moet in de "zee" geworpen zijn. En dat is allemaal mogelijk, "niet door menselijke inspanning en kracht, maar door Mijn Geest, zegt de Heer der heerscharen" (Mat.21:21, Mar.11:23, Zach.4:6).

Nog even dit: hoe kan een "volk" "toornig" naar God worden? Het antwoord is eenvoudig: als God Zijn Geest erop uitgiet. Een mooi voorbeeld daarvan is de opwekking van Wales in 1904.

Daar gebeurden door de aanwezigheid van Gods "toorn" ongelooflijke dingen in het hele land. Er werd niet gepreekt, maar de Geest deed Zijn werk. Kerkdiensten werden glorieuze tijden van aanbidding. Zonden werden beleden door gelovigen en ongelovigen. Schulden werden afgelost. Casino's en pubs gingen dicht, de één na de ander. Voor sportwedstrijden hadden fans en spelers nauwelijks nog belangstelling. In politieke of sociale bijeenkomsten was niemand meer geïnteresseerd. En de door mensen gemaakte barrières tussen kerken stortten helemaal in. Babel was er gevallen!

U kunt het geloven of niet: wat er in Wales gebeurde, was maar een voorproefje, iets tijdelijks, net als alle opwekkingen. Maar als God "de boog" (=Jezus) in "de wolken" ziet, dan verschijnt Hij met de wolken en zal ieder oog Hem zien (Col.3:4, Op.1:7). Dan "denkt God aan Zijn eeuwigdurende verbond met alle levende wezens op aarde" (Gen.9:16-17 NBV). Dan stort Hij Zijn Geest uit op al wat leeft (Joël 2:28-29). Dan wordt iedereen en alles blijvend "nieuw". Dat wordt een universele en blijvende "opwekking".


DE BOODSCHAP
VAN DE "DRIE" ENGELEN

Dan "ziet" Johannes "drie" engelen verschijnen met een boodschap voor de "overigen van het nageslacht van de Vrouw, die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben" (Op.12:17, 14:6-13). Ze zijn nog van "de aarde" en de "draak" kan hun nog kwaad doen (Op.12:12b,17a).

De eerste boodschapper is Hij, die vliegt in het midden van de hemel: de engel des Heren. "Hij heeft een eeuwig evangelie, om dat te verkondigen aan hen, die op de aarde gezeten zijn en aan alle volk en stam en taal en natie" (Op.14:6). Hij zegt met luide stem: "Blijf met ontzag God eren en aanbidden" (Op.14:7).

Een "andere" engel heeft zeer goed nieuws: "Gevallen is het grote Babylon, dat van de wijn van de hartstocht van haar hoererij alle volken heeft doen drinken" (Op.14:8). Haar "zonden hebben zich opgehoopt tot aan de hemel" en nu is ze gevallen! "Ga dus uit van haar, Mijn volk" (Op.18:4).

Weer een "andere" engel komt met een waarschuwing: "Als iemand het beest en zijn beeld blijft aanbidden en het merkteken op zijn voorhoofd of op zijn hand wil blijven dragen, dan zal hij nog te maken krijgen met een pijnlijk louteringsproces, want al het onkruid moet nu eenmaal worden verbrand. Blijf dus volharden en bewaar de geboden van God en het geloof in Jezus" (Op.14:9-12). Want er wordt spoedig "geoogst"! (Op.14:14-20).

Home page