Home page



De hand
aan de ploeg slaan



"Ik zal U volgen, Heer,
maar laat mij eerst afscheid nemen van mijn huisgenoten".

"Niemand die de hand aan de ploeg slaat en ziet naar wat achter hem ligt,
is geschikt voor het Koninkrijk Gods".

(vgl. 1Kon.19:19-21 met Luc.9:59-62)



DE HAND SLAAN AAN

Jezus zegt, dat "niemand, die de hand aan de ploeg slaat en ziet naar wat achter hem ligt, geschikt is voor het Koninkrijk van God" (Luc.9:62). Wat bedoelt Hij daarmee? Wat is in de bijbel de hand slaan aan?

Het eerst komen we de uitdrukking tegen in de geschiedenis van Jozef. Zijn broers hadden besloten niet de hand aan hem te slaan, maar om hem aan de Ismaëlieten te verkopen, want, zeiden ze, hij is onze broer, eigen vlees (Gen.37:27). En David zei, toen hij Saul's leven had gespaard: "De Heer had u in mijn macht gegeven. Men sprak ervan u te doden, maar ik zei: 'Ik zal de hand niet slaan aan mijn heer'" (1Sam.24:11, zie ook 26:9-11 en 23). Uit deze teksten (en ook uit Joz.2:19, 1Kron.21:17, Neh.13:21, Ester.2:21, 3:6, 6:2 en 9:2) blijkt, dat de hand slaan aan iemand betekent: iemand uit de weg ruimen, hem doden.

Ook in het nieuwe testament lezen we, dat "de schriftgeleerden en overpriesters probeerden de hand aan Jezus te slaan" (Luc.20:19). "Ze trachtten Hem te doden" (Joh.7:1). En later "sloegen ze de handen aan de apostelen en zetten hen in het huis van bewaring" (Hand.5:18, Luc.21:12). Je kunt dus de hand slaan aan iemand . Maar wat is de hand slaan aan de ploeg?


DE HAND AAN DE PLOEG SLAAN

In onze taal betekent deze uitdrukking aan 't werk gaan. Er moet aangepakt worden, dus sla je de hand(en) aan de ploeg. Maar de bijbelse betekenis is totaal anders. Zoals men de hand aan iemand slaat om hem te doden, zo sla je de hand aan iets om het stuk te maken. In Job staat, dat men de hand aan hard gesteente slaat om er goud en edelgesteente uit te halen (Job 28:6,9,10). En toen Jezus zei: "Niemand, die de hand aan de ploeg slaat ...." had Hij ongetwijfeld de geschiedenis van Elisa's roeping in gedachten. Elisa sloeg de hand aan de ploeg. Laten we eens lezen, wat hij deed.

Er staat: "Toen Elia hem aantrof was Elisa aan het ploegen. Ze waren aan het werk met twaalf span ossen. Elisa liep achter het twaalfde span. Elia liep naar hem toe en gooide zijn mantel over hem heen. Meteen liet deze zijn ossen in de steek en rende achter Elia aan. 'Laat me afscheid nemen van mijn vader en mijn moeder', zei hij, 'dan zal ik met u meegaan'. 'Doe wat je wilt', zei Elia. 'Ik dwing je nergens toe'. Elisa kwam terug, hij slachtte zijn ossen, braadde het vlees op het ploeghout en bood dat zijn knechten aan. Daarna ging hij met Elia mee als zijn dienaar" (1Kon.19:19-21).

Elisa was aan het ploegen. En toen Elia's mantel over hem heen werd geworpen, begreep hij, dat God hem riep. Hij nam een radicaal besluit: hij zou nooit meer werken, zoals hij dat zijn leven lang gedaan had. Hij sloeg de hand aan de ploeg, maakte van het hout een vuur en bereidde daarop zijn ossen tot "voedsel" voor het "volk".


DE ROEPING VAN ELISA

Elia's mantel was een profetenmantel van kameelhaar (Zach.13:4, 2Kon.1:8, Mat.3:4). Het toewerpen ervan was een symbolische handeling, die alleen maar kon betekenen: "Volg mij, om ook profeet te zijn". God had Elia kort daarvoor namelijk opgedragen: "Je moet Elisa zalven in jouw plaats" (1Kon.19:16).

Elisa ploegde met het twaalfde span (1Kon.19:19). Het getal 12 wijst in de bijbel op uitverkiezing tot een bediening met goddelijk gezag: 12 stammen, 12 apostelen, 12 fundamenten en 12 poorten van het hemelse Jeruzalem, 12x12.000 eerstelingen voor God en voor het Lam. Met het twaalfde span: tevoren gekend en uitverkoren tot het uitoefenen van een bediening met goddelijke autoriteit. Nu werd hij daartoe geroepen.

Elisa begreep dat. Hij sloeg zijn ploeg aan stukken, maar niet in een opwelling. Hij realiseerde zich heel goed, dat de tijd gekomen was om afscheid te nemen van het werk op de "akker" van zijn "familie". Hij maakte zich klaar en ging met Elia mee als zijn dienaar (1Kon.19:21). Hij zag op wat voor hem lag, niet op wat hij achterliet.

Zo worden ook alle eerstelingen voor God en voor het Lam geroepen. Jezus roept "het twaalfde span", dat aan het ploegen is op "Gods akker" (1Cor.3:9, 1Kon.19:19). Hij kiest hen uit om met Hem mee te gaan (Joh.15:16, Marc.3:14). Hij zegt: "Volg Mij, dan zal je de hemel zien opengaan" (Mat.9:9, Joh.1:43, Joh.1:52). Ook zij laten alles achter, het "werk met de ploeg", de "ploegers", hun "familie", het "volk". Ze geven alles prijs om de Heer te dienen en zien niet om (Mat.19:27, Luc.9:62). De goede Herder kent ze bij naam en roept ze allemaal persoonlijk tot Zich (Ps.147:4, Joh.10:3). Ze zien dan op wat voor hen ligt en laten het "oude" (wat eens voor hen goed was) achter (Fil.3:14).

Toen zei Elia, dat hij een wens mocht doen, voordat hij zou worden weggenomen. Elisa zei: "Laat het dubbele van uw geest op mij zijn" (2Kon.2:9). En Elia antwoordde: "Je vraagt iets heel moeilijks. Als je ziet, hoe ik van je word weggenomen, dan zal je wens vervuld worden. Zo niet, dan gebeurt het niet" (2Kon.2:10). En toen ....!

"Terwijl ze liepen te praten, werden ze plotseling uit elkaar gedreven door een wagen van vuur en met paarden van vuur ervoor. Elia werd in een stormwind meegevoerd naar de hemel. Elisa zag het gebeuren" (2Kon.2:11). Hij zag het! Zo kwam hij weer tot iets heel "nieuws": hij zag de "hemel" open en ging de Heer dienen.

Door het dubbele deel van de geest die op Elia was, zou hij eens zo veel wondertekenen doen als Elia. Ook dat loopt parallel aan wat Jezus zegt tegen de Zijnen: "Voorwaar, Ik zeg jullie, wie in Mij gelooft, de werken die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader" (Joh.14:12).


PLOEGEN EN RUSTEN

Elisa zal het vast niet als prettig hebben ervaren om het vertrouwde werk, zijn familie en de medeknechten achter te laten. Het is een smalle weg, verder te gaan met die zonderlinge Elia (2Kon.1:8). Maar Elisa kon nu wel tot rust komen. Voor hem gold wat nu voor ons geldt: "Kom tot Mij, allen die vermoeid (van het "ploegen") en belast zijn (van de zorgen voor de "akker"). Ik zal jullie rust geven; neem Mijn juk op en leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Zo zullen jullie rust vinden voor je ziel. Want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht" (Mat.11:28-30).

Wat is dát moeilijk, tot Hem komen! We zijn zulke bezige bijen, dat zelfs, als we ons op Hem proberen te richten op een rustig moment, onze gedachten voortdurend afdwalen, bij Hem vandaan. Velen van ons zijn bang voor de stilte. Ze zijn liever bezig met mensen om zich heen in plaats van maar "één ding van de Heer te vragen en dat te zoeken: te verblijven in het huis van de Heer al de dagen van hun leven, om Zijn liefelijkheid te aanschouwen en om te onderzoeken in Zijn tempel" (=naar Zijn wil te vragen, Ps.27:4).

Eigenlijk zou iedere werker op Gods akker altijd eerst bij Hem moeten komen en eerst dienend "voor de Heer willen staan" om vandaar uit te "zegenen in Zijn naam" (Deut.10:8). Eigenlijk is het tot rust komen een voorwaarde om effectief een zegen voor anderen te kunnen zijn. Daarom zoekt God "waarachtige aanbidders, die Hem aanbidden in geest en in waarheid" (Joh.4:23). Hij zoekt dienaren, die Hem willen dienen in de hemelse tempel, in Zijn huis. Jezus zegt nadrukkelijk, dat de tijd daarvoor nu is. Maar er zijn zoveel zaken, die de aandacht vragen. Dan kun je toch niet zomaar gaan "staan voor de Heer" en het werk aan anderen overlaten.........

Toch is het zo, dat een geestelijk mens kan leren om stil te zijn. Hij leert te wachten, totdat God Zijn wil bekend maakt. Hij verlangt maar één ding en dat vraagt hij: "Heer, mag ik in Uw huis Uw wil verstaan?" (Ps.27:4).

De Heer Jezus kon wachten. Op Zijn twaalfde was Hij al volkomen bezield van de dingen van de Vader (Luc.2:49). Toch bleef Hij stil, tot Zijn dertigste. En ook daarna stond Hij vaak "vroeg, nog diep in de nacht, op en ging naar buiten naar een eenzame plaats om te bidden" (Marc.1:35). Wat Hij sprak, had Hij eerst van de Vader gehoord (Joh.8:38). Wat Hij deed, had Hij eerst de Vader zien doen (Joh.5:19). Zo kon Hij spreken met "woorden van eeuwig leven" (Joh.6:68). Daarmee werden vermoeiden verkwikt, treurenden getroost, zelfverzekerden geschokt, zieken genezen, onoprechten berispt, gebondenen bevrijd en dwalenden de weg gewezen, zelfs doden opgewekt.

Staan voor Gods aangezicht, tot rust komen van het "ploegen", aan Jezus' voeten zitten. Het is een principe, dat telkens weer opduikt in het nieuwe testament. Toen een mensenmassa de Heer "gevolgd was uit de steden" en toen er maar vijf broden en twee vissen waren om hen te voeden, zei Hij: "Breng Mij die hier" (Mat.14:18). "En laat de mensen gaan zitten" (Joh.6:10). Laat ze gaan zitten "in groepen van vijftig" (Luc.9:14). Vijftig is het bijbelgetal van de heilige Geest. Hij voedt als wij gaan zitten.

Daarvan is het verhaal van Martha en Maria van Bethanië ook een prachtige illustratie. Maria was gaan zitten aan Zijn voeten, luisterde naar Zijn woorden en ontving zo brood des levens. Jezus noemde dat "het beste deel, dat haar nooit meer zou worden ontnomen" (Luc.10:38-42). Maar ja, het is waar. Het werk moet ook gedaan worden. Martha werd er wanhopig van. Ze had Jezus met twaalf discipelen in huis (Luc.10:38). Ze werd helemaal "in beslag genomen door het vele bedienen" (Luc.10:40a). "Ze ging bij Jezus staan en zei: Heer, trekt U het U niet aan, dat mijn zus me alleen laat werken? Zeg haar toch, dat ze komt helpen" (Luc.10:40b)

Het bedienen was natuurlijk nodig en goed. Maar Maria had het beste gekozen (Luc.10:41). En denk maar niet, dat Maria haar verantwoordelijkheden niet kende. Ze heeft ongetwijfeld vooraf "in het huis" gewerkt, de gasten ontvangen, geholpen met het bedienen zoals iedere oosterse vrouw dat zou hebben gedaan. Maar toen ging Jezus spreken met "woorden van geest en leven", met "woorden van eeuwig leven" (Joh.6:63, 68). Toen moest ze kiezen: of doorgaan om de gasten te bedienen, of bij Hem te gaan zitten. Ze koos voor het beste (Luc.10:41-42).

Maria had dus een keus gemaakt, die haar zus niet kon waarderen. Die vond, dat er doorgewerkt moest worden en zij koos voor het dienen van de gasten. Zo is het nog steeds. Wie zich geroepen weet de Heer te dienen, moet keuzes maken die lang niet iedereen begrijpt. Het niet meer "ploegen" en met "Elia" meegaan wordt vaak gezien als verraad. En toch zullen door bekering (=anders denken) en rust wij verlost worden en zal in stilheid en vertrouwen onze kracht liggen (Jes.30:15).

Toen Petrus tot Jezus zei: "Heer, wij hebben alles prijsgegeven en zijn U gevolgd; wat zal dan ons deel zijn?", antwoordde Hij: "Jullie zullen op twaalf tronen zitten om de twaalf stammen van Israël te richten. Wie huizen of broers of zusters of vader of moeder of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om Mijn naam, zal vele malen meer terugontvangen en het "eeuwige" leven erven (=het waarachtige leven in geest en waarheid). Maar veel eersten zullen de laatsten zijn en veel laatsten de eersten" (Mat.19:27-30).

Daarom moet ieder, die zich geroepen weet tot koninklijk priesterschap de hand aan de ploeg slaan en de Vader vragen hem te wijden, te heiligen en te zalven met Zijn Geest. Dan zal hij, als hij zich in "linnen" (=rust) kleedt, voor Hem mogen staan om Hem te dienen (Deut.10:8). Dat deden de leraren en profeten in Handelingen 13:2 ook. Ze dienden in eerste instantie niet de gemeente, niet de armen, niet hun volksgenoten. Ze dienden daar vastend en biddend de Heer. Als Maria's zaten ze bij Hem. Dáárom werden er te Antiochië mensen afgezonderd voor het werk van de Heer.


RECHTE VOREN TREKKEN

Sommigen van ons vragen zich ongetwijfeld af, hoe het dan zit met het rechte voren trekken in de volgende tekst: "Maak er ernst mee u wel beproefd ten dienste van God te stellen, als een arbeider die zich niet hoeft te schamen, maar die rechte voren trekt bij het brengen van het woord der waarheid" (2Tim.2:15). Hier gaat het toch wél over ploegen!

Eigenlijk staat er niet "rechte voren trekken". Het Griekse werkwoord is orthotomeo en heeft de volgende betekenissen: recht snijden, een rechte koers aanhouden. Orthotomeo bij het brengen van het woord der waarheid betekent: de waarheid op de juiste wijze en consequent toepassen. De NBG-vertalers hebben ten onrechte aan ploegen gedacht. Andere vertalingen hebben doorgaans: het woord der waarheid recht snijden (o.a. in de Staten- en de Lutherse vertaling). Enkele Engelse vertalingen luiden: rightly divide the word of truth (in de King James en in Green's letterlijke vertaling), handling aright the word of truth (ASV).

Wat dat betekent? Het is consequent onderscheid maken tussen het "oude" en het "nieuwe", tussen het natuurlijke en het geestelijke, tussen de aardse schaduwbeelden en de waarheid in het Koninkrijk der hemelen. In het "oude" was het Woord van toepassing op zichtbare zaken, op een aards volk, waarmee God een verbond sloot om hen te verlossen uit Egypte en hen te brengen in een beter land. Daar zou een stenen tempel worden gebouwd in een aards Jeruzalem, enz. enz. Wie nog steeds zo denkt, interpreteert alle profetieën en gebeurtenissen in de bijbel met het oog op aardse, zichtbare, tijdelijke schaduwbeelden. Zijn denkwijze is dan nog die van het "oude" verbond.

Maar in het "nieuwe" verbond is alles van toepassing op geestelijke, hemelse realiteiten. En dus ook op een geestelijk volk. Met dat volk doet God "nieuwe dingen" (Jes.42:9, 48:6). Met dat volk sluit Hij een "nieuw" verbond om het te verlossen van het ware "Egypte" (het "vleselijke") en om het te brengen in een beter "beloofde land", het koninkrijk der hemelen. Dan moeten we denken aan Gods "huis" in het hemelse Jeruzalem. In het nieuwe verbond zoekt men consequent de dingen die boven zijn. Dat is orthotomeo. Recht snijden.

Recht snijden! Consequent denken! Van de talloze voorbeelden die er zijn, geef ik er maar één. Toen de Heer zei: "Breek deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen", dacht Hij niet aan een natuurlijke tempel (zoals de schriftgeleerden). Hij dacht aan een geestelijke tempel van God. Hij dacht aan Zichzelf (Joh.2:19-21, vgl. Col.2:9). Recht snijden! Wie het koninkrijk Gods is binnengegaan en burger van een rijk in de hemelen is geworden, past het woord der waarheid consequent toe op geestelijke realiteiten en ziet dat die waarheden hemzelf betreffen (Fil.3:20).

Paulus' denkwijze is als die van Christus. Hij schreef: "Bedenk de dingen, die boven zijn (=geestelijk en waarachtig), niet die op de aarde zijn" (Col.3:2). En "zoek de dingen, die boven zijn, waar Christus is" (Col.3:1). Dan zijn we in de wereld én "van boven". Dan zijn we niet alleen meer bezig met aardse schaduwbeelden, maar vooral met de geestelijke realiteiten waar ze op wijzen. Dat is recht snijden: scherp het onderscheid maken tussen "oud" en "nieuw".

Trouwens, is het aanhangen van een letterlijk-natuurlijke interpretatie van het woord echt wel geloof? Is bijvoorbeeld het wachten op Jezus' komst op wolken van waterdamp en de opname van de gelovigen in een flits niet eerder een naïeve interpretatie van ongeestelijke leraren? Echt geloof is anders. Het is het levende woord van God horen, het ontvangen en er naar leven. Zo stijgen we op met vleugels als arenden (Jes.40:31). Zo herkennen we in de bijbel wat Hij door Zijn Geest al tot ons heeft gesproken. De bijbel is een boek, waarin we ons leven met het levende Woord bevestigd kunnen zien. Zo worden wij een levend offer, een waar priester, een geestelijke tempel en nog veel meer (1Cor.3:16, Rom.12:1).

Zo treden we in Jezus' voetsporen. Zo leidt Hij ons uit naar de stille wateren en de grazige weiden van het Koninkrijk der hemelen (Joh.10:3). Dáár wordt het één kudde en één herder van schapen die de stem van de goede Herder kennen (Joh.10:16). Dat is niet iets voor later. Wie Hem volgt, ervaart dat hier en nu. Hij wordt door de Herder hoe langer hoe losser gemaakt van menselijke opvattingen en natuurlijke interpretaties. Hij wordt hoe langer hoe meer één geest met de Heer (1Cor.6:17).


TENSLOTTE

Velen van ons doen hun uiterste best in een kerk of gemeente. Anderen steken tijd en energie in evangelisatiewerk om zondaren op Jezus te wijzen. Weer anderen maken zich sterk voor jeugdwerk, of werk onder verslaafden en daklozen. Of ze geven alles op om in het buitenland het evangelie te gaan verkondigen. We moeten ons realiseren, dat het in de meeste gevallen het ploegen van Gods akker is. En dat is een goede zaak, als het in alle oprechtheid en zonder bijbedoelingen wordt gedaan (Luc.17:7a).

Maar nog steeds zegt de Heer tegen ieder, die voor Hem ploegt of het vee hoedt en van het land komt: "Maak eerst een maaltijd voor Mij klaar en bedien Mij eerst" (Luc.17:7-9). Hem behagen is meer dan voor Hem werken. En wie tot Hem nadert om Hem te behagen, zal leven (Amos 5:4, Jes.48:16, Jac.4:8).

Home page